Het besluit regelt twee onderwerpen: 1. In de wet van 15 december 2011 tot wijziging van onder meer de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs BES in verband met het uitbreiden en verduidelijken van de mogelijkheden tot benoeming of tewerkstelling van leraren in het voortgezet onderwijs alsmede in verband met het beperken van de mogelijkheid tot het inzetten van onbevoegden is geregeld dat leraren die in het bezit zijn van een Pabo-getuigschrift benoembaar zijn voor het praktijkonderwijs in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen vakken. De aanwijzing van die vakken vindt plaats in het onderhavige besluit. 2. In de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen (wet van 29 april 2010) is geregeld dat scholen de referentieniveaus als uitgangspunt nemen bij de verzorging van het onderwijs op basis van de kerndoelen voor Nederlandse taal en rekenen en wiskunde. De programma’s van de lerarenopleidingen worden bepaald door de wettelijk verankerde bekwaamheidseisen die moeten worden uitgewerkt in het Besluit bekwaamheidseisen onderwijspersoneel. Dat is nu in het onderhavige besluit gebeurd.
Dit wetsvoorstel regelt dat: – alle leerlingen in het primair onderwijs een centrale eindtoets voor Nederlandse taal en voor rekenen-wiskunde afleggen; – naast de centrale eindtoets een toets voor wereldoriëntatie (geschiedenis, aardrijkskunde en natuur/biologie) kan worden afgenomen; – alle scholen in het primair onderwijs gebruik maken van een leerling- en onderwijsvolgsysteem, waarmee ontwikkeling van iedere leerling afzonderlijk en van de school als geheel wordt gevolgd. Het streven is de centrale eindtoets in het regulier basisonderwijs voor de eerste keer te laten afnemen in april 2013. Het speciaal basisonderwijs en het speciaal onderwijs volgen in het schooljaar 2015-2016. De regering wil het gebruik van een leerling- en onderwijsvolgsysteem in het regulier basisonderwijs verplicht stellen met ingang van het schooljaar 2012-2013 en voor het speciaal basisonderwijs en het speciaal onderwijs met ingang van het schooljaar 2014-2015.
De wet bevat twee wijzigingen van de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met de benoembaarheid van docenten: 1. Aan het Pabo-getuigschrift wordt een bevoegdheid verbonden voor het geven van onderwijs in het praktijkonderwijs. 2. In een ministeriële regeling worden de schoolvakken vastgelegd waarvoor (nog) geen specifieke bevoegdheid kan worden verworven via een lerarenopleiding. Met deze maatregel wordt niets gewijzigd aan het bestaande systeem ten aanzien van de benoembaarheid van leraren. Ook worden er geen nieuwe eisen gesteld ten aanzien van de benoembaarheid van docenten. De nieuwe regeling geeft ten behoeve van de praktijk inzicht in de voor deze schoolvakken geldende bekwaamheidseisen. Daarnaast zijn de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet op de expertisecentra in die zin gewijzigd dat de bestaande uitzonderingsbepaling op de bevoegdheidseis dat wanneer er geen bevoegd docent beschikbaar is, er een onbevoegde docent kan worden ingezet, is ingeperkt: een onbevoegde docent kan voor maximaal één jaar worden benoemd, met de mogelijkheid van verlenging.
De Wet op het primair onderwijs bevat een nog niet in werking getreden bepaling die de ouderbijdrage aan de peuterspeelzaal maximeert indien een kind deelneemt aan voorschoolse educatie. De regering heeft inmiddels geconstateerd dat deze groep onnodig groot is. Daarom bepaalt het wetsvoorstel dat die groep wordt ingeperkt tot de zogenoemde doelgroepkinderen: kinderen met een risico op een taalachterstand in het Nederlands.
De publicatie geeft informatie over de wijziging van diverse premiepercentages per 1 januari 2012. Tevens bevat de publicatie de nieuwe bedragen van het minimumloon per 1 januari 2012 die onderdeel uitmaken van het Kaderbesluit rechtspositie PO.
De wet beoogt het verschil tussen enerzijds het uit 's Rijks kas bekostigd voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs en anderzijds het niet uit 's Rijks kas bekostigd voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs op te heffen wat betreft de hantering van het persoonsgebonden nummer en het basisregister onderwijs (BRON), en de verplichtingen die daarmee samenhangen, zoals de gegevenslevering aan de minister van OCW. Doel hiervan is: - de bestrijding van verzuim en voortijdig schoolverlaten, - het aanpakken van het verschil wat betreft de hoogte van de cijfers tussen het schoolexamen en het centraal examen in het voortgezet onderwijs, en - het verminderen van de administratieve lasten van het betrokken niet-bekostigd onderwijs.
Het besluit regelt dat voor kinderen met een (risico op een) taalachterstand (ook wel aangeduid als: doelgroepkinderen) in 37 gemeenten voor de jaren 2012, 2013 en 2014 respectievelijk € 70 mln, € 100 mln en € 100 mln extra beschikbaar is. De bijlage bij het besluit bevat de namen van die 37 gemeenten.
De publicatie bevat de procedure voor het aanmelden van het staatsexamen Nederlands als Tweede Taal in 2013. In twee programma's kan examen worden afgelegd. Examenprogramma I is bedoeld voor mensen voor wie het Nederlands niet de moedertaal is en die op niveau mbo-3, 4 een vakgerichte functie op de arbeidsmarkt willen vervullen of daarvoor een beroepsopleiding willen gaan volgen. Examenprogramma II is bedoeld voor mensen voor wie het Nederlands niet de moedertaal is en die een midden- of hogere kaderfunctie willen vervullen of daarvoor een opleiding willen gaan volgen. Hierbij valt te denken aan een studie in het hoger beroepsonderwijs of aan een universiteit.
Het wetsvoorstel biedt een grondslag voor: 1. experimenten ten behoeve van innovatie in het basisonderwijs, het (voortgezet) speciaal onderwijs, en het voortgezet onderwijs, en 2. experimentele samenwerkingsverbanden tussen scholen en instellingen uit het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs, het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs.
De wet regelt de laatste fase van decentralisatie: de volledige decentralisatie (ook wel doordecentralisatie genoemd) van de arbeidsvoorwaarden in het PO. Dit betekent dat ook het overleg over de zogeheten protocolonderwerpen, te weten de algemene salarisontwikkeling, de uitgangspunten voor functiewaardering, de vaststelling van de algemene arbeidsduur en de bovenwettelijke sociale zekerheid, na de inwerkingtreding van de wet zal plaatsvinden tussen de werknemersorganisaties en de PO-Raad.