Verweerster heeft in beroep gehandhaafd het besluit van burgemeester en wethouders van Cromstrijen van 7 augustus 1986, waarbij afwijzend is beschikt op het verzoek van appellant om, voor het schooljaar 1986-1987, een tegemoetkoming in de kosten van vervoer van zijn twee kinderen naar de Reformatorische basisschool, gelegen te K.
In geding is het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit van verweerders van 1 maart 1988, waarbij afwijzend is beschikt op het verzoek van appellant om een tegemoetkoming in de kosten van aangepast vervoer ten behoeve van zijn zoon B. van en naar de Vrijgemaakt Gereformeerde basisschool te G.
Bij het bestreden besluit hebben verweerders het besluit van appellanten van 11 november 1985 vernietigd en aan belanghebbende S.J.M. B met ingang van de datum van de aanvraag een tegemoetkoming toegekend ter hoogte van de kosten van openbaar vervoer van zijn dochter E van en naar de Vrije School voor basisonderwijs: een en ander met dien verstande dat in het schooljaar 1985/1986 een bedrag van ƒ 263,– voor rekening van S.J.M. B blijft.
Het geschil dat partijen verdeeld houdt betreft in de eerste plaats de afstand tussen de ouderlijke woning en de door de oudste zoon van appellante bezochte school. Daarbij is onbestreden dat de door appellante en haar zoon van huis naar school af te leggen afstand minder bedraagt dan 2 km. Appellante stelt evenwel dat de van school naar huis af te legger. afstand meer bedraagt dan 2 km.
In geding is de weigering van verweerders tot toekenning van een vergoeding van de reiskosten voor het schoolbezoek van de kinderen van appellante, M. en J., aan de Vrije School te op maandag tot en met vrijdag op basis van de kosten van aangepast vervoer. Bij het bestreden besluit hebben verweerders aan appellante voor het schoolbezoek van haar kinderen op die dagen uitsluitend een vergoeding verleend op basis van de kosten van het openbaar vervoer.
Het bestreden besluit betreft de ongegrondverklaring van de bezwaren van appellant tegen het besluit van verweerders van 25 september 1987, waarbij zij afwijzend hebben beslist op het verzoek van appellant om een tegemoetkoming in de kosten van vervoer van zijn zoon A. naar en van de Reformatorische Eben Haëzerschool voor basisonderwijs te Teuge, gemeente Voorst.
Bij het bestreden besluit hebben verweerders, beslissend op het door appellant ingediende bezwaarschrift, hun afwijzende beschikking gehandhaafd op het verzoek van appellant om vergoeding van de kosten van het salaris van een begeleider tijdens het vervoer van diens zoon Bart van en naar de Gabriëlschool voor voortgezet speciaal onderwijs te ’s-Hertogenbosch.
Ten aanzien van het besluit van verweerders van 20 juni 1988, voor zover dit betreft het schooljaar 1987/1988, alsmede hun besluit van 8 februari 1989, overweegt de Afdeling het volgende.
Appellant heeft verzocht om een tegemoetkoming in de kosten van vervoer voor zijn kinderen J en S van en naar de Vrije School ‘Hoornse Diep’ te G voor het schooljaar 1989/ 1990. Evenals in voorgaande jaren wilde hij de kinderen zelf vervoeren.
In geding is de ongegrondverklaring door verweerders van de bezwaren van appellante, voor zover deze betreffen de toekenning bij hun besluit van 12 juli 1989 aan haar, ten behoeve van het schoolbezoek van haar dochter, van een kostenvergoeding op basis van openbaar vervoer met begeleiding in plaats van een onkostenvergoeding op basis van aangepast vervoer, zoals appellante wenst.