Bij het bestreden besluit hebben verweerders, beslissend op het door appellant ingediende bezwaarschrift, hun afwijzende beschikking gehandhaafd op het verzoek van appellant om vergoeding van de kosten van het salaris van een begeleider tijdens het vervoer van diens zoon Bart van en naar de Gabriëlschool voor voortgezet speciaal onderwijs te ’s-Hertogenbosch.
In geding is de ongegrondverklaring door verweerders van de bezwaren van appellante, voor zover deze betreffen de toekenning bij hun besluit van 12 juli 1989 aan haar, ten behoeve van het schoolbezoek van haar dochter, van een kostenvergoeding op basis van openbaar vervoer met begeleiding in plaats van een onkostenvergoeding op basis van aangepast vervoer, zoals appellante wenst.
Appellant heeft verzocht om toekenning van een vergoeding in de kosten van het vervoer van zijn kinderen A, O, M en W van en naar de Vrije School te O voor het schooljaar 1989/1990. De kinderen waren bij de aanvang van het schooljaar respectievelijk elf, negen, zeven en vier jaar oud.
Ingevolge artikel 12, aanhef en onder a en b, van de verordening kennen burgemeester en wethouders een vergoeding toe op basis van de kosten van aangepast vervoer aan de ouders van de leerling die een school voor basisonderwijs bezoekt, indien voldaan wordt aan het criterium van artikel 10
Bij besluit van 25 januari 2000 hebben burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: burgemeester en wethouders) het verzoek van appellant om vanaf 4 april 2000 tot het einde van het schooljaar 1999/2000 in aanmerking te komen voor een vergoeding voor de kosten van vervoer van zijn minderjarige dochter van en naar de reformatorische basisschool ‘De Zaaier’ te Groningen, afgewezen.