Hoe moet de gemeente de vergoeding voor bewegingsonderwijs berekenen als gebruik wordt gemaakt van een lokaal van een commerciële exploitant?
Een basisschool wil graag meer uren bewegingsonderwijs dan waar zij volgens de verordening recht op heeft. In het lokaal bewegingsonderwijs is hiervoor ruimte. Volgens de huisvestingsverordening kunnen de uren dan door de eigenaar van het lokaal (gemeente of schoolbestuur) doorberekend worden aan het bevoegd gezag. Moeten wij hiervoor de reguliere huurprijs die verenigingen ook betalen in rekening brengen, of moet je een andere huurprijs berekenen? Is dit laatste het geval: hoe berekenen wij deze huurprijs?