Afkortingen en begrippen

 

Aandeel

Een aandeel (enkelvoud van aandelen) wordt ook wel een aandeelbewijs genoemd. Aandelen zijn eigendomsbewijzen van deelneming in een vennootschap. Dit betekent dat iemand die aandelen bezit, mede-eigenaar is van een vennootschap. Iemand die aandelen bezit heet een aandeelhouder is van een vennootschap. Iemand die aandelen bezit heet een aandeelhouder.

Aanschafwaarde

De waarde van een of meer gebouwen als optelsom van de respectievelijke aanschafprijzen en de bijkomende installatie-uitgaven indien deze op dit moment vervangen zouden worden.

Aansprakelijkheidsverzekering

Er zijn aansprakelijkheidsverzekeringen voor particulieren (AVP) en voor bedrijven (AVB). Dit is een verzekering tegen de financiële gevolgen van schade aan anderen, die door uw schuld of door uw bedrijf is veroorzaakt en waar u of uw bedrijf voor aansprakelijk wordt gesteld

AB

Administratiefrechtelijke Beslissingen

ABP

Het ABP is het pensioenfonds voor werkgevers en werknemers die werken voor de overheid of in het onderwijs

ABRvS

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Absoluut verzuim

de leerplichtige staat niet ingeschreven bij een onderwijsinstelling

Achterban

Onder ‘achterban’ wordt verstaan: de groep personen die men vertegenwoordigt of de groep door wie men in de MR is gekozen. Die groepen behoeven niet dezelfde te zijn. Soms kan een achterban vereenzelvigd worden met de groepering van waaruit men is gekozen. Bijvoorbeeld het gehele onderwijsgevende personeel, de totale administratie, de allochtone ouders; soms is het de verzameling kiezers die betrokkene hebben gekozen in de MR. De wet gebruikt de term ‘achterban’ niet. Terecht, omdat de betekenis die de gebruiker eraan beoogt te geven veelal uit de omstandigheden van het geval of de context van het verhaal opgemaakt moet worden.

Actief kiesrecht

Zelf kunnen kiezen.
Actieve kas Geld dat wordt aangehouden omdat de ontvangsten en uitgaven niet samenvallen.

Activa

De balansposten op de linkerzijde van de balans: de bezittingen en vorderingen van een onderneming. Gezamenlijke baten van een vermogen, zowel in roerende als in onroerende goederen, waardepapieren, contanten en uitstaande vorderingen. Tegengesteld aan passief of schulden.

Actuele waarde

Waardering van activa op basis van actuele prijzen. Dit kan gerealiseerd worden door waardestijgingen en -dalingen direct als winst of verlies te boeken of door de waardeveranderingen op een aparte rekening herwaardering te plaatsen en pas bij verkoop door te boeken naar de winst en verliesrekening te boeken.

Administratie

De boekhouding. De registratie van alle processen in een bedrijf of organisatie.

ADV

De op jaarbasis overeengekomen (rooster)vrije dagen die op grond van een arbeidsduurverkortingsregeling zijn verleend.

Adviesbevoegdheid

De bevoegdheid van de (G)MR om het bestuur te adviseren over tal van onderwerpen.

Adviesgeschil

In een adviesgeschil beoordeelt de geschillencommissie of het bevoegd gezag bij het niet of niet geheel volgen van het advies van de medezeggenschapsraad, de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, de deelraad, de groepsmedezeggenschapsraad, of een geleding van de genoemde raden, of de themaraad bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen.
De medezeggenschapsraad, de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, de deelraad, de groepsmedezeggenschapsraad, of een geleding van de genoemde raden, of de themaraad kan aan de geschillencommissie een adviesgeschil voorleggen indien het bevoegd gezag een besluit heeft genomen waarover door de medezeggenschapsraad, de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, de deelraad, de groepsmedezeggenschapsraad, of een geleding van de genoemde raden, of de themaraad advies* is uitgebracht en het bevoegd gezag daarbij het advies niet of niet geheel volgt en de desbetreffende (geleding van de) raad van oordeel is dat daardoor de belangen van de school of van de (geleding van de) raad ernstig worden geschaad.
* Het betreft een adviesbevoegdheid als bedoeld in artikel 11 WMS dan wel artikel 24, tweede en derde lid, WMS.

Adviesprocedure

Het bevoegd gezag dient het advies vragen op een zodanig tijdstip dat het advies van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming. Het moet uiteraard mogelijk zijn om overleg te plegen voordat het advies wordt uitgebracht.
Het bevoegd gezag stelt de raad zo spoedig mogelijk schriftelijk ervan in kennis of het aan het advies gehoor geeft en zo ja, van de wijze waarop aan het uitgebrachte advies gevolg wordt gegeven. De medezeggenschapsraad wordt in de gelegenheid gesteld nader overleg te voeren met bevoegd gezag indien het bevoegd gezag het advies niet of niet geheel wil volgen, alvorens het besluit definitief wordt genomen.

Adviesrecht

Het recht om advies uit te brengen.

Adviesrecht van de medezeggenschapsraad

Het adviesrecht van de MR kan ongevraagd en gevraagd worden uitgeoefend. De medezeggenschapsraad wordt vooraf in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over elk door het bevoegd gezag te nemen besluit (artikel 11 WMS). De MR kan ook ongevraagd voorstellen doen en standpunten kenbaar maken (artikel 6 WMS). Adviesrecht van de medezeggenschapsraad betekent dat het bevoegd gezag niet verplicht is om conform het uitgebrachte advies van de medezeggenschapsraad te beslissen.

Afschrijving

Afschrijvingskosten zijn kosten die de economische waardevermindering weergeven van een goed gedurende de economische levensduur.

Afschrijvingskosten

Voorbeeld

Een onderwijsinstelling koopt op 1 oktober van jaar X een nieuwe lesmethode voor € 305.000. De vermoedelijke restwaarde na 5 jaar is € 5.000 en de afschrijving gaat met jaarlijks gelijke bedragen.
De totale afschrijving is in dit voorbeeld € 300.000 .
De afschrijvingskosten zijn voor deze methode 600.000 euro / 5 jaar = 60.000 euro per jaar ofwel 300.000 euro / 60 maanden = 5.000 euro per maand.
De afschrijving in jaar X = 2 maanden 6 5.000 euro per maand = 10.000 euro, zodat de methode nog € 290.000 euro waard is.
Op de resultatenrekening komt een bedrag van 1/6 kalenderjaar 6 60.000 euro per jaar = 10.000 euro per jaar voor dat kalenderjaar.

Afwijkingsmogelijkheid zwaarte bevoegdheden

De basisgedachte en -structuur van de WMS dat op iedere school een MR (en bij meer dan een school een GMR) moet worden ingesteld, dient zonder onderscheid voor alle van overheidswege bekostigde scholen te gelden. De WMS bevat een afwijkingsmogelijkheid waardoor het bevoegd gezag onder bepaalde voorwaarden de zwaarte van de bevoegdheden (instemming of advies) van de MR of GMR kan bepalen. Als het wordt ondersteund door tweederde van zowel het personeel als de ouders, respectievelijk de ouders en de leerlingen voor wat betreft het voortgezet onderwijs, kan het bevoegd gezag, in afwijking van de reguliere systematiek voor het wijzigen van bevoegdheden, de bevoegdheden in het reglement op een andere wijze beleggen (artikel 29, lid 1, WMS).

Agenda-overleg (G)MR-vergaderingen

Voorafgaande aan de (G)MR-vergaderingen vindt doorgaans agenda-overleg plaats tussen het bevoegd gezag of de schoolleiding/bovenschoolse directie en (leden van) de (G)MR.
Dit vooroverleg kan vele functies hebben:
– informatie-uitwisseling;
– aftasting van meningen;
– het bepalen van de onderwerpen op de agenda (in hoofdlijnen);
– het maken van afspraken over procedures van werkwijzen en besluitvorming;
– het van te voren invloed uitoefenen op de gesprekspartners e.d.
De secretaris en de voorzitter van de (G)MR stellen vervolgens veelal in samenspraak de agenda van de (G)MR-vergaderingen op. Het definitief vaststellen van de agenda gebeurt uiteindelijk aan het begin van de vergadering onder zeggenschap van alle deelnemers.

AGRvS

Afdeling geschillen van bestuur van de Raad van State

Algemeen informatierecht medezeggenschapsraad

Het, al dan niet gevraagd, tijdig ontvangen van alle inlichtingen van het bevoegd gezag die de medezeggenschapsraad voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze nodig heeft (artikel 8, lid 1, WMS).

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

Bij de beleidsvorming en in het bijzonder bij de uitwisseling van informatie en het voeren van overleg met de MR, moet het bevoegd gezag naar redelijkheid en billijkheid omgaan met zijn macht. In dat kader worden wel eens de algemene beginselen van behoorlijk bestuur ter sprake gebracht. Dit zijn in het bestuursrecht ontwikkelde criteria die een rechter vaak hanteert: de rechtsplicht van het bevoegd gezag om een bevoegdheid alleen te gebruiken waartoe het gegeven is (detournement de pouvoir), verbod van willekeur ofwel het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het motiveringsbeginsel, en de rechtszekerheid.

Algemene bevoegdheden MR

De algemene bevoegdheden van de MR zijn vastgelegd in artikel 6 van de WMS en vormen een basis waarop het werk van de MR kan worden gebouwd. Het gaat om:
– het recht op overleg over de algemene gang van zaken in de school;
– het recht om alles te kunnen bespreken wat verband houdt met de school;
– het recht om voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken;
– het recht om alles te kunnen bespreken wat verband houdt met de school;
– het recht om voorstellen te doen en standpunten kenbaar te maken;
– het recht op informatie.
De algemene bevoegdheden zijn ook van toepassing op de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad.

Algemene kosten

Kosten voor het management van bedrijven. Onderdeel van de overheadkosten. Kosten die samenhangen met het management van bedrijven, maar dan exclusief. Onderdeel van de overheadkosten maar dan exclusief interestkosten. Onderdeel van de verkoopkosten en langs die kant opgenomen in de commerciële kostprijs [euro/periode]

Algemene wet gelijke behandeling

De Algemene wet gelijke behandeling verbiedt individuen en maatschappelijke organisaties (waaronder onderwijsinstellingen) om onderscheid te maken tussen personen vanwege godsdienst, levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat. Het verbod geldt onder meer bij het aanbieden van een baan of van diensten. Sinds augustus 2009 is in deze wet op grond van handicap en chronische ziekte een nieuwe bepaling van kracht geworden die betrekking heeft op het primair en voortgezet onderwijs. Het artikel bepaalt dat onderscheid verboden is bij het verlenen van toegang tot, het aanbieden van, het afnemen van toetsen tijdens en het afsluiten van onderwijs als bedoeld in de WPO en de WVO. Het gaat hier om onderscheid tussen personen op grond van een handicap of chronische ziekte. Daarnaast is de school verplicht naar gelang de behoefte doeltreffende aanpassingen te verrichten, tenzij deze voor (haar) een onevenredige belasting vormen. Gedacht kan worden aan aanpassingen van meubilair en aanpassingen in de begeleidende sfeer. De MR heeft volgens artikel 7 lid 2 van de WMS de taak om te waken tegen discriminatie en de gelijke behandeling in gelijke gevallen en in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van gehandicapten en allochtone werknemers te bevorderen.
Amb

Algemene maatregel van bestuur (wetgeving)

AMvB

Algemene maatregel van bestuur

AOb

Algemene onderwijsbond

AOC

Agrarisch Opleidingen Centrum

AOW

Afkorting voor de algemene ouderdomswet. Het is een volksverzekering, die geldt voor alle ingezetenen van Nederland en voor degenen die in dienst zijn van een Nederlandse werkgever. De AOW voorziet in uitkeringen bij ouderdom. De uitkeringen gaan in op de eerste dag van de maand waarin de verzekerde 65 jaar wordt.
De hoogte van de uitkeringen is niet afhankelijk van het loon dat gedurende een eventuele loopbaan is verdiend, maar is afhankelijk van de burgerlijke staat en de gezinssituatie waarin de verzekerde verkeert.
Per 1 januari 2015 zal de partnertoeslag aan AOW’ers met een partner die jonger is dan 65 jaar komen te vervallen. Voor personen die zijn geboren op of na 1 januari 1950 en dus op of na 1 januari 2015 de 65-jarige leeftijd bereiken, kan het gezamenlijke inkomen hierdoor tijdelijk lager worden. Dit wordt het AOW-gat genoemd. De grootte van dit gat is afhankelijk van het leeftijdsverschil tussen beide partners.

Arbeid

Is de mens als productiefactor. De beloning voor de productiefactor arbeid is loon.

Arbeidsethos

Is de opvatting dat men pas een volwaardig lid van de samenleving is als men betaald werk heeft.

Arbeidskosten

Arbeidskosten zijn alle kosten die betrekking hebben op de vergoedingen voor geleverde arbeid. Loon, sociale verzekeringspremies, loonbelasting, bedrijfskleding, reiskostenvergoedingen, opleidingen, cursussen, ziektekostenverzekeringen, eventuele arbeidsongeschiktheidsverzekering. Ook de kosten van ingehuurd personeel, bijvoorbeeld uitzendkrachten e.d. worden in principe als arbeidskosten meegeteld. In de financiële administratie worden kosten van uitzend- en inhuurkrachten wel op aparte grootboeknummers geboekt.

Arbeidsvoorwaarden

Arbeidsvoorwaarden kunnen worden onderverdeeld in primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden. Primaire arbeidsvoorwaarden zijn salarissen, toelagen en gratificaties. Secundaire arbeidsvoorwaarden zijn onkostenvergoedingen (bijvoorbeeld voor gebruik van auto en te volgen scholing).
De (G)MR heeft informatierecht (artikel 8 lid 2 onder f) om voldoende inzicht te verkrijgen in de salarissen van de verschillende groepen werknemers, bestuurders en toezichthouders van de school, over de onderlinge verhoudingen en over de ontwikkeling in de tijd. Er is sprake van de informatieplicht voor het bevoegd gezag en recht voor de (G)MR om informatie te verkrijgen indien in alle bij elkaar opgetelde scholen van het bevoegd gezag ten minste 100 personen werkzaam zijn.
Als het artikellid van toepassing is dan dient het bevoegd gezag ten minste eenmaal per jaar schriftelijk:
1. algemene informatie te verstrekken over de hoogte en inhoud van arbeidsvoorwaarden per groep (dus niet op naam) van de in de school werkzame personen en de leden van het bevoegd gezag en
2. de (G)MR te informeren over de hoogte en inhoud van de arbeidsvoorwaarden van het orgaan van de rechtspersoon dat is belast met het toezicht op het bevoegd gezag. Hierbij kan gedacht worden aan een Raad van Toezicht.
De (G)MR kan op basis van z’n informatierecht een goed overzicht krijgen van de arbeidsvoorwaardelijke regelingen en afspraken die gelden voor verschillende groepen binnen de school. Ook dient inzichtelijk gemaakt te worden hoe de arbeidsvoorwaarden en afspraken zich verhouden tot elkaar en tot die van het voorafgaande jaar. Die gegevens worden per functiegroep aangeleverd, voor het bevoegd gezag en voor het toezichthoudend orgaan. Er zijn speciale regels voor groepen die uit minder dan 5 personen bestaan (zie artikel 8 lid 5 WMS).
Het personeelsdeel van de (G)MR heeft instemmingsbevoegdheid bij het vaststellen of wijzigen van het beleid met betrekking tot functiebeloning, functiedifferentiatie, toelagen- en gratificatiebeleid (artikel 12 WMS).

