Gebleken is dat veel studerenden ten onrechte een uitwonendenbeurs ontvangen. De wet dicht de mazen in de WSF 2000 en vergroot de controlemogelijkheden door de definities voor thuis- en uitwonenden te vereenvoudigen en aan te scherpen, een toezichthouder te benoemen om fysieke adrescontrole uit te voeren met betrekking tot de controle op de studiefinanciering, en een bestuurlijke boete in te voeren.
De wet beoogt het verschil tussen enerzijds het uit 's Rijks kas bekostigd voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs en anderzijds het niet uit 's Rijks kas bekostigd voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs op te heffen wat betreft de hantering van het persoonsgebonden nummer en het basisregister onderwijs (BRON), en de verplichtingen die daarmee samenhangen, zoals de gegevenslevering aan de minister van OCW. Doel hiervan is: - de bestrijding van verzuim en voortijdig schoolverlaten, - het aanpakken van het verschil wat betreft de hoogte van de cijfers tussen het schoolexamen en het centraal examen in het voortgezet onderwijs, en - het verminderen van de administratieve lasten van het betrokken niet-bekostigd onderwijs.
De regeling is gewijzigd in verband met de invoering van respectievelijk de nieuwe beroepsgerichte kwalificatiestructuur en opleidingsdomeinen. Met de aanvaarding van het wetsvoorstel inzake de beroepsgerichte kwalificatiestructuur krijgen instellingen de mogelijkheid om deelnemers die nog niet kunnen kiezen voor welk beroep en diploma ze willen worden opgeleid, in te schrijven voor opleidingsdomeinen (in de BOL voor mbo niveau 2, 3 of 4) of voor kwalificatiedossiers. In dat geval moet de instelling ook, in samenspraak met de deelnemer, het niveau bepalen van die inschrijvingen.
Het besluit regelt dat voor kinderen met een (risico op een) taalachterstand (ook wel aangeduid als: doelgroepkinderen) in 37 gemeenten voor de jaren 2012, 2013 en 2014 respectievelijk € 70 mln, € 100 mln en € 100 mln extra beschikbaar is. De bijlage bij het besluit bevat de namen van die 37 gemeenten.
De regeling verlengt de werkingsduur van de Regeling stagebox beroepsonderwijs 2006-2010 (opnieuw) met één jaar. De regeling wordt weer met een jaar verlengd omdat de economische situatie nog niet is hersteld. De regeling is nodig om het aantal stage- en simulatieplaatsen voldoende op peil te houden.
De regeling betreft een wijziging van de Regeling Praktijkleren en groene plus op 3 onderdelen: 1. De minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie krijgt de mogelijkheid prioriteiten te bepalen die de instellingen in acht moeten nemen bij de besteding van de aanvullende bijdragen op basis van deze regeling (box 1 en box 2). Ook is een algemene grondslag toegevoegd voor het meewegen van beleidsprioriteiten van subsidieaanvragen op deze regeling. 2. De inrichting van de zogenaamde box 3 (investeringsruimte voor voorzieningen praktijkleren) wordt herzien met het oog op een scherpere prioritering, een betere bedrijfseconomische onderbouwing van de aanvragen en op een betere beoordelingsprocedure. Zie paragraaf 5. 3. De grondslag voor de zogenaamde 2% innovatiemiddelen voor KBB Aequor wordt in box 4 van de regeling opgenomen. Bij de regeling wordt ten slotte de bijlage gepubliceerd waarin de opleidingen die meetellen voor de verdeling van de middelen in box 2 (zogenaamde primaire opleidingen), bekend worden gemaakt.
De regeling strekt tot openstelling van een aanvraagperiode voor subsidies op grond van de Regeling kennisverspreiding en innovatie groen onderwijs (KIGO) en van de Regeling praktijkleren en Groene plus voor wat betreft box 4: de subsidies voor de implementatie van het onderwijsbeleid, en box 3: de subsidieruimte voor investeringen in voorzieningen voor praktijkleren.
De Regeling kennisverspreiding en innovatie groen onderwijs (KIGO) is het instrument van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie voor het faciliteren en richten van de agendering en programmering van de acties van het groene onderwijs zijn vastgelegd. De KIGO-subsidies zijn bestemd voor programma’s en programmaonderdelen die bijdragen aan betere ontsluiting, verspreiding en benutting van beschikbare kennis voor de beleidsprioriteiten van de minister en doorwerking hebben op de kwaliteit en actualiteit van het onderwijsaanbod. Nieuw ten opzichte van 2011 is dat de minister bij de openstelling nadere voorschriften kan stellen voor prioriteiten van zijn beleid, zoals topsectoren.
De regeling stelt de bedragen vast van de gemiddelde personeelslast (gpl-bedragen) per 1 januari 2012. Het opnieuw vaststellen van de bedragen heeft te maken met enerzijds de toevoeging van extra middelen voor de verdere inkorting van carrièrelijnen en de invoering van de landelijke functiemix in het kader van het 'Convenant Leerkracht van Nederland' en anderzijds met een efficiencykorting sectorraden. Afhankelijk van besluitvorming van het kabinet over de definitieve kabinetsbijdrage in de arbeidskostenontwikkeling 2012, kunnen deze bedragen nog wijzigen.
De regeling vervangt de bijlagen 1A, 1B, 2A, 2B en bijlage 5 die behoren bij de Regeling beoordelingsnormen staatsexamen NT2. Die bijlagen bevatten de beoordelingsnormen voor de examentoetsen weergegeven in een voorschrift voor de beoordeling. Het voorschrift bestaat uit twee onderdelen: a. Algemene aanwijzingen, op grond van deze regeling en b. een beoordelingsmodel bij iedere examentoets. Het eerste onderdeel volgt uit het Staatsexamenbesluit Nederlands als Tweede Taal, het Examenprogramma NT2 en deze regeling. Het tweede onderdeel betreft het beoordelingsmodel met zijn voorschriften hoe het examenwerk moet worden beoordeeld.