Al geruime tijd wordt er gesproken over de zogeheten Wet Passend Onderwijs (1). Deze wet behelst een flink aantal ingrijpende wijzigingen in respectievelijk de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet medezeggenschap op scholen, de Wet op het onderwijstoezicht en de Leerplichtwet 1969. Daarnaast bevat ze nog ruim dertig ingewikkelde constructies om de invoering ook financieel soepel te doen verlopen. In dit artikel gaat de auteur vooral in op de consequenties die invoering van de Wet Passend Onderwijs voor de medezeggenschap, en concentreert zich op artikel V van de wet.
Het wetsontwerp Passend Onderwijs is op 6 en 8 maart 2012 in de Tweede Kamer besproken. Het bevat een aantal artikelen over de invloed van individuele ouders op beslissingen over hun kind(eren). Veel ouderorganisaties en ouders vinden dat de positie van ouders veel sterker zou moeten worden geregeld dan de minister voorstelde. Een aantal van deze bezwaren is weggenomen nadat de Kamer amendementen aannam die de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op beslissingen over hun kind(eren) vergroten. Het aangepaste wetsontwerp gaat nu naar de Eerste Kamer. Wat staat er in dat aangepaste wetsontwerp over de invloed van ouders?
De voorganger van de WMS, de Wet medezeggenschap in het onderwijs (WMO), voorzag in de mogelijkheid om ontheffing te krijgen van toepassing van de wettelijke voorschriften over medezeggenschap op ...
De WMS bevat twee belangrijke bepalingen m.b.t. het mogelijk niet naleven van de wet.
In de WMS is een artikel is opgenomen waarin de minister wordt opgedragen vijf jaar na inwerkingtreding van deze wet, dus in 2012, aan de Staten-Generaal (Eerste en Tweede Kamer) een verslag te sturen over de doeltreffendheid en de effecten van de WMS in de praktijk.
Uitgangspunt van de WMS is dat er op elke school een MR aanwezig is, en wanneer meer scholen van eenzelfde soort onder één bevoegd gezag staan er een GMR aanwezig is. Artikel 44 van de WMS over de voorlopige medezeggenschapsraad is geschreven voor de situatie waarin een nieuwe school wordt geopend, of door fusie of overname er voor de eerste keer meerdere scholen onder het betreffende bevoegd gezag komen.
In artikel 27 van de WMS is de mogelijkheid geopend rekening te houden met specifieke gevallen. Deze bepaling biedt volgens de officiële toelichting de mogelijkheid om regels te stellen over medezeggenschap bijvoorbeeld bij stichting, samenvoeging of splitsing van scholen.
Uitgangspunt van de WMS is dat het overleg tussen bevoegd gezag en de (G)MR plaatsvindt met de gehele (G)MR. In het reglement kan echter worden opgenomen dat bepaalde onderwerpen door het bevoegd gezag allen wordt afgehandeld met die geleding die het aangaat.
In de artikelen 10 tot en met 14 van de WMS is een set bevoegdheden geformuleerd waarvan de wetgever vindt dat ze aan de (G)MR als geheel dan wel aan een geleding moesten worden toegekend. Het is echter ook mogelijk met deze bevoegdheden te schuiven en instemmingsbevoegdheden om te zetten in adviesbevoegdheden en omgekeerd.
In beginsel stelt de WMS dat iedere ouder van een leerling van de school zich kandidaat kan stellen voor een plaats in de (G)MR. Dit beginsel kent echter één uitzondering, die loopt via de diverse onderwijswetten.