Arbeidsvoorwaardenoverleg

Arbeidsvoorwaarden zijn de afspraken over arbeidsvoorwaarden of de rechtspositie die een werknemer en een werkgever maken over het werk. De personeelsleden in het openbaar onderwijs zijn ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet, hebben een eenzijdige aanstelling (in tegenstelling tot de tweezijdige benoeming) en ontlenen hun arbeidsvoorwaarden aan een algemeen geldende rechtspositieregeling, zoals het Rechtspositiebesluit WPO/ WEC. Zij volgen evenwel de voor het personeel in bijzondere scholen geldende en in CAO’s vastgelegde arbeidsvoorwaarden. Werknemers in bijzondere scholen zijn werknemer in de zin van het Burgerlijk Wetboek, hebben een arbeidsovereenkomst en kunnen rechtstreeks rechten ontlenen aan een afgesloten CAO. Overleg over arbeidsvoorwaarden vindt plaats op centraal, landelijk niveau in CAO-overleg.
Arbo

Arbeidsomstandigheden(beleid)

Arbodienst

Instantie voor bedrijfsgezondheidszorg

Arbowet

De essentie van de Arbowet is dat werkgevers en werknemers zelf verantwoordelijk zijn voor de arbeidsomstandigheden in hun eigen sector of branche en afspraken maken over de wijze waarop zij inhoud geven aan de door de overheid gestelde doelvoorschriften. Werkgevers en werknemers kunnen dus zelf regelen hoe zij samen de optimale veiligheid en gezondheid in de arbeidssituatie willen bereiken en hoe deze verbeterd kunnen worden. Deze afspraken en oplossingen zetten zij vervolgens in een arbocatalogus. Voor 1 januari 2010 moet deze arbocatalogus zijn opgesteld.
De medezeggenschapsraad of gemeenschappelijke medezeggenschapsraad heeft een instemmingsbevoegdheid waar het gaat om de vaststelling van regels op het gebied van het veiligheids-, gezondheids- en welzijnsbeleid, voor zover niet behorende tot de bevoegdheid van de personeelsgeleding (artikel 10 WMS). Zoals bekend gaat de GMR over aangelegenheden van gemeenschappelijk belang voor alle scholen of voor de meerderheid van de scholen van het bevoegd gezag. Daarnaast behoeft het bevoegd gezag de instemming van de P(G)MR bij het vaststellen of wijzigen van een regeling op het gebied van de arbeidsomstandigheden, het ziekteverzuim of het re-integratiebeleid (artikel 12 WMS). Zie Arbocatalogus-VO: www.arbocatalogus-vo.nl.

ARRvS

Afdeling rechtspraak van de Raad van State

Art.

Artikel

Automatisering

Houdt in dat niet alleen lichamelijke arbeid wordt vervangen door machines, maar ook niet-lichamelijke arbeid.

Autonomie en medezeggenschap

De WMS biedt (G)MR’en en directies/besturen een grote vrijheid hoe zij de medezeggenschap op hun school vorm willen geven. Scholen hebben de vrijheid binnen de grenzen van de wet daar zelf vorm aan te geven. De betekenis en de inbreng van de (G)MR is doorgaans groter als de raad eerder door de (bovenschoolse) directie/het bestuur betrokken wordt bij het beleidsoverleg.
Medezeggenschap behoort zich primair op beleidsvragen te richten. Om die positie waar te maken moet de (G)MR betrokken worden bij de beleidsvoorbereiding van het bevoegd gezag. In principe geldt: hoe eerder dat gebeurt, des te meer betekenis kan de inbreng van de (G)MR hebben.

Autonomievergroting

Autonomie betekent meer bevoegdheden van het bestuur van de school om – in overleg met de schoolleiding en de medezeggenschapsraad – een eigen beleid te voeren.

AVS

Algemene vereniging van schoolleiders in het primair onderwijs

Avv

Algemeen verbindend verklaren (van bepalingen van de cao)

Awb

Algemene wet bestuursrecht

AWGB

Algemene wet gelijke behandeling

B&W

College van Burgemeester en Wethouders

Balanced Score Card

De balanced scorecard (BSC) is een veelgebruikt beoordelings- en evaluatie-instrument voor het behalen van lange termijndoelstellingen binnen organisaties. Het idee achter de balanced scorecard is dat een manager of organisatie niet alleen is af te rekenen op financiële resultaten, maar dat ook andere prestaties worden meegenomen in de jaarlijkse beoordeling. De term balanced komt van het feit dat verschillende factoren ook verschillend worden gewogen. Robert S. Kaplan en David P. Norton brachten de balanced scorecard onder de aandacht het grote publiek. (bron: Wikipedia)

Balans

Is een overzicht van alle bezittingen aan de linkerkant (activa of debetzijde) en de schulden plus het eigen vermogen aan de rechter kant (passiva of creditzijde) op een bepaald moment. Ook wordt een balans wel gedefinieerd als een staat, waar links de samenstelling van de bezittingen en rechts de herkomst (de bronnen) van het vermogen staat.

Balanswaarde

Waarde waarvoor de activa en de passiva op de balans staan. Wat betreft de vaste activa is de balanswaarde gelijk aan de aanschafwaarde minus de afschrijving op de vaste activa tot het moment waarop de balans wordt opgemaakt.

Bank

Een bank is een dienstverlenende onderneming op financieel gebied. De laatste jaren heeft er branchevervaging plaatsgevonden. Ze doen veel meer dan alleen financiële zaken. Sommige banken zijn complete reisbureaus, andere bieden een uitgebreid verzekeringspakket aan.
Bao Basisonderwijs
BAPO

Bevordering arbeidsparticipatie ouderen

Basisschool

Een school waar les gegeven wordt aan leerlingen van 4 tot 12 jaar, zoals dat is geregeld in de Wet op het basisonderwijs. Kinderen zijn echter pas leerplichtig vanaf de eerste dag van de maand na de vijfde verjaardag.
De basisschool kent drie centrale uitgangspunten:
– het basisonderwijs gaat ervan uit dat de leerlingen een ononderbroken ontwikkelingsproces doorlopen;
– het basisonderwijs richt zich op de emotionele en verstandelijke ontwikkeling en op het ontwikkelen van creativiteit, op het verwerven van noodzakelijke kennis en van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden;
– het basisonderwijs gaat ervan uit dat leerlingen opgroeien in een multiculturele samenleving.

Basisstructuur medezeggenschap

De basisstructuur van de medezeggenschap, het uitgangspunt van de WMS, is dat er op elke school een medezeggenschapsraad (MR) is (artikel 3, lid 1 WMS). Naast een MR per school is er bij ieder bestuur met meer scholen een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad ingesteld (GMR) (artikel 4, lid 1 WMS). De basisstructuur is de blauwdruk van de inspraak op iedere school.
Baten en lasten

In het onderwijs en het bedrijfsleven administreren we volgens het factuurstelsel. Dit houdt in dat de datum van de inkoopfactuur bepalend is voor de maand waarop de kosten drukken. Als de factuur een maand later wordt betaald, blijven de kosten ten laste komen van een maand eerder. Op het moment dat de factuur wordt betaald is er sprake van een uitgave; het banksaldo wordt lager. De factuurdatum geldt echter als boekdatum voor de administratie; op dat moment stijgen de kosten. Uitgaven en kosten zijn in het factuurstelsel verschillende begrippen.
De overheid administreert volgens het kasstelsel. Op het moment dat de overheid een factuur betaalt drukt deze factuur als kosten op de exploitatie. Uitgaven en kosten vallen in het kasstelsel samen.

Bedrijf

Organisatie gericht op het leveren van goederen of diensten die aan de afnemers in rekening kunnen worden gebracht.
Bedrijfskolom

Alle opeenvolgende schakels om tot een eindproduct te komen.

Bedrijfskosten

Alle kosten die een bedrijf bij het produceren van een product maakt en die worden doorberekend in de prijs van het product, zoals bijvoorbeeld personeelskosten en reparatiekosten.

Beginnend verzuim

ongeoorloofde afwezigheid die zich uit in regelmatig spijbelen, variërend van structureel te laat komen, uren verzuimen, tot regelmatig met vriend(inn)en een dagdeel spijbelen

Begrote kosten

Kosten zoals die in een begroting zijn opgenomen. Begrote kosten geven enerzijds een verwachting aan, maar tegelijk zijn ze een norm die niet overschreden mag worden. Vaak komen de begrote kosten overeen met de verwachte kosten, maar soms bevatten ze een extra norm. Een voorbeeld hiervan is de berekening van het voorcalculatorische bezettingsresultaat als het verschil tussen de begrote en verwachte constante standaardkosten.

Begroting

Een begroting is een schriftelijk stuk, dat een inschatting bevat van zowel de inkomsten als van de uitgaven van het bevoegd gezag in het komende jaar. De begroting bevat meestal een toelichting op de financiële gevolgen van de verschillende beleidsvoornemens en omvat daarmee veel waardevolle informatie voor de MR. Een begroting wordt opgemaakt in opdracht van het bevoegd gezag ten behoeve van de besluitvorming in het bestuur.
De MR heeft adviesrecht over de voorgenomen bestemming van de van het rijk ontvangen middelen, dus over de wijze waarop de uitgaven die het bevoegd gezag zal gaan doen en de verschillende beleidskeuzes die daaraan ten grondslag liggen.
Met betrekking tot de ontvangsten van het rijk heeft de MR geen speciale taak. Uiteraard dient de raad volledige informatie te ontvangen over de omvang van de inkomsten. Het bevoegd gezag verstrekt aan het begin van het schooljaar schriftelijk de basisgegevens met betrekking tot de samenstelling van het bevoegd gezag, de organisatie binnen de school, het managementstatuut en de hoofdpunten van het reeds vastgestelde beleid. Ten minste eenmaal per jaar ontvangt de medezeggenschapsraad de begroting en de bijbehorende beleidsvoornemens op financieel, organisatorisch en onderwijskundig gebied (artikel 8, tweede lid sub a, WMS).
Naast de middelen uit ’s Rijks kas ontvangen bedragen kunnen op een begroting nog andere inkomsten worden vermeld. Bijvoorbeeld opbrengsten uit sponsoring, ouderbijdragen, contractactiviteiten en fancy fairs. De meeste scholen vragen van ouders een vrijwillige bijdrage voor het organiseren van ‘extra’ buitenschoolse activiteiten en de aanschaf van extra lesmaterialen. Het ouders/leerlingendeel van de medezeggenschapsraad heeft instemmingsbevoegdheid (artikel 13, sub c en artikel 14, lid 1, sub c) bij het accepteren van contracten met sponsorende bedrijven en instellingen en eveneens instemmingsrecht inzake het bepalen van de hoogte van de ouderbijdragen en de vaststelling of wijziging van de bestemming van deze middelen.

Begrotingscyclus

Is de tijd die verloopt tussen het voorbereiden en vaststellen van de begroting.

Begrotingsresultaat

Financieel verschil tussen het bedrag dat in de begroting staat en het bedrag dat in werkelijkheid tot stand is gekomen.
Financieel verschil tussen het bedrag dat volgens de begroting is toegestaan en het bedrag dat men verwacht.

Bekostingsvoorwaarden

Subsidievoorwaarden betreffende administratief-organisatorische en financiële aangelegenheden (zoals bouwvoorschriften, beheer, salariëring onderwijzend personeel).

Belangen

Een belang is iets dat iemand raakt, doordat zijn/haar voordeel, zijn/haar voorspoed ermee gemoeid is. Personeel, ouders en leerlingen in de MR hebben verschillende belangen. Het personeel heeft belang bij inspraak bij de totstandkoming van het ‘product’ onderwijs en uitoefening van invloed op hun arbeidsvoorwaarden. De personeelsgeleding van de MR heeft in de WMS exclusieve zelfstandige instemmingsbevoegdheden gekregen bij de vaststelling of wijziging van het beleid over arbeidsvoorwaardelijke aangelegenheden, zoals: de verlofregeling, de arbeids- en rusttijdenregeling en de personeelsbeoordeling. Dit pakket komt vrijwel overeen met de instemmingsrechten in de Wet op de ondernemingsraden.
Het belang van het personeel in de rol van werknemer bij de instelling die als zijn werkgever optreedt, is het werknemersbelang. Vanuit dit werknemersbelang kan de grond voor aanspraak op medezeggenschap worden gevonden in meewerken aan de totstandkoming van het ‘product’ onderwijs, de afhankelijkheid en ondergeschiktheid van de werknemer tegenover zijn werkgever en het belang van een goed werkklimaat in de instelling.
Ouders en leerlingen zijn te beschouwen als afnemers van het ‘product’ onderwijs. De belangen van ouders hebben vooral betrekking op de wijze waarop hun kinderen deelnemen aan het onderwijsleerproces en van de resultaten daarvan. De belangen van leerlingen in het voortgezet onderwijs hebben vooral betrekking op de wijze waarop zij optimaal kunnen deelnemen aan het onderwijsleerproces en wat de resultaten daarvan zijn.
Leerlingen hebben belang bij goed onderwijs, persoonlijke aandacht, veel contact met hun docenten en medeleerlingen, goede begeleiding door professionele rolmodellen en een duidelijke structuur. Leerlingen zijn aan de ene kant op zoek naar avontuur, nieuwe ervaringen opdoen en aan de andere kant zoeken ze houvast, een veilige hechting aan anderen. Dat is een paradox die gemanaged moet worden. Inspraakorganen blijken daarin een rol te kunnen spelen om leerlingen zaken te leren die men anders op school niet leert, zoals effectief vergaderen en stevig onderhandelen.

Belastingen

Worden door de overheid opgelegd aan belastingplichtigen, zonder dat daarvoor een directe tegenprestatie van de overheid tegenoverstaat.

Beleggen

Geld uitzetten tegen een vergoeding, zoals rente of dividend. Aanschaf van aandelen of obligaties met het idee die voor langere tijd vast te houden.

Belegger

Een persoon of organisatie die effecten aanschaft om zijn geld voor langere tijd uit te zetten. Elke persoon of organisatie die aandelen of obligaties koopt op de beurs.

Beleggingen

Geld uitzetten tegen een vergoeding, zoals rente of dividend (zie belegde middelen). Aanschaf van aandelen of obligaties met het idee die voor langere tijd vast te houden.

Beleid

Wanneer besloten wordt dat bepaalde besluiten gelden, kunnen we spreken van beleid. Bij beleid moet gedacht worden aan een min of meer vastomlijnd geheel van gedachten over de doelen die men wil nastreven, de prioriteiten die men daarbij stelt en de wegen die men daartoe wil bewandelen.
Beleid wordt bepaald door het bevoegd gezag. Soms kan de voorbereiding en de formulering van het beleid in handen zijn van een stafdienst of een speciale functionaris van het bevoegd gezag, of soms ook van de directie. Bij de beleidsvoorbereiding worden (G)MR-leden betrokken vanwege hun specifieke deskundigheid of netwerken.

Beleidsbeslissing

Een beleidsbeslissing is een beslissing die voor het functioneren van de school een fundamenteel, verstrekkende of richtinggevende betekenis heeft. Bij de beleidsbeslissing om bijvoorbeeld een veilige school te creëren staat de school als gemeenschap centraal. Het gaat er dan om dat de school door vroegtijdige signalering, preventie en aanpak een veilige leef- en werkomgeving zal moeten weten te scheppen voor alle betrokkenen. De kern van de zaak is dat er een norm gesteld gaat worden: ‘Zo gaan wij hier met elkaar om’.

Beleidsorganen

De MR en de GMR zijn net als het bevoegd gezag en de directie organen die hun aandacht richten op vooral beleidsmatige vragen. Niet alle beleid komt op eenzelfde punt in de organisatie tot stand. Sommige beleidsbeslissingen komen tot stand op het niveau van het schoolbestuur of het bevoegd gezag, soms ook binnen de werkorganisatie door het management of directie, en soms ook buiten de onderwijsinstellingen door bijvoorbeeld het samenwerkingsverband waarbij de school is aangesloten. De WMS is helder waar precies het zwaartepunt van het overleg van de MR of de GMR ligt. In toenemende mate komt het beleid tot stand op een niveau wat de school ontstijgt. Wanneer meerdere scholen onder eenzelfde bestuur ressorteren, zal daarom de GMR het platform moeten zijn waarin het overleg plaats vindt.

Beleidsplan

Een beleidsplan geeft antwoord op de vragen: Wat willen we? Wat weten we? Welke prioriteiten stellen we? Hoe en wanneer ondernemen we actie? Wanneer stellen we plannen waar nodig bij?
Het is een misverstand, dat alleen het bevoegd gezag een beleidsplan kan en mag opstellen. Ook de (G)MR kan een beleidsplan voor zijn eigen activiteiten opstellen. De verplichting voor de (G)MR en het bevoegd gezag om een huishoudelijk reglement op te stellen is komen te vervallen.

Beleidsproces

Het beleidsproces is de geschiedenis van het ontstaan en de groei van het beleid.

Beleidsvorming

Beleidsvorming is al het werk – zoals studies, overleg, onderhandelingen – dat verricht moet worden om tot beleidsbeslissingen te komen. In dat proces past gezamenlijkheid en gelijkwaardigheid tussen alle betrokkenen op school.

Benchmark

Een benchmark is een vergelijking met de beste leerling van de klas. Benchmarken worden als stuurgetal gebruikt om naar toe te werken.

Benchmarking

Het vaststellen van resultaten op een objectieve en verifieerbare wijze.

Benoemingsbeleid

Het benoemingsbeleid heeft betrekking op het aanstellen of benoemen van nieuwe werknemers in de school. Bij het benoemingsbeleid gaat het om de vaststelling van procedureregels, hoe benoemingen tot stand komen, de vaststelling van de benoemingscriteria en de wijze waarop vacatures worden bezet. Onderdeel van de procedure kan het advies van een benoemingsadviescommissie zijn, waarin ook soms (G)MR-leden op persoonlijke titel zitting hebben.
Alleen bij de concrete uitvoeringsbeslissing van de aanstelling (en het ontslag) van directieleden heeft de MR ook enige inbreng (adviesrecht).

Beroep van leraar

Een geheel van met elkaar samenhangende (kern)taken, gemeenschappelijk aanvaarde theoretische en ethische uitgangspunten en beroepsmethodieken voor leraren waarvan de aard en de onderlinge samenhang onafhankelijk zijn van de concrete werksituatie.

BES

Bonaire, Sint-Eustatius en Saba

Bescherming persoonsgegevens

Persoonsgegevens zijn alle persoonsgegevens die informatie kunnen verschaffen over een identificeerbare natuurlijke persoon in de zin van de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP).
Op grond van artikel 14 lid 3 onder d van de WMS heeft de leerlinggeleding van de MR in het VO en VSO een instemmingsbevoegdheid wanneer een schoolbestuur een voorgenomen besluit voorlegt met betrekking tot het vaststellen of wijzigen van een regeling over het verwerken van en de bescherming van persoonsgegevens. In het PO heeft de oudergeleding van de MR die instemmingsbevoegdheid.

Besloten Vennootschap

Juridische rechtsvorm die eigen rechtspersoonlijkheid heeft en waarvan het eigen vermogen is opgebouwd uit aandelen die in handen zijn van de vennoten (daarom heten die aandeelhouders). De aandeelhouders kunnen voor niet meer dan hun aandeel in het eigen vermogen van de vennootschap aansprakelijk gesteld worden voor de financiële verplichtingen van de onderneming.
De BV verschilt van een NV doordat de aandelen niet aan toonder zijn en dat zij aan minder juridische verplichtingen ten aanzien van de jaarverslaggeving hoeft te voldoen. Een ondernemer kan zijn bedrijf omzetten in een BV en binnen die BV aandeelhouder worden met rechten op de winstverdeling en tevens directeur met een vast salaris.

Besluitvorming

De wijze van besluitvorming in de MR kan worden vastgelegd in het MR-reglement. Het nemen van een besluit bij gewone meerderheid betekent dat indien meer dan de helft van het aantal uitgebrachte stemmen zich voor een voorstel uitspreekt, dat voorstel dan is aangenomen. De verschillende stemmogelijkheden kunnen in het MR-reglement worden opgenomen.

Besluitvormingsprocessen binnen de organisatie

Besluiten zijn de resultante van besluitvorming die zich over de tijd heen voltrekt en dus als processen kunnen worden beschouwd. Betrokkenen, vaak actoren of ‘stakeholders’ genoemd (bijvoorbeeld leden van inspraakorganen), dragen dat proces. Elk proces kent een bepaald verloop, en een bepaalde structuur, bijvoorbeeld omdat er allerlei regels gelden voor wie waarover mag besluiten, hoe stromen lopen, of wanneer en hoe vergaderd wordt. Op die manier ontstaat een spel tussen besluitvormers (leden van bevoegd gezag, directieleden) of ‘stakeholders’ (bijvoorbeeld leden van inspraakorganen). Wanneer besloten wordt dat bepaalde besluiten gelden, kunnen we spreken van beleid. Beleid bevat besluiten, en als beleid wordt vastgesteld – als er over besloten wordt – dan kan gehandeld worden. De (G)MR heeft mogelijkheden om mede sturing te geven aan het beleid van de instelling op basis van de algemene bevoegdheden (artikel 6 WMS), instemmingbevoegdheden (artikel 10 WMS) en adviesbevoegdheden (artikel 11 WMS).

Bestedingen

Zijn alle uitgaven die gedaan worden om behoeften te bevredigen.

Bestuur

Het bestuur, het schoolbestuur en het b gezag zijn begrippen die aangeven welk orgaan binnen de rechtspersoon waaronder een school ressorteert, de hoogste zeggenschap uitoefent.
Het besturen van een school of instelling is opgedragen aan het bestuur. De reikwijdte van de beslissingsbevoegdheid van het bestuur is afhankelijk van de wet en de statuten van de rechtspersoon. Die bevoegdheid kan in veel gevallen namelijk worden overdragen aan andere organen of personen binnen de onderwijsinstelling door middel van mandaat of delegatie

Bestuurlijke schaalvergroting

Bij bestuurlijke schaalvergroting blijven de daarbij betrokken scholen voortbestaan. De schaalvergroting heeft betrekking op het verrichten van bestuurs- en beheerstaken voor meer scholen. De voordelen zijn vooral te behalen in een efficiënt beheer en in een professionalisering daarvan.
Bestuurlijke schaalvergroting ontstaat als verschillende besturen gaan samenwerken en daartoe bijvoorbeeld een federatief bestuur vormen of een besturenfusie aangaan.
– Federatief bestuur: Bij de vorming van een federatief bestuur wordt een deel van de bestuurstaak (formeel: bevoegdheid) ondergebracht bij een nieuwe overkoepelende rechtspersoon: federatie genoemd. De door het bestuur aan de federatie overgedragen taken vallen weg uit de bestuurstaak aan de eigen school en worden uitgeoefend door het federatieve bestuur. Bijvoorbeeld om extra financiën, bedoeld om bestrijding van achterstanden over de scholen te verdelen, het beleid met betrekking tot onderwijsachterstanden te bundelen en te coördineren. In de federatie zitten meestal afgevaardigden van elk bestuur. De oorspronkelijke besturen blijven bestaan. Elk bestuur blijft eindverantwoordelijk voor de eigen school of scholen. Het voordeel van een federatief bestuur is dat men op meer beleidsterreinen kan samenwerken en er mogelijkheden zijn voor de vergroting van de bestuurskracht en deskundigheid. In de statuten van de federatie kunnen verplichtingen voor de schoolbesturen worden opgenomen.
– Besturenfusie: Een besturenfusie is het volledig samengaan van twee of meer rechtspersonen (vereniging of stichting) in een nieuwe. Dit is de meest vergaande vorm van bestuurlijke schaalvergroting. De afzonderlijke schoolbesturen geven hun zelfstandigheid geheel prijs. Dat neemt niet weg dat het bestuur zo ingericht kan worden, dat rekening gehouden wordt met de wensen van de afzonderlijke besturen. De scholen blijven zelfstandig. ‘Besturenfusie’ is geen wettelijke term. In de WMS wordt het begrip ‘overdracht’ gebruikt. Overdracht is het overdragen van een of meer scholen door een bestuur aan een ander bestuur, zonder dat de richting of de grondslag van die school (scholen) verandert. De overblijvende besturen hoeven niet per se opgeheven te worden, ze kunnen blijven voortbestaan met een gewijzigd doel. De vorming van een bestuur hoeft niet gevolgd te worden door een scholenfusie. Maar vaak is een besturenfusie de eerste stap op weg naar een vorm van samenwerking of van fusie tussen scholen.

Bestuursbenoeming

Het personeel is in algemene dienst van het bestuur, het bevoegd gezag, voor het verrichten van werkzaamheden aan de door dit bestuur in stand gehouden scholen.

Bestuursformatieplan

Een bestuursformatieplan beoogt duidelijkheid te verschaffen aan personeelsleden en ouders over de omvang van de personele formatie voor de komende jaren en de wijze waarop deze wordt ingezet. De omvang is vooral voor de personeelsleden van belang om de eigen rechtspositie goed in te kunnen schatten. Bij een daling van de formatie kan dat immers met gedwongen ontslagen gepaard gaan. Maar ook van belang is aan welke functies formatie wordt toegekend. Dit ook weer ter bepaling van de eigen werkgelegenheid maar natuurlijk ook voor de onderwijsinhoudelijke keuzes die een bestuur kan maken.
De werkgever stelt na verkregen instemming van de personeelsgeleding van de GMR het meerjarenformatiebeleid/bestuursformatieplan vast en de wijze waarop de middelen bovenschools dan wel aan de scholen worden toegedeeld, tenzij zij zwaarwegende redenen of omstandigheden zich daartegen verzetten (artikel 16, lid 3 WMS). De onderwijsinhoudelijke keuzes die aan het beleid ten grondslag liggen kunnen veelal door de scholen zelf worden ingevuld.

Bestuursmodel

Onder een ‘bestuursmodel’ wordt verstaan de wijze waarop bestuur en management hun functioneren, de verdeling van taken en bevoegdheden en hun onderlinge verhouding hebben geregeld. De volgende bestuursmodellen komen voor:
- Het klassieke model: een vrijwilligersbestuur is bevoegd en eindverantwoordelijk en vervult de belangrijkste beleidsmatige taken; de schoolleiding voert de besluiten van het schoolbestuur uit.
- Het raad-van-beheermodel: dit model is in feite een tussenvorm tussen het raad-van-toezichtmodel en het klassieke model (zie hierna); dit model doet zich voor in twee varianten
. ‘Raad-van-beheermodel’ als zodanig: statutair of in het huishoudelijk reglement is een onderscheid vastgelegd tussen het Algemeen Bestuur (AB) dat bestaat uit vrijwilligers en een Dagelijks Bestuur (DB) dat (deels) bestaat uit betaalde bestuurders (professionals); het AB is verantwoordelijk voor het algemeen beleid en ziet toe op het DB, het DB is verantwoordelijk voor alle overige besluiten; tezamen vormen AB en DB een bestuur.
. ‘Besturen op afstand’: het vrijwilligersbestuur mandateert grote delen van beleidsvoering aan de schoolleiding; deze mandatering is vastgelegd in het huishoudelijk reglement, in een bestuursbesluit of in het directiestatuut. In feite kan elk van deze modellen bij elk type schoolbestuur functioneren. Wel is het zo dat het vormgeven van het raad-van-toezichtmodel in een aantal vormen van openbaar onderwijs met de nodige vraagstukken is omgeven.
- Het raad-van-toezichtmodel: statutair is bepaald dat er een intern toezichthoudend orgaan is en een bestuur dat eindverantwoordelijk en aansprakelijk is. De raad van toezicht houdt intern toezicht: hij benoemt het bestuur en kan dit ontslaan, maar draagt geen bestuurlijke eindverantwoordelijkheid voor de rechtspersoon. Het bestuur kan (mede) bestaan uit betaalde professionals.

Bestuursverslag

Het bestuursverslag is het eerste onderdeel van het jaarverslag van het bevoegd gezag. Het bestuursverslag geeft informatie over het financiële beleid: financiële positie op de balansdatum, een analyse op hoofdlijnen, verschillen tussen begrote en gerealiseerde financiële gegevens, analyse van de kasstromen, het treasurybeleid (beleggen en belenen) en een toelichting op investeringen en het financieringsbeleid.
Daarnaast geeft het bestuursverslag in ieder geval informatie over de huisvesting, doelstelling van de organisatie (missie en visie), aanduiding van het beleid en de kernactiviteiten, juridische structuur, interne organisatiestructuur, personele bezetting en belangrijke elementen van het gevoerde beleid met ten minste aandacht voor onderwerpen als het toelatingsbeleid, onderwijsprestaties, onderwijskundige zaken, ontwikkelingen als gevolg van interne en externe kwaliteitszorg, ontwikkelingen in samenwerkingsverbanden (zoals WSNS), governance ontwikkelingen (intern toezicht) en afhandeling van klachten.
Het verslag schetst een zo volledig beeld van de gang van zaken gedurende het verslagjaar en de wijze waarop het bestuur de horizontale verantwoording met de omgeving vorm geeft.

Betaling

Een betaling is een waarde-overdracht tussen twee partijen. Dit kan de overdracht zijn van geld, maar ook van effecten, obligaties of andere objecten waaraan een waarde in het economisch verkeer wordt toegekend. Onder betaling wordt in het onderwijs doorgaans verstaan: de betaling van een geldbedrag.

Betalingsverkeer

Alle betalingen, nodig om de gekochte goederen en diensten te kunnen betalen.

Bevoegd gezag

Het bevoegd gezag is het orgaan of de functionaris binnen de onderwijsinstelling die de op grond van de wet, de statuten van de rechtspersoon, bestuurlijke eindverantwoordelijkheid draagt.
In het bijzonder onderwijs bestuurt een vereniging of een stichting de school/scholen. In beginsel is het bestuur van de vereniging of de stichting het bevoegd gezag van de school. Het openbaar onderwijs kent de volgende bestuursvormen:
– De integrale bestuursvorm: bevoegd gezag is het college van B & W.
De bestuurscommissie ex artikel 83 van de Gemeentewet: bevoegd gezag is de bestuurscommissie.
– Het openbaar lichaam op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen: Bevoegd gezag is het algemeen bestuur van het openbaar lichaam.
– De stichting openbaar onderwijs: bevoegd gezag is het bestuur van de stichting openbaar onderwijs.
– De openbare rechtspersoon: bevoegd gezag is het bestuur van de openbare rechtspersoon.
In een aantal gevallen worden openbare en bijzondere scholen door een rechtspersoon in stand gehouden namelijk door een stichting samenwerkingsbestuur. Het bestuur van deze stichting is het bevoegd gezag van deze scholen.
Het kan zijn dat het raad van toezichtmodel wordt toegepast. In dat geval is in de statuten bepaald, dat het college van bestuur de school bestuurt en de raad van toezicht op dat bestuur toezicht uitoefent. Het college van bestuur is in dit geval het bevoegd gezag van de school.

Bevoegdheden

Een bevoegdheid is het recht tot het uitoefenen van bepaalde handelingen. De bevoegdheden van de MR kunnen worden onderverdeeld in algemene bevoegdheden (artikel 6 WMS) en bijzondere bevoegdheden (artikelen 10 tot en met 14).
De WMS biedt mogelijkheden om in onderling overleg van deze wettelijke verdeling af te wijken. Men kan een andere keuze maken die naar eigen inzicht beter aansluit bij de eigen visie op medezeggenschap en op de eigen specifieke situatie. De volgende opties zijn mogelijk:
– omzetting adviesrecht medezeggenschapsraad (van een geleding) in een instemmingsrecht; – omzetting instemmingsrecht medezeggenschapsraad (van een geleding) in een adviesrecht; – uitbreiding van het aantal medezeggenschapsaangelegenheden onder toekenning van een advies- of instemmingsrecht aan die nieuwe aangelegenheden.
Bij de toepassing van al deze opties gelden de volgende spelregels:
– zowel de medezeggenschapsraad als het bevoegd gezag moeten met de toepassing van een of meer van deze opties instemmen;
– twee derden van het aantal leden van de medezeggenschapsraad moet met toepassing van iedere optie instemmen. Iedere optie heeft een geldigheidsduur van ten hoogste twee jaren. Na het verstrijken van die twee jaren vervalt de optie van rechtswege. Willen bevoegd gezag en medezeggenschapsraad de handhaving van een optie voor weer een periode van twee jaren verlengen dan moeten beiden daartoe voor het verstrijken van de periode van twee jaren besluiten. Ook dan geldt weer de regel van de meerderheid van twee derden van het aantal leden van de medezeggenschapsraad.
Als van elk bevoegd gezag van scholen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra of de Wet op het voortgezet onderwijs de gemeenschappelijke medezeggenschapsraden dan wel bij het ontbreken van een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad alle medezeggenschapsraden, daarmee instemmen, kan een bovenbestuurlijke medezeggenschapsraad worden ingesteld (art. 20. lid 5 WMS).

Bezittingen

Goederen die iemand onder zijn beheer heeft, onafhankelijk van de vraag of die goederen zijn of haar eigendom zijn.

Bezuinigen

Minder geld uitgeven dan oorspronkelijk het plan was. Het saldo van ontvangsten en uitgaven verkleinen. Meer inkomsten genereren (bijvoorbeeld belastingen innen) om tekorten te verkleinen.
BGZ BGZ
BHV

Bedrijfshulpverlening

BHV'er

Bedrijfshulpverlener

Big Mac-index

De Big Mac-index, een schepping van het Britse weekblad The Economist, is een informele berekeningswijze van koopkrachtpariteit. De index maakt een vergelijking tussen de verschillende valuta’s ten opzichte van de Amerikaanse dollar. Door de koopkracht van de dollar te vergelijken met die van een andere valuta, kan men zien hoeveel dollars die munt ‘eigenlijk’ waard is en of de wisselkoers te hoog of te laag is. De koopkrachtvergelijking doet men in dit geval heel eenvoudig: door te kijken naar de prijs van een Big Mac bij McDonald’s. Zo kan men een voorspelling maken van de wisselkoersen. De Big Mac-index bestaat sinds 1986 en wordt tweemaal per jaar gepubliceerd.

Bijstellen/bijsturen van beleid

Toezien op uitvoering van de aanbevelingen van de (G)MR. Daarnaast gaat het om oplossingen voor bij evaluaties geconstateerde tekortkomingen.

Bijzonder onderwijs

Uit de openbare kas bekostigd bijzonder schoolonderwijs wordt gegeven in scholen vallend onder een vereniging of stichting, het particulier initiatief dus. In de praktijk vrijwel altijd geheel (maar wettelijk voor ten minste de helft) bekostigd door de overheid. Belangrijkste richtingen binnen het bijzonder onderwijs: algemeen-bijzonder, protestants-christelijk, rooms-katholiek en islamitisch onderwijs.
In tegenstelling tot het openbaar onderwijs zijn alle medewerkers van een bijzondere school op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht in dienst van het bevoegd gezag. Meestal spreekt men evenwel ook dikwijls over een bestuursaanstelling, of een akte van benoeming.

Bijzondere bevoegdheden

De bijzondere bevoegdheden hebben betrekking op aangelegenheden die door het bevoegd gezag worden voorgesteld in de vorm van voorgenomen besluiten. De bijzondere bevoegdheden kunnen onderverdeeld worden in instemmingsbevoegdheden (art. 10 WMS) en adviesbevoegdheden (art. 11 WMS).

BIO (wet)

Wet op de beroepen in het onderwijs

Boa

Buitengewoon opsporingsambtenaar

Boekhouding

Systeem om de financiële feiten te registreren. De administratie, de vastlegging van financiële en niet-financiële feiten. De afdeling die tot taak heeft om de administratie te verzorgen.

Boekhoudkundige voorraad

Het aantal stuks dat een bedrijf volgens de administratie op een bepaald tijdstip in het magazijn heeft. Dit aantal kan door bederf of diefstal afwijken van de technische voorraad en door koop- en verkooptransacties afwijken van de economische voorraad. De waarde van de goederen die volgens de boekhouding op een bepaald tijdstip aanwezig is in het magazijn.

Boekingspost

Bedrag dat in de boekhouding staat vermeld. Bedrag dat nog vermeld moet worden in de boekhouding.

Boekjaar

Periode van 12 maanden die de basis is voor het uitbrengen van een jaarrekening. Deze periode van 12 maanden valt doorgaans samen met een kalenderjaar, maar dat hoeft. Soms zijn er redenen om een boekjaar op een ander tijdstip dan 1 januari te laten beginnen, bijvoorbeeld om het gelijk op te laten lopen met een schooljaar of een academisch jaar. Studentenverenigingen doen dat bijvoorbeeld omdat er per academisch jaar een wisseling van het bestuur is.

Boekwaarde

De waarde waartegen materiële vaste activa op de balans staan. Deze waarde ontstaat door de aanschafwaarde minus de afschrijvingen.

Bovenbestuurlijke medezeggenschap

Bevoegde gezagsorganen kunnen een bovenbestuurlijke medezeggenschapsraad inrichten op voorwaarde dat alle aan het samenwerkingsverband (bijvoorbeeld WSNS) deelnemende bevoegde gezagsorganen en alle betrokken (G)MR’en daarmee instemmen. Deze instemming betreft zowel de instelling van de bovenbestuurlijk raad als het pakket van bevoegdheden (artikel 20, lid 5 WMS).

Bovenbestuurlijke samenwerking

Samenwerking tussen verschillende schoolbesturen.

Bovenschools personeel

Personeel met taken voor alle onder het schoolbestuur ressorterende scholen.

Break-even-point

Omvang van de productie waarbij de totale kosten en de totale opbrengsten aan elkaar gelijk zijn.

BRIN-nummer (Basis Registratie Instellingen)

Nummer waaronder een school bij de overheid geregistreerd staat. Een BRIN-nummer bestaat uit 2 cijfers en 2 letters. Voorbeeld: 24JK

BRON Basisregister Onderwijs Nummer. Elke leerling is met zijn persoonsgebonden nummer geregistreerd in BRON. De bedoeling van het persoonsgebonden nummer is om de administratieve last van scholen te verlichten. Scholen hoeven dan hun gegevens aan steeds minder partijen te leveren, omdat de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) deze gegevens via BRON verstrekt.

Bruidschat

De bruidsschatregeling maakte het mogelijk het verzelfstandigde openbare schoolbestuur een extra budget voor uitgaven op het terrein van administratie, beheer en bestuur mee te geven. Deze tijdelijke regeling is voor het primair onderwijs op 31 december 2010 aflopen.

Brutowinst

Het verschil tussen de verkoopprijs en de kostprijs.

Budget

In het budget vindt de feitelijke vertaling plaats van het financiële beleidsplan naar de organisatorische schoolonderdelen. Aan de hand van de budgetten worden de taakopdrachten gegeven en bevoegdheden gedelegeerd. Op grond van de toegekende budgetten kan iedere budgethouder achteraf rekening en verantwoording afleggen.
Over het algemeen worden budgetten en de daarmee samenhangende activiteiten vastgelegd voor de periode van een jaar (het begrotingsjaar). Gedurende die periode heeft het bestuur de bevoegdheid om verplichtingen aan te gaan en betalingsopdrachten te verstrekken gemandateerd aan de budgethouder, althans voor die betalingen en verplichtingen waarvoor budgetrecht bestaat. Budgethouders worden aldus verantwoordelijk gemaakt voor een aantal activiteiten en krijgen voor dit doel de beschikking over een budget. Dit totaalpakket wordt vervat in een taakopdracht. Deze opdracht kan slechts een einddoel bevatten, zodat de betreffende persoon een grote mate van vrijheid heeft in de uitvoering van de taakopdracht. De opdracht kan echter ook een aantal richtlijnen bevatten omtrent de wijze waarop het einddoel moet worden bereikt. In het eerste geval wordt dus meer gemandateerd dan in het tweede. Bedenk dat de motiverende werking van het mandateren wordt verminderd, indien er teveel richtlijnen worden verstrekt.

Budgetbeheer

Instrumenten, zoals kengetallen en begroting, die helpen bij het beheren van de middelen die aan de linkerkant van de balans staan (liquide middelen).

Budgethouder

Een budgethouder is verantwoordelijk voor de besteding van het budget overeenkomstig de budgetopdracht. Voorbeelden van budgethouders in het onderwijs zijn: schooldirecteuren, locatieleiders, bouwcoördinatoren, IB-ers, ict-coördinatoren.

Budgettering

Vorm van financiering van (onderdelen van) organisaties door het toekennen van een maximaal bedrag voor een bepaalde periode; met product- en prestatieafspraken wordt overeengekomen welke tegenprestatie de ontvanger moet leveren.

Budgetvergelijkingsoverzicht of uitputtingsoverzicht

Deze overzichten geven inzicht in de tussentijdse exploitatiecijfers, bijvoorbeeld per maand of per kwartaal. De tussentijdse cijfers worden vergeleken met de begroting of het budget, zodat er gedurende het jaar inzicht is in de uitputting van het budget of begroting. Als de werkelijke baten en/of lasten afwijken van de begroting dan kan de instelling besluiten om het beleid bij te stellen. De realisatie wijkt af van de begroting.

Bufferliquiditeit

Liquide middelen die gebruikt kunnen worden om financiële tegenvallers van te betalen.

Buitengewone baten

Baten die ontstaan zijn buiten de gewone bedrijfsuitoefening om, zoals winst bij afstoten van vaste activa (gebouwen, deelnemingen) of een herziening van het boekhoudkundige stelsel.

Buitengewone lasten

Lasten die ontstaan zijn buiten de gewone bedrijfsuitoefening om, zoals verlies bij afstoten van vaste activa (gebouwen, deelnemingen) of een herziening van het boekhoudkundige stelsel.

Buitengewoon resultaat

Het saldo van de buitengewone baten en de buitengewone lasten. Doel is om gebruikers van de jaarrekening een juist beeld te laten krijgen van het resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening door incidentele posten apart weer te geven in de jaarrekening.

Buitenschoolse opvang

Buitenschoolse opvang, soms ook naschoolse opvang genoemd, is een verzamelnaam van alle professionele kinderopvang, geregeld voor kinderen tussen de 4 en 13 jaar ‘buiten’ de schooltijden. Dit is per definitie na schooltijd en gedurende hele dagen tijdens de schoolvakanties, en soms ook voordat de school begint en als overblijven tussen de middag.
BVE

Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie

BW

Burgerlijk wetboek

BWOO

Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel

BZA

Besluit ziekte- en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel

Cafetariasysteem (pensioenregeling)

Systeem binnen de pensioenregeling waarbij werknemers keuzevrijheid hebben met betrekking tot verschillende pensioenvormen en pensioenhoogtes. Het cafetariasysteem wordt ook toegepast op de arbeidsvoorwaarden in ruimere zin dan alleen het pensioen. Werknemers kunnen binnen een cafetariasysteem verschillende beloningscomponenten onderling uitruilen.

Cao

Een CAO (Collectieve arbeidsovereenkomst) is een overeenkomst die wordt afgesloten tussen twee partijen: aan de ene kant een werkgever (of meerdere werkgevers al dan niet verenigd in een werkgeversvereniging) en aan de andere kant een of meer vakbonden.
Het bevoegd gezag in het bijzonder onderwijs wordt als lid van een contracterende partij door de CAO verplicht de afgesproken arbeidsvoorwaarden toe te passen op al zijn werknemers. Leden van een vakbond die de CAO heeft ondertekend, kunnen toepassing van CAO-bepalingen via de rechter afdwingen van hun werkgever.
De medewerkers in openbare scholen vallen formeel gesproken niet direct onder de werking van de CAO. Zij zijn immers geen werknemer in de zin van het burgerlijk wetboek, maar ambtenaren. Daarom moet hun rechtspositie formeel nog geregeld worden in een algemeen geldende rechtspositieregeling, zoals het Rechtspositiebesluit WPO/WEC of een andere algemeen verbindende regeling.
Geen enkele CAO voor het onderwijs geeft een volledige en gedetailleerde uitwerking van alle arbeidsvoorwaardelijke aanspraken. In alle CAO’s worden min of meer duidelijke taken aan de personeelsgeleding van de MR opgedragen – het overleg over de CAO wordt gedecentraliseerd. Het toedelen van deze taken is gekoppeld aan het bieden van de daarbij behorende bevoegdheden en faciliteiten.

Cashflow

De kasstroom. De betekenis van het woord is afhankelijk van de specifieke situatie.

CBHO

College van Beroep voor het Hoger Onderwijs

Centrale dienst

Een centrale dienst is een aparte rechtspersoon waarin ondersteunende activiteiten worden ondergebracht. Het bevoegd gezag kan ten behoeve van de eigen organisatie een centrale stafdienst oprichten bijvoorbeeld voor de uitvoering van de salarisadministratie en/of rechtspositionele regelingen. Een centrale dienst kan tevens worden opgericht ten behoeve van een aantal organisaties die samenwerken in een samenwerkingsverband ten behoeve van de REC-vorming, of WSNS. De MR heeft adviesbevoegdheid bij het oprichten van een centrale dienst (artikel 11, onder m WMS).

Cfi (nu DUO)

Centrale financieringsinstelling voor het onderwijs. ie DUO

CGB

Commissie gelijke behandelingen

CGOA

Centraal georganiseerd overleg in ambtenarenzaken

CITO

Centraal instituut voor toetsonderzoek

Cluster 1

Scholen voor leerlingen met een visuele beperking

Cluster 2

Scholen voor dove en slechthorende kinderen en scholen voor kinderen met ernstige spraak- en/of taalmoeilijkheden, mogelijk in combinatie met een andere handicap

Cluster 3

Scholen voor leerlingen met een verstandelijke handicap (ZML) en/of lichamelijke beperkingen (LG/MG), leerlingen die langdurig ziek (LZ lichamelijk) zijn.

Cluster 4

Scholen voor kinderen met een gedragshandicap (ZMOK) of psychiatrische problemen (PI en LZ–psychische problemen)

CMR

Centrale medezeggenschapsraad (gelijk aan MR t.o.v. deelraden)

CNVO

Christelijk nationaal vakverbond onderwijs

Code goed bestuur

Een lijst met principes voor bestuur en toezicht.

Commissie ex artikel 82

Het College van B&W is bevoegd gezag van een school voor openbaar onderwijs. De gemeenteraad kan deze competentie overdragen aan een commissie ex artikel 82 van de gemeentewet. Een commissie ex artikel 82 van de gemeentewet wordt ingesteld om het bestuur van de school op een min of meer grote afstand van het gemeentebestuur te plaatsen.

Commissie ex artikel 83

Het College van B&W is bevoegd gezag van een school voor openbaar onderwijs. De gemeenteraad kan deze competentie evenwel ook aan zichzelf toedelen of overdragen aan een commissie ex artikel 83 van de gemeentewet instellen. De gemeenteraad regelt in dat geval de bevoegdheden en de samenstelling van deze commissie. Een commissie ex artikel 83 van de gemeentewet wordt ingesteld om het bestuur van de school op een min of meer grote afstand van het gemeentebestuur te plaatsen.

Communicatie

Met communicatie wordt in het algemeen bedoeld: uitwisseling van informatie. Dat kan via de taal (verbaal) of op andere manieren (non-verbaal, bijvoorbeeld seinen met vlaggen).
Voorwaarde is dat er contact tussen twee of meer personen is: een zender en een of meer ontvangers. De zender stuurt via een kanaal (gesproken woord, brief, telefoonlijn) een boodschap in een bepaalde code (bijvoorbeeld het Nederlands) naar de ontvanger.
Een van de doelstellingen van de WMS is de communicatie tussen (G)MR en achterban te bevorderen. In artikel 22 onder d WMS wordt bepaald dat in het medezeggenschapsstatuut moet worden bepaald hoe de (G)MR, de geledingen en alle andere raden elkaar en de geledingen waaruit ze zijn gekozen informatie verstrekken over hun activiteiten. Verder is het een taak van de MR (artikel 7, lid 3 WMS) om aan alle bij de school betrokkenen schriftelijk verslag uit te brengen en in de gelegenheid te stellen om hierover met betrokkenen overleg te voeren. De WMS doet een beroep op de verantwoordingplicht van de (G)MR.

Communicatiestromen

Communicatiestromen zijn de richtingen van communicatie die je binnen een organisatie kunt onderscheiden. Bij de communicatiestromen wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele communicatiestromen. Onder de formele communicatiestromen vallen:
1. verticale of hiërarchische communicatie: informatieoverdracht tussen twee verschillende hiërarchische niveaus (bijvoorbeeld directie overlegt met vertegenwoordigers personeel);
2. top-downcommunicatie: in dit geval gaat de communicatie van boven naar beneden (bijvoorbeeld een mededeling van de directie op het mededelingenbord);
3. bottom-upcommunicatie: communicatie van beneden naar boven (bijvoorbeeld een verzoek aan de directie om opslag);
4. horizontale communicatie: zender en ontvanger staan op hetzelfde niveau (bijvoorbeeld: overleg tussen de afdelingshoofden);
5. diagonale communicatie: deze communicatie doorkruist de organisatiestructuur (bijvoorbeeld een afdelingshoofd die praat met een medewerker van de financiële administratie over uitbreiding van de personele bezetting).
Onder de informele communicatiestromen wordt verstaan het communicatiecircuit dat niet gestructureerd is en ontstaat door sociale relaties binnen de organisatie. Hieronder vallen:
1. beleidsgerichte en werkinformatie-uitwisseling (bijvoorbeeld informeel werkoverleg);
2. sociale informatie-uitwisseling (bijvoorbeeld je vertelt je collega’s over het feestje waar je gisteren bent geweest);
3. wandelgangeninformatie (bijvoorbeeld roddels, geruchten of gesprekken over het beleid tussen collega’s).
Bij informele communicatie komen ook nog verschillende patronen van netwerken voor, namelijk:
1. enkelvoudige keten: via komt de boodschap bij de laatste persoon meestal vervormd over;
2. waaier: een centraal persoon geeft informatie aan alle medewerkers, waar deze allemaal weer andere details aan toevoegen;
3. netwerk: een persoon verteld het verhaal aan twee of drie anderen in zijn omgeving;
4. cluster: lijkt op de netwerkstructuur, alleen uiteindelijk is de hele organisatie op de hoogte.
De wetgever beoogt in de WMS de communicatiestromen tussen bevoegd gezag en inspraakorganen te stimuleren. De WMS geeft de (G)MR zeer uitvoerige algemene informatierechten (artikel 8 WMS). In artikel 8, lid 6 WMS wijst de wetgever erop dat bij een specifieke voorstel het bestuur een overzicht dient te verstrekken van de beweegredenen voor het voorstel, alsmede van de gevolgen die de uitwerking van het voorstel naar verwachting zal hebben voor het personeel, ouders en leerlingen en van de naar aanleiding daarvan genomen maatregelen. De bedoeling van de WMS is ook dat de communicatie tussen (G)MR en achterban een krachtig impuls krijgt. In artikel 22 onder d WMS wordt bepaald dat in het medezeggenschapsstatuut moet worden bepaald hoe de (G)MR, de geledingen en alle andere raden elkaar en de geledingen waaruit ze zijn gekozen informatie verstrekken over hun activiteiten. Verder is het een taak van de MR (artikel 7, lid 3 WMS) om aan alle bij de school betrokkenen schriftelijk verslag uit te brengen en in de gelegenheid te stellen om hierover met betrokkenen overleg te voeren. De verantwoordingplicht is dus enorm toegenomen.

Communicatiestructuur

De communicatiestructuur op school beschrijft welke personen (groepen) vanwege verantwoordelijkheden en taken met elkaar te maken hebben en op welke wijze deze contacten lopen.

Conflictmodel

Een visie op medezeggenschap om over in principe over elk agendapunt strijd te voeren en te willen winnen, omdat aan het slot van de onderhandelingen er ‘winnaar’ en ‘verliezers’ moeten zijn (‘win-verliesstrategie’). Hoe kan men winnen zonder de ‘tegenstander’ te laten verliezen? Hoe kan men een koek verdelen en toch meer dan de koek krijgen? Het antwoord op deze vragen biedt de strategie van het onderhandelen, op win-winbasis. Beide partijen krijgen dan de ruimte om resultaat te kunnen boeken.

Confrontatiemodel

De (G)MR gaat de confrontatie met het bevoegd gezag of de directie aan. Argumenten worden uitgewisseld, met het doel tot overeenstemming te komen. Beide partijen krijgen de ruimte om resultaat te kunnen boeken (‘win-winstrategie’). Vaardigheid in communicatie is een onmisbaar vehikel in dit soort onderhandelingen. Alleen communicatietechnieken en procesbeheersing maken het mogelijk om tegelijk ‘hard’ en ‘zacht’ te kunnen zijn in een onderhandeling en een klimaat op te roepen waarin ruimte is voor meer dan een winnaar en voor meer winst dan die halve die voorkomt uit het compromis.

Consensus

Overeenstemming van gevoelens; algemene gelijkheid van opvattingen, veelal verkregen door overtuiging op basis van argumenten.

Consument

Iedereen die goederen koopt om daarmee in behoeften te voorzien

Consumentenbeleid

Overheidsbeleid dat ten doel heeft de positie van de consument als marktpartij (vrager) te versterken door wetgeving.

Consumeren

Is het aankopen van goederen door de consument.

Contactouders

Contactouders zijn groepjes van meestal vier a vijf ouders per groep, die contacten onderhouden met de leerkracht en de overige ouders van de kinderen uit die groep. Zij mobiliseren de betrokkenheid van alle ouders. Zij vervullen een brugfunctie door op te treden als vertegenwoordiger van en naar de ouders van de leerlingen uit de groep van hun kind en mogelijk de ouders in de MR. Het ouders-/leerlingendeel van de MR heeft instemmingsbevoegdheid bij de vaststelling of wijziging van een mogelijk ouderstatuut (artikel 14, onderdeel e, WMS).

Continurooster

De term continurooster komt niet voor in de formele wet- en regelgeving. Veelal wordt er onder verstaan dat leerlingen een ononderbroken schooldag hebben, dat wil zeggen een schooldag die niet onderbroken wordt om leerlingen in de gelegenheid te stellen de pauze tussen de middag thuis te kunnen doorbrengen.
Het is voor alle betrokkenen een ingrijpende gebeurtenis wanneer een continurooster wordt ingevoerd. Het is noodzakelijk dat het schoolteam c.q. het bevoegd gezag zelf voorwaarden schept voor een goede totstandkomingsprocedure van een continurooster. Men zal rekening moeten houden met de volgende punten: goede voorlichting geven aan ouders over alle aspecten van het overblijven (ook financiën); consultatie van de ouders over de invoering c.q. bijstelling van het continurooster; afspraken maken in welk traject (het ouderdeel van) de MR betrokken wordt bij de besluitvorming; periode proefdraaien. Het personeelsdeel van de MR heeft instemmingsbevoegdheid bij de vaststelling of wijziging van een arbeids- en rusttijdenregeling van het personeel vaststelling of wijziging van een arbeids- en rusttijdenregeling van het personeel; artikel 12, onderdeel f, WMS). Het ouderdeel van de MR heeft instemmingsbevoegdheid wat betreft de wijze waarop invulling wordt gegeven aan tussenschoolse opvang (artikel 13, onderdeel f, WMS).

Contract

Een contract is op een schrift gestelde ondertekende overeenkomst tussen bijvoorbeeld een ouder die als vrijwilliger toezicht houdt bij het overblijven en het bevoegd gezag, waarin de onderlinge afspraken zijn opgenomen.

Control

Beheersing van een bedrijfskundig proces. Dit betekent dat iemand de verantwoordelijkheid en de zeggenschap heeft om ervoor te zorgen dat een bepaald proces in het bedrijf op correcte wijze wordt uitgevoerd.

Convenant

Convenant is een ander woord voor overeenkomst. De partijen bij een convenant, de inhoud en de vormgeving van het convenant kunnen per situatie verschillend zijn. Een convenant dat eenmaal is overeengekomen kan niet eenzijdig door een van de partijen worden gewijzigd en schept over en weer verplichtingen die in een uiterst geval via de civiele rechter kunnen worden afgedwongen.

Convenant LeerKracht van Nederland

Op 1 juli 2008 is het convenant LeerKracht van Nederland PO en VO getekend door minister Plasterk en de sociale partners in het onderwijs. In dit convenant staan concrete afspraken om het lerarentekort aan te pakken en de kwaliteit van onderwijs te waarborgen. Deze richten zich op drie thema’s: een sterkere positie van de leraar, een betere beloning en een optimale inzetbaarheid.
In het convenant LeerKracht van Nederland is afgesproken dat schoolbesturen de komende jaren extra geld krijgen. Daarmee kunnen leraren loopbaanstappen maken binnen hun beroep. De ‘functiemix’ is de verdeling van leraren over de salarisschalen.
De belangrijkste uitwerkingen van het convenant Leerkracht van Nederland zijn:
– een beter loopbaanperspectief voor leraren door invoering van de zogenoemde functiemix;
– verkorting van de salarisschalen (met een toelage voor de maxima), zodat leraren sneller meer gaan verdienen;
– een toelage voor directeuren; het schrappen van de laagste salarisschaal voor adjunct-directeuren www.functiemix.minocw.nl.
Wanneer een werkgever een voorstel voor instemming voorlegt aan de P(G)MR, dient hij op grond van artikel 8 lid 6 WMS, dat voorstel tegelijkertijd ook ter kennisneming aan de oudergeleding, en indien van toepassing, ook aan de leerlingengeleding aan te bieden.

Credit

Met credit geven we aan dat een post aan de rechterkant van de balans staat of staat van baten en lasten. Een creditpost op de balans geeft een vorm van financiering aan (eigen vermogen en vreemd vermogen). Een creditpost op de staat van baten en lasten geeft een opbrengst aan.

Credit card

Uit de VS afkomstige wijze van betalen met behulp van een gewaarborgde identiteitskaart waarmee goederen (ook consumptiegoederen) op krediet gekocht kunnen worden.

Crediteur

Een crediteur is een schuldeiser. Crediteuren ontstaan op het moment dat er een verschil ontstaat tussen de factuurdatum en de latere betaling van die factuur. De hoogte van de gezamenlijke schulden aan crediteuren staan aan de linkerkant van de balans. Deze kant wordt de creditkant van de balans genoemd. Vandaar de naam crediteur.
Aan de linkerkant van de balans, de debetkant, vinden we de debiteuren. Debiteuren zijn vorderingen van een instelling op een andere instelling of persoon.

Crediteuren

De zakenrelaties die nog geld tegoed hebben, zoals de mensen die handelsgoederen, grondstoffen of diensten geleverd hebben (de handelscrediteuren) of de mensen die andere goederen of diensten geleverd hebben.

Creditkant of passivakant

De creditkant van de balans is de rechterkant van de balans. Een andere naam is passivakant. Op deze kant van de balans staat het vermogen van een instelling, verdeeld in eigen vermogen en vreemd vermogen. De creditkant of passivakant van de balans geeft aan hoe de instelling is gefinancierd.
De debetkant of activakant van de balans is de linkerkant van de balans. Aan de debetkant van de balans is te zien waar de instelling het kapitaal in heeft geïnvesteerd: in materiële vaste activa (o.a. inventaris), effecten, vorderingen en liquide middelen (banksaldi).

CRvB

Centrale Raad van Beroep

Cultuur

Onder cultuur is te verstaan de wijze waarop men binnen de organisatie met elkaar omgaat.

Current ratio

Als indicator voor de liquiditeit is de ‘current ratio’ gebruikt. Dit getal geeft aan in hoeverre een instelling op korte termijn voldoende vlottende bezittingen heeft om aan haar korte termijn (financiële) verplichtingen te kunnen voldoen. De current ratio wordt berekend uit de verhouding tussen de vlottende activa en het kort vreemd vermogen (vlottende activa/vreemd vermogen kort).

CvB

College van bestuur

CvI

Commissie van indicatiestelling

Dagarrangement

Onder een dagarrangement voor kinderen van 4-12 jaar wordt gerekend een aaneengesloten aanbod van voorschoolse opvang, onderwijs, opvang tussen de middag en culturele, educatieve en sportieve activiteiten na school.

Dagboeken

De financiële administratie kent vier dagboeken: inkoopboek, verkoopboek, kasboek en bankboek. Deze dagboeken groeperen de verschillende soorten grootboekrekeningen. In het inkoopboek staan de inkoopfacturen, in het verkoopboek de baten, in het kasboek de contante betalingen en in het bankboek de betalingen per bank.

Dagelijks bestuur

Het dagelijks bestuur (DB) van de (G)MR bestaat doorgaans uit de voorzitter, secretaris, vice-voorzitter en eventueel een MR-lid. De samenstelling, taak en werkwijze van het DB kunnen worden vastgelegd in het (G)MR-reglement. Tot de taken van het DB behoren veelal: het bespreken van de actuele zaken, het bewaken van gemaakte afspraken, en het verzamelen van informatie bij directie en bestuur ter voorbereiding van besprekingen. Het is aan te bevelen met een DB te gaan werken wanneer de omvang van een (G)MR vrij groot zijn.

Debet

Met debet geven we aan dat een post aan de linkerkant van de balans staat of staat van baten en lasten. Een debetpost op de balans geeft een bezitting aan. Een debetpost op de staat van baten en lasten geeft een kostenpost aan.

Debiteur

Organisatie of persoon die nog moeten betalen voor geleverde goederen of diensten.

Decentraal Georganiseerd Overleg

Het Decentraal Georganiseerd Overleg (DGO) is het overleg over de uitvoering van de arbeidsvoorwaarden tussen een afzonderlijk schoolbestuur met de centrales van overheids- en onderwijspersoneel.

Deelraad

Op verzoek van de MR en met instemming van het bevoegd gezag kan – met instemming van tweederde van de leden van de MR – een deelraad worden ingesteld op het niveau van een dislocatie, nevenvestiging of (organisatieonder)deel van een school. Bijvoorbeeld een deelraad voor vmbo-scholen en vwo-scholen of een deelraad voor de boven-, middenen onderbouw van de schoolorganisatie. Een deelraad treedt in dat geval in de hem overgedragen bevoegdheden van de MR voor zover uitoefening van die bevoegdheden geen betrekking heeft op een ander deel van de school (artikel 20, lid 1, WMS). De deelraad van de nevenvestiging of het organisatieonderdeel wordt vervolgens gelijkgesteld aan de MR van de school, maar alleen voor zover het uitoefenen van de bevoegdheden de andere nevenvestiging) of het organisatieonderdeel niet raakt.
Een belangrijke taak van een deelraad zal zijn om de standpunten en wensen te formuleren van dislocaties, nevenvestigingen of organisatieonderdelen over concrete afgebakende gespreksthema’s, zoals de vervanging van het onderwijsleerpakket en de inrichting van de groepen.

Deflatie

Is een situatie waarbij de effectieve vraag afneemt, waardoor het algemeen prijspeil zou kunnen dalen.

Delegatie

Delegatie is het overdragen door het bestuursorgaan van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten aan een ander orgaan of een functionaris die deze bevoegdheid vervolgens onder eigen verantwoordelijkheid uitoefent. Wezenlijk is dat degene aan wie is gedelegeerd, de overgedragen bevoegdheid onder eigen verantwoordelijkheid uitoefent en de macht heeft deze bevoegdheid wederom door te geven aan een ander. Het is mogelijk dat aan de delegatie voorwaarden voor de uitoefening van de bevoegdheden worden verbonden. Wel is het orgaan dat bevoegdheden gedelegeerd heeft gekregen, verplicht inlichtingen te geven aan het orgaan dat bevoegdheden gedelegeerd heeft over de uitoefening van de bevoegdheden.
In de regel is in het primair en voortgezet onderwijs geen sprake van delegatie, maar van mandaat, geregeld in het directiestatuut.

Demotie

Verplaatsing van een hogere functie naar een lagere (het omgekeerde van promotie dus), wat een verlaging van het salaris met zich meebrengt. Onder voorwaarden is het mogelijk om op basis van het salaris voorafgaande aan de demotie pensioen te blijven opbouwen.

Deregulering

Is het beleid om het aantal wetten en regels te versoepelen of te verminderen, zodat er meer ruimte is voor particulier initiatief.

Derivaten

Derivaten zijn afgeleide financiële instrumenten, al dan niet op beurzen verhandelbaar, waarvan de waarde afhankelijk is van de waarde van bepaalde andere financiële producten (aandelen, rente, valuta’s) die op contante markten worden geprijsd.

Desinvesteringen

Bij onderwijsinstellingen gaat het bij desinvesteringen over het verkopen van activa, zoals inventaris.

Detachering

Het verrichten van tijdelijke werkzaamheden bij een organisatie/onderneming, voor rekening van een andere organisatie/onderneming waardoor de werknemer is uitgezonden.

Deugdelijkheidseisen

Op grond van artikel 23 van de Grondwet heeft een bevoegd gezag van een bijzondere school de vrijheid om het onderwijs te doen verzorgen, gebaseerd op een zelf te bepalen beginsel van levensbeschouwelijk of wereldbeschouwelijke aard, welke dan ook. De overheid kan daarbij slechts deugdelijkheidseisen stellen betreffende de kwaliteit of inhoud van het onderwijs – niet aan de richting of inrichting van het onderwijs. Dit laatste kan wel in scholen voor openbaar onderwijs.

Diensten

Diensten zijn niet tastbare zaken. Het kenmerkend verschil tussen een concreet goed en een dienst is dat een dienst niet op voorraad geproduceerd kan worden. Voorbeeld: als een accountant een rapport uitbrengt, verricht hij een dienst.

Dienstjarenstelsel

Een term die wordt gebruikt bij de nadere typering van een eindloonregeling. Bij salarisverhogingen worden in eindloon-regelingen ook hogere pensioenaanspraken over voorgaande jaren gegeven. In een dienstjarenstelsel worden deze hogere aanspraken alleen verleend over de jaren waarin de werknemer deelnemer was aan de pensioenregeling en dus over de jaren waarin de deelnemer in dienst was van dezelfde werkgever. In een levensjarenstelsel tellen echter alle jaren vanaf een bepaalde leeftijd (meestal 25 jaar) mee, ook de jaren waarin de werknemer geen deelnemer was aan de pensioenregeling.

Differentiële kosten

Differentiële kosten zijn de extra kosten om een extra partij goederen te maken. De machinekosten en andere vaste kosten zijn dan al gedekt via de normale afzet en een ondernemer kan dan voor die extra partij goederen alleen de variabele kosten berekenen zodat hij met een lagere prijs kan volstaan om toch nog winst te maken.

Directe belastingen

Directe belastingen zijn belastingen op inkomen en vermogen. Het ‘direct’ betekent dat de belastingbetaler bij de fiscus bekend is. Dat is niet zo bij de indirecte belastingen.

Directe kosten

Directe kosten zijn productiekosten of verkoopkosten die rechtstreeks doorberekend kunnen worden aan de eenheden product. In de kostenverbijzondering kent men naast de indeling directe / indirecte kosten ook de indeling constante / variabele kosten.

Directe ruil

Is het tegen elkaar uitwisselen van goederen den diensten zonder gebruik van geld. Dit noemt men ook wel ruil in nature.

Directie

Met directie wordt bedoeld de volledige schoolleiding: directeuren en adjunctdirecteuren, rectoren en conrectoren.
Een lid van de schoolleiding kan geen lid zijn van de MR als hij op bepaalde momenten tot taak heeft om met de MR te overleggen. Dat was onder de oude WMO anders: daar was de directeur altijd aanwezig bij vergaderingen van de MR als vaste adviseur. Bij de benoeming of het ontslag van de directeur heeft de MR adviesrecht (artikel 11, sub h WMS). Met betrekking tot de taakverdeling van de directiefuncties heeft de MR adviesrecht; de taakverdeling van het overige personeel is een instemmingsrecht van de PMR.
Taken en bevoegdheden van de MR kunnen derhalve met zich mee brengen, dat het noodzakelijk is exact te kunnen bepalen wie tot de directie behoren.

Directiestatuut

Een directiestatuut is een in PO en VO wettelijk voorgeschreven document waarin de onderlinge afbakening van taken en bevoegdheden van het bevoegd gezag en de directie wordt geregeld. In toenemende mate worden aan de directie beleidsvoorbereidende taken en beslissingsbevoegdheden overgedragen in de vorm van mandaat.
De MR heeft adviesrecht met betrekking tot vaststelling of wijziging van het directiestatuut. Belangrijke onderdelen ervan moeten worden opgenomen in de bestuursbijlage bij het medezeggenschapsreglement (artikel 11, lid 1, WMS).
Veelal zal het zijn taak beperken tot de functie van Raad van Toezicht. De MR heeft instemmingsrecht met betrekking tot het bestuursreglement.

Dislocatie

Tijdelijke dependance van een school.

Dividend

Uitkering van een deel van de winst aan de aandeelhouders.

Dotatie

Het opbouwen van een voorziening noemen we een dotatie aan de voorziening. De dotatie is als kostenpost terug te vinden op de staat van baten en lasten.

DUO

Dienst Uitvoering Onderwijs

Duur volledige leerplicht

begin: op de eerste schooldag van de maand volgend op die waarin de jongere 5 jaar wordt (artikel 3, eerste lid Leerplichtwet 1969)
eind: aan het eind van het schooljaar waarin de jongere 16 jaar wordt, tenzij niet voldaan is aan de kwalificatieplicht. De kwalificatieplicht geldt tot de achttiende verjaardag
NB.: de volledige leerplicht eindigt ook na 12 volledige schooljaren, waarbij overgeslagen schooljaren meetellen; de basisschool telt voor tenminste 8 schooljaren en kan soms meer dan 8 volledige schooljaren tellen (artikel 3, eerste lid, onder a en b en tweede lid Leerplichtwet 1969)

Duurzame samenwerking

Onder het aangaan van een duurzame samenwerking met een of meer andere instellingen wordt doorgaans verstaan de ontwikkeling van een gemeenschappelijke visie, een helikopterview, met daarbij aandacht voor competenties, cultuur en ondersteuning.
Een (voorgenomen) intentiebesluit over samenwerking tussen scholen voor primair en voortgezet onderwijs en scholen voor speciaal onderwijs kan worden beschouwd als het aangaan van een duurzame samenwerking met andere instellingen. Zo’n besluit is richtinggevend van aard en heeft gevolgen voor de samenwerking met andere instellingen en voor de inrichting van het onderwijs en de zorg in de scholen. De MR heeft adviesrecht bij het aangaan, verbreken of belangrijk wijzigen van een duurzame samenwerking met een andere instelling, dan wel vaststelling of wijziging van het beleid ter zake (artikel 7 onder f WMS).

Dwingen

De WMS ‘dwingt’ het bevoegd gezag de MR jaarlijks informatie te verstrekken over het te voeren beleid. De keuzevrijheid van het bevoegd gezag wordt enigszins beperkt door de dwingende keuzes die de WMS gebiedt te maken. Dit betekent dat de MR beleidsprocessen waarschijnlijk beter kan volgen en controleren.

Economische groei

Als maatstaf voor economische groei neemt men vaak de groei van het reële nationaal inkomen per hoofd van de bevolking.

ECRM

Europese Commissie voor de Rechten van de Mens

Educatief partnerschap

Educatief partnerschap is de samenwerking tussen school en ouders om een optimale ontwikkeling van capaciteiten van leerlingen te realiseren. Succesfactoren voor educatief partnerschap zijn onder andere: maatregelen ter verbetering van het contact en het op elkaar afstemmen van de verwachtingen van ouders en school. Ondersteunende ouders en effectieve scholen kunnen elkaar goed versterken. Wederzijds begrip speelt daarbij een belangrijke rol. Het ouders-/leerlingendeel van de MR heeft instemmingsbevoegdheid bij de vaststelling of wijziging van een mogelijk ouderstatuut (artikel 14, onderdeel e, WMS).

Educational (Good) Governance

Aanbevelingen en afspraken voor bestuur en toezicht in het onderwijs.

Effecten

Papieren die een waarde vertegenwoordigen en die vrij verhandelbaar zijn, zoals aandelen en obligaties. De belangrijkste plaats voor de handel in effecten is de effectenbeurs.

Effectieve scholen

Effectieve scholen zijn scholen die het lukt om betere resultaten te bereiken bij leerlingen. Kwaliteit staat dan gelijk aan de toegevoegde waarde die een school bij leerlingen weet te realiseren. Uiteraard moet daarbij rekening worden gehouden met de bijzondere situatie van allochtonen en arbeiderskinderen. Kenmerken van effectieve scholen zijn: een sterk onderwijskundig leiderschap, deskundige leerkrachten en actieve vormen van ouderparticipatie.

Effectiviteit

Het al dan niet volledig bereiken van de gestelde doelen. Bijvoorbeeld met betrekking tot de begrote en de werkelijke kosten, het geschatte en het werkelijke ziekteverzuim, het beoogde en het werkelijke rendement.

Efficiency

De zuinigheid bij het gebruik van middelen om de gestelde doelen te bereiken.

EG

Europese Gemeenschap(pen)

EHRC

European Human Rights Cases

EHRM

Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Eigen beleidsruimte

De school heeft een eigen beleidsruimte en kan binnen bepaalde kaders zelf beslissingen over een veelheid van onderwerpen (bijvoorbeeld over de gelden voor nascholing).

Eigen gezicht (G)MR

Een (G)MR moet niet alleen goed werk leveren, hij moet daarbij ook een gezicht hebben naar buiten toe. Dat is de meerwaarde van bijvoorbeeld een advocatenkantoor boven een verzameling los van elkaar opererende individuele advocaten. Het is met name de taak van de voorzitter dat gezicht van de (G)MR te verwoorden en te verbeelden in zijn optreden naar de achterban, het management en het bestuur. Het (positieve) medezeggenschapsimago wordt natuurlijk niet alleen bepaald door activiteiten van de voorzitter, maar ook door bijvoorbeeld de (positieve) inhoud van de berichtgeving over het functioneren van de raad en vastgelegd in het medezeggenschapsstatuut (artikel 22, onderdeel d, WMS). Het moet ook zichtbaar zijn in de (positieve) wijze waarop de (G)MR-leden hun werk verrichten. Dit betekent dat de (G)MR-leden in hun optreden iets gemeenschappelijks moeten hebben en dat hun activiteiten op elkaar afgestemd zijn. Daarbij zou gebruik gemaakt moeten worden van ieders specifieke kwaliteiten en interessen. Een (G)MR heeft belang bij het goed functioneren van ieder (G)MR-lid afzonderlijk en kan het beste leden die niet optimaal functioneren zonodig steunen en behoeden voor fouten en uitglijders.

Eigen schoolbeleid

Scholen zijn organisaties met een eigen schoolbeleid dat afhankelijk van de personele mogelijkheden en lokale omstandigheden vorm moet krijgen. Om een eigen schoolbeleid te kunnen ontwikkelen moet de directie een helder beeld hebben van de eigen situatie, vaststellen waar men als school voor staat, wat de mogelijkheden zijn en een weloverwogen keuze voor de noodzakelijke koers maken.

Eigen vermogen

Is het verschil tussen de bezittingen (activa) en de schulden (vreemd vermogen van de passiva) op de balans. Voor een vennootschap (NV of BV) is dit gelijk aan het door de aandeelhouders ingebrachte aandelenkapitaal plus de winstreserve.

Eindniveau

Het niveau van het hoogst behaalde diploma.

Eindterm

Als zodanig omschreven kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden, houdingen voor de doorstroming van leerlingen naar het vervolgonderwijs.

Eindtoets basisonderwijs

De eindtoets is bestemd voor groep 8 en wordt jaarlijks in februari afgenomen. De eindtoets voorspelt goed hoe een leerling zich in een bepaald schooltype in het voortgezet onderwijs zal kunnen handhaven.

ELenI

Ministerie van Economische zaken, Landbouw en Innovatie

Emancipatie

Emancipatie in het onderwijs is niet gericht op gelijkstelling, maar tracht een bijdrage te leveren om verschillen tussen leerlingen te onderkennen en met die verschillen te leren omgaan.

Employability

Een uit Amerika overgewaaide term, die duidt op een bepaalde instelling van de werknemer die beschikt over voldoende kennis, inzicht en vaardigheden om zich aan te passen aan de zich steeds wijzigende eisen van de arbeidsorganisatie. Het gaat om het vermogen van werknemers om een diversiteit aan werkzaamheden en functies adequaat te willen vervullen, en om nieuwe ontwikkelingen in de gaten te houden, zowel binnen als buiten het eigen functiegebied. Daar staat tegenover de bereidheid van een werkgever om betrokkene alle hulp te bieden bij zijn loopbaanontwikkeling en daarvoor de ruimte, de ondersteuning en de middelen te scheppen.

Empowering

Het potentieel, het beschikbare vermogen, stimuleren dan wel vrij maken.

Entreetoets

Een toets die aan het eind van groep 7 of aan het begin van groep 8 wordt afgenomen om te zien of er in de kennis en vaardigheden van leerlingen die een jaar later naar het voortgezet onderwijs gaan nog hiaten zitten.

EU

Europese Unie

Evaluatie

Bij evaluatie gaat het om het vergelijken van hetgeen gepland of bedoeld was met hetgeen in feite gedaan of bereikt is. Letterlijk: de waarde bepalen.

Evaluatie van het beleidsproces

Resultaten van het beleid vaststellen, in kaart brengen, conclusies trekken en beslissingen nemen over eventuele bijstelling van het beleid.

EVRM

Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
EWO Experimentenwet onderwijs

Exitinterview

Gesprekken die met vertrekkende medewerkers vlak voor het feitelijke vertrek worden gehouden om nog eens terug te kijken op het werk binnen de organisatie. De gesprekken zijn een goed instrument om informatie te krijgen over hoe, over een langere periode bezien, het werken binnen de organisatie is ervaren door de medewerker. Accent ligt op de ervaringen die voor de organisatie leerzaam zijn om te vernemen.

Exploitatie

De exploitatie van een school betreft al die aspecten van beleidsvoering die niet te rangschikken zijn onder de verzamelnaam ‘onderwijskundige aangelegenheden’. Veelal gaat het om zaken als gebouwen, onderhoud, schoonmaak, beheer en administratie. De inrichting van deze aangelegenheden werd tot voor kort vrij gedetailleerd voorgeschreven door het ministerie. Nu bestaat hierin een grote mate van autonomie voor de schoolbesturen. In de exploitatiebegroting komen de gemaakte beleidskeuzes naar voren. De exploitatierekening van een school dient een specificatie te geven van het resultaat van de bedrijfsvoering. Baten en lasten bepalen het exploitatieresultaat. Deze baten en lasten worden samen met de balans in de jaarrekening opgenomen.

Exploitatieoverzicht

Het exploitatieoverzicht geeft inzicht in de ontwikkeling van de baten en de lasten. Het is een overzicht dat de kosten en batensoorten verder groepeert tot grotere gehelen en daarmee inzicht geeft. Evenals de balans kent het exploitatieoverzicht een linker- en een rechterkant of debet- en creditkant. Aan de linkerkant staan de kosten en aan de rechterkant de baten. Het verschil tussen baten en lasten is het resultaat van een periode.

Externe verslaggeving

Berichtgeving van bedrijven (in het bijzonder naamloze vennootschappen) aan hun aandeelhouders en andere partijen waar zij zaken mee doen (zoals vakbonden, ministeries, publiek). De berichtgeving betreft meestal de jaarrekening en het jaarverslag van de directie.

Faciliteiten

Onder faciliteiten worden verstaan het gebruik van de voorzieningen waarover inspraakorganen kunnen beschikken die voor de vervulling van hun taken redelijkerwijs nodig zijn. De (G)MR zou met het bevoegd gezag kunnen afspreken dat men gebruik kan maken van voorzieningen waarover het bevoegd gezag beschikt en die de (G)MR redelijkerwijs nodig heeft voor de vervulling van zijn taak. De kosten voor de medezeggenschapsactiviteiten met inbegrip van bijwonen van vergaderingen van de (G)MR zelf, worden gedragen door het bevoegd gezag. Onder deze activiteiten worden mede begrepen: scholing van de leden van de (G)MR, het inhuren van deskundigen, het voeren van rechtsgedingen, het informeren en raadplegen van de achterban.
Voorwaarde is, dat het bevoegd gezag vooraf in kennis wordt gesteld van het activiteitenplan of de concrete voornemens van de raad.

Faciliteiten (soorten)

De WMS (artikel 28) onderscheidt enkele soorten faciliteiten die het bevoegd gezag aan de (G)MR ter beschikking moet stellen, zoals: voorzieningen waarover de (G)MR zou moeten kunnen beschikken (vergaderruimte en kopieermogelijkheden), vergoeding van kosten die de (G)MR redelijkerwijs moet maken (scholingskosten, kosten voor deskundigenadvies en eventuele proceskosten), kosten voor tijdsinvestering (vacatievergoedingen voor ouders en leerlingen) en administratieve ondersteuning.

Faciliteitenregeling

De faciliteitenregeling van de WMS somt de inhoud van de faciliteiten voor de leden van de (G)MR op (artikel 28 WMS), met uitzondering van de faciliteiten die in een CAO zijn opgenomen. De volgende onderdelen moeten in elk geval zijn vastgesteld:
1. het gebruik van de voorzieningen waarover de (G)MR kan beschikken en die de (G)MR voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft;
2. de redelijkerwijs noodzakelijke kosten van medezeggenschapsactiviteiten die door ouders, leerlingen en personeel in de MR en de (G)MR worden ondernomen, daaronder begrepen scholingskosten, kosten voor inhuur van deskundigen en kosten van het voeren van rechtsgedingen.
Ieder bevoegd gezag stelt een concept-regeling op voor de redelijkerwijs noodzakelijke kosten van medezeggenschapsactiviteiten die door ouders, leerlingen en personeel in de MR en de GMR worden ondernomen, daaronder in ieder geval begrepen de scholingskosten. Op grond van het medezeggenschapsreglement en het reglement van de GMR behoeft het bevoegd gezag de vaststelling of wijziging van de faciliteitenregeling – uitgezonderd de faciliteiten uit een CAO PO of VO – de instemming van de personeelsgeleding, oudergeleding en leerlingengeleding van de MR en/of GMR.
Daarnaast stelt het bevoegd gezag op basis van de regelingen in de CAO PO of VO een regeling op voor de leden van de medezeggenschapsraad afkomstig uit het personeel voor faciliteiten in tijd ten behoeve van het voeren van overleg, scholing en overige medezeggenschapsactiviteiten. Op grond van de CAO stellen PMR en PGMR een activiteitenplan op, waarin wordt aangegeven hoe de aan de raden toekomende faciliteiten worden ingezet. De uiteindelijke toekenning van de faciliteiten, heeft na overleg met PMR en PGMR plaats, afhankelijk van de omvang van de werkzaamheden, zoals vastgelegd in het activiteitenplan. De P(G)MR legt jaarlijks verantwoording af over de besteding van de middelen. De andere geledingen, ouders en leerlingen, kunnen – samen met de P(G)MR – ook een activiteitenplan opstellen, waarin scholingsmogelijkheden zijn opgenomen, en met het bevoegd gezag bespreken. Wanneer ouders/leerlingen de fiscaal onbelaste vrijwilligervergoeding ontvangen, kan overeengekomen worden dat hieruit ook de scholing bekostigd wordt.

Faciliteitentoekenning

Op grond van de CAO stellen PMR en PGMR een activiteitenplan op, waarin wordt aangegeven hoe de aan de raden toekomende faciliteiten worden ingezet. De uiteindelijke toekenning van de faciliteiten, vindt na overleg met PMR en PGMR plaats afhankelijk van de daadwerkelijke omvang van de werkzaamheden, zoals vastgelegd in het activiteitenplan. Afhankelijk van de omvang van de voorziene werkzaamheden, zoals opgenomen in het plan, kan het bevoegd gezag op verzoek van de P(G)MR meer faciliteiten (dan de in de CAO opgesomde) beschikbaar stellen. Het ligt overigens voor de hand dat jaarlijks verantwoording wordt afgelegd door de P(G)MR.

Faillissement

Rechterlijke uitspraak dat een ondernemer of onderneming heeft opgehouden te betalen. Vervolgens benoemt de rechter een curator om alle eigendommen (ook wel aangeduid als bezittingen door boekhouders of als vermogen door juristen) te verkopen ten einde de vorderingen op de onderneming (ook wel aangeduid als schulden door boekhouders, terwijl het eigenlijk om vreemd vermogen gaat) te kunnen afbetalen.

Federatie

Een federatie is een vorm van samenwerking waarbij een belangrijk deel van de eigen bestuurstaak uit handen wordt gegeven en wordt ondergebracht bij een nieuwe overkoepelende organisatie. Vaak is een federatie een aanloop tot een fusie. De afbakening van taken en bevoegdheden tussen de eigen bestuursorganen en het federatiebestuur wordt toegespitst op de gewenste situatie, waardoor er verschillende vormen van federatie kunnen optreden. Zo spreekt men wel over een lichte federatie en zware federatie. Een federatieve fusie is een vorm van fusie en geen federatie.

Financieel beheer

Het geheel van maatregelen, voorzieningen en regels voor het opstellen, verwerken, vastleggen en controleren van de baten en lasten, inkomsten en uitgaven

Financieel jaarverslag

Wat een financieel jaarverslag en een jaarrekening moet omvatten is in het onderwijs niet wettelijk voorgeschreven. In enkele uitspraken van de geschillencommissie is bepaald, dat de MR recht heeft op informatie conform het Besluit verstrekking financiële gegevens aan ondernemingsraden 1985. Beide documenten zijn via de Wet invoering lumpsum in het PO voorgeschreven.

Financiële middelen

De MR heeft adviesrecht over de vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen van het meerjarig financieel beleid voor de school, waaronder de voorgenomen bestemming van de financiële middelen die door het bevoegd gezag ten behoeve van de school uit de openbare kas zijn toegekend of van anderen zijn ontvangen, met uitzondering van de middelen, bedoeld in artikel 13, onderdeel b, en artikel 14, tweede lid, sub b WMS.
De beslissingsbevoegdheid over de aanwending van de gelden van de ouders die op vrijwillige basis zijn verzameld, kan in handen zijn van de ouderraad, de directie of het bevoegd gezag. Indien het bevoegd gezag beslist over de aanwending van de ontvangen ouderbijdragen dient het het voorgenomen bestedingsbeleid ter instemming aan het ouders/leerlingendeel van de MR voor te leggen (artikel 13, sub c en artikel 14, lid 1, sub c WMS).

Financieren

Houdt de manier in waarop een huishouding aan geld komt om de uitgaven te vergroten. Bijvoorbeeld hoe een school aan geld komt voor aanschaf van apparatuur.. Dat kan door een lening (van de bank of derden) of door krediet (van de leverancier) of door zelf geld beschikbaar te stellen in de vorm van eigen vermogen. Deze variant van financieren wordt ook wel ‘passieve financiering’ genoemd.

Financieringsstroom

De financiële administratie bij onderwijsinstellingen is van oorsprong dusdanig ingericht dat de oorsprong van de baten duidelijk blijft. De rijksbekostiging was geheel geoormerkt, waardoor de administratie moest aantonen dat de rijksbekostiging ook daadwerkelijk besteed werd zoals bedoeld.

Flexibele schooltijden

Met ingang van 1 augustus 2006 hebben scholen meer vrijheid om zelf de schooltijden vast te stellen. Ouders in de medezeggenschapsraad moeten wel instemmen met de voorgestelde schooltijden; de personeelsgeleding heeft adviesrecht.
Scholen die ervoor kiezen om voortaan gemiddeld 940 uren onderwijs per leerjaar te geven, zullen een meerjarenplanning moeten maken. Daarmee moet worden voorkomen dat leerlingen over een periode van acht jaar niet het minimumaantal van 7.520 uren onderwijs ontvangen.
Per leerjaar/jaarcohort dient het aantal uren onderwijs te worden bijgehouden. Bij de registratie van de onderwijstijd per leerjaar moet rekening worden gehouden met de keren dat er onverwacht lesuren zijn uitgevallen. De in de wet genoemde aantallen onderwijsuren zijn minima en gelden dus als ondergrenzen. Dit betekent dat elke school over acht leerjaren wel meer onderwijs mag geven, maar niet minder. Voor leerlingen die tussentijds in een leerjaar instromen, hoeft de onderwijstijd niet apart te worden geregistreerd.
De Inspectie van het onderwijs ziet erop toe dat de scholen zich houden aan de onderwijstijden. De Inspectie toetst aan de hand van de schoolgids welke onderwijstijden de school hanteert.

Flexibiliteit

Flexibiliteit is het vermogen van organisaties en mensen om te veranderen als de omstandigheden veranderen. De WMS is een flexibele wet. De keuzen die bestuur, management en medezeggenschapsorganen gezamenlijk maken over de inrichting van hun medezeggenschapsstructuur zijn neergelegd in het medezeggenschapsstatuut. De WMS meldt hierover: ‘Elk schoolbestuur stelt een medezeggenschapsstatuut op waarin wordt vastgelegd hoe de ‘kaart van medezeggenschapsorganen’ bij het schoolbestuur eruitziet. In het statuut wordt beschreven welke medezeggenschapsorganen er zijn en wat hun bevoegdheden zijn; deze bevoegdheden zelf zijn verankerd in het reglement van het desbetreffende orgaan’. De kaart van medezeggenschapsorganen zoals opgenomen in het statuut toont in feite het organigram van medezeggenschapsorganen en beschrijft deze op een voor een ieder inzichtelijke wijze.
Een statuut biedt de mogelijkheid om, los van reglementen, op inspirerende wijze een eigen aanpak van de medezeggenschap te schetsen; een nieuwe wijze van werken voor te stellen, passend bij de huidige wensen van personeel, ouders en leerlingen.
Binnen een kader voor de uitoefening van de bevoegdheden biedt de WMS ruimte voor flexibiliteit op het gebied van overdracht en omzetting van bevoegdheden (artikel 24, lid 2 WMS) en het kunnen toevoegen van bevoegdheden (artikel 24, lid 3 WMS).

Formatieplan

De post ‘personeelslasten’ is de grootste kostenpost van een onderwijsinstelling. De omvang van de personeelsformatie is daarom erg belangrijk. Bovendien behoeft bijna elke wijziging in het beleid van een schoolbestuur een vertaling in menskracht – dus in formatieplaatsen. Dit formatieplan – de WMS gebruikt deze term niet, maar spreekt over vaststelling of wijziging van de samenstelling van de formatie – regelt de inzet van het personeel in het komende cursusjaar. Het bevat een lijst met functies en de omvang waarin de personeelsleden worden ingezet.
Het formatiebeleid wordt opgezet en uitgevoerd voor alle scholen die onder het betreffende bevoegde gezag vallen. Omdat de afzonderlijke werknemers niet meer aan een school worden benoemd of aangesteld maar in algemene dienst zijn van het bevoegd gezag, worden de meest vergaande besluiten genomen op het niveau van het schoolbestuur. Met andere woorden: eerst moet de formatie op bestuursniveau worden vastgesteld in het bestuursformatieplan, en vervolgens op schoolniveau worden uitgewerkt in het schoolformatieplan. Dit betekent, dat het zwaartepunt van het overleg op centraal niveau plaatsvindt, waarbij de personeelsgeleding van de GMR instemmingbevoegdheid heeft (artikel 16, lid 3, WMS). Het personeelsdeel van de MR heeft op grond van artikel 12, eerste lid, onder b van de WMS, instemmingsrecht ten aanzien van elk door het bevoegd gezag te nemen besluit met betrekking tot de vaststelling of wijziging van de formatie.

Fpe-model

Een begrotingsmodel waarin de budgetten aan de scholen worden berekend op basis van de formatie per leerling. Daarna wordt er een geldbudget aan gekoppeld. Voorbeeld: voor 1 leerling 4 tot en met 7 jaar wordt 0,0595 formatie toegekend. Een school met 100 leerlingen in de leeftijd 4 tot en met 7 jaar ontvangt 5,95 formatieplaatsen. Is de GPL € 60.000,- dan krijgt de school een budget van € 60.000,- x 5,95 = € 357.000,- voor groepsformatie 4- tot en met 7-jarigen.

FPU Flexibel pensioen en uittreden
Fre's Formatierekeneenheden
FT Fulltime (volledige aanstelling)
FTE

Afkorting voor het Engelse full time equivalent, waarmee we de omvang van de dienstbetrekking weergeven. In het onderwijs gebruiken we de term werktijdfactor, afgekort wtf.

Functiebouwwerk

Een functiebouwwerk is het geheel van functies naar soort, niveau en aantal dat is afgeleid van de missie en visie van de onderwijsorganisatie. Het geeft per school voor de verschillende organisatorische eenheden aan, welke functies er op welk niveau (lees: schaal) worden onderscheiden.

Functiedifferentiatie

Functiedifferentiatie houdt in dat een schoolbestuur naast de wettelijk voorgeschreven functies in een school nieuwe functies instelt of erkent. Het aantrekken van nieuw personeel of het benoemen van zittende mensen voor deze nieuwe functies kan vergaande invloed hebben op de verantwoordelijkheid en de taakomvang van de overige leraren, maar ook de lerarenfunctie als zodanig, en problemen oproepen in verband met de juiste salariëring. CAO-partijen stellen daarom vaak voorwaarden aan de invoering van nieuwe functies.
Het personeelsdeel van de MR heeft instemmingsrecht bij de vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot functiedifferentiatie (artikel 12, lid 1, sub i WMS), voor zover deze aangelegenheid niet inhoudelijk is geregeld in de CAO of het Kaderbesluit.

Functiemix Een serie beleidsafspraken, gemaakt tussen de minister van onderwijs en de sociale partners, over de verdeling van extra gelden van OCW t.b.v. verdeling van  docentenfuncties

Functiewaardering

Bij functiewaardering wordt op een systematische wijze het ‘gewicht’ van de functie gemeten met het doel tot een juiste salariëring te komen. De beschrijving van een functie en de analyse van de bepalende onderdelen daarvan vormen uitgangspunten voor het bepalen van de zwaarte van de functie.
De systematiek van het wegen van de functies en de loonlijn welke uiteindelijk wordt gekozen zijn aangelegenheden die behoren tot het werkgebied van de CAO-partijen. Vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot personeelsbeoordeling en functiebeloning is onderworpen aan instemmingsbevoegdheid van het personeelsdeel van de MR (artikel 12, lid 1 onder i, WMS).

Functioneringsgesprekken

Het management voert periodiek functioneringsgesprekken met elke werknemer. Het voeren van gesprekken over het functioneren van individuele werknemers is een belangrijk instrument om personeelsbeleid te voeren.
Deze gesprekken hebben onder andere tot doel te inventariseren welke wensen er leven bij de werknemer over zijn eigen ontwikkeling binnen de organisatie en diens oordeel over de wijze van aansturing van de werkzaamheden door de leiding. Van de kant van de organisatie wordt de wijze van functioneren van de betrokken werknemer aan de orde gesteld. Daarbij kunnen ook de kritiek en de wensen van de ouders en/of leerlingen aan de orde komen.
Functioneringsgesprekken moeten niet verward worden met personeelsbeoordelingsgesprekken. Beoordelingen zijn vereist wanneer er arbeidsvoorwaardelijke wijzigingen moeten worden toegepast zoals bevordering of disciplinaire maatregelen. Beoordelingsgesprekken worden daarom pas gehouden als er enige malen een functioneringsgesprek heeft plaatsgevonden.

Fusie

Scholen kunnen alleen fuseren als ze tot hetzelfde bevoegd gezag behoren. Daarom wordt een scholenfusie vaak vooraf gegaan door een besturenfusie. Een dergelijke fusie is het juridisch samensmelten van twee of meer rechtspersonen (vereniging of stichting) tot een nieuwe rechtspersoon die in de rechten treedt van alle voorgaande organisaties. Een besturenfusie heeft als zodanig geen gevolgen voor het voortbestaan van de aangesloten scholen. De bestaande scholen worden in principe overgedragen aan de nieuwe rechtspersoon zonder dat de richting of de grondslag van die school (scholen) verandert.
Bij een scholenfusie of een instellingenfusie worden de organisaties van twee of meer scholen die tot hetzelfde bevoegd gezag behoren ondergebracht bij een andere school. Dat kan een bestaande of een nieuwe school zijn.
De formele positie van de MR zelf in en direct na de fusie is vastgelegd in het Besluit medezeggenschap onderwijs.
Een federatieve fusie is een vorm van fusie, waarbij om bepaalde redenen gepoogd wordt om de samenstellende delen niet te laten opgaan in een nieuwe organisatie. Bij een scholenfusie worden twee of meer scholen samengevoegd tot een nieuwe school. Er ontstaat een school, met een bestuur, een directie en een MR. Bij een federatieve scholenfusie is echter geen sprake van onderlinge versmelting van scholen. Na de fusiedatum blijven de oorspronkelijke scholen als organisatorische eenheden voortbestaan – met een eigen meer of mindere beleidsmatige aansturing.

FUWA Functiewaardering
FUWASYS Functiewaarderingssysteem, een geautomatiseerd functiewaarderingssysteem, bestaande uit 14 kenmerken en voor elk kenmerk een score op een 5-puntsschaal en met varianten voor onder meer PO, VO en de ector BVE

Garantievermogen

Vermogen dat garant staat voor de voldoening van de verplichtingen aan de reguliere schuldeisers. Het garantievermogen is opgebouwd uit het aandelenvermogen, de reserves en de achtergestelde leningen. De voorziening vallen er niet onder, want die worden gerekend tot het vreemde vermogen.

GBA

Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens
Gebruiksgoederen

Goederen die langer dan één jaar mee gaan.

Gedeelde medezeggenschap

Medezeggenschap vanuit verschillende organen in een organisatie.

Gedragscode

Schriftelijk stuk waarin regels en richtlijnen worden gegeven ter voorkoming van belangenconflicten tussen het zakelijk belang en de privé-belangen van betrokkenen en van misbruik van vertrouwelijke informatie.

Gedragsregels

Afspraken over de wijze van omgang tussen management, leerkrachten, ouders en leerlingen. Gedragsregels kunnen omschreven worden als richtlijnen voor wat een bepaalde school wordt beschouwd als goed/juist gedrag. Gedragsregels bieden houvast in onduidelijke situaties. Als gedragsregels zijn afgesproken en beschreven in een statuut weet men waar men elkaar op kan aanspreken. Het ouders-/leerlingendeel van de MR heeft instemmingsbevoegdheid bij de vaststelling of wijziging van een mogelijk ouderstatuut (artikel 14, lid 2, onderdeel e, WMS) en de vaststelling of wijziging van het leerlingenstatuut (artikel 14, lid 3, onderdeel b, WMS).

Geïnstitutionaliseerde medezeggenschap

Vormen van zeggenschap die een officiële, vaste status hebben verworven: bijvoorbeeld de instelling van de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad, deelraden en groepsmedezeggenschapsraden op basis van de WMS. Institutionalisering is vooral van belang voor mogelijke blijvende invloed van personeel, ouders en leerlingen in het onderwijs.

Geld

Geld is alles wat algemeen aanvaard is als ruilmiddel. Geld is ongedifferentieerde koopkracht hetgeen betekent dat geld niet aan bepaalde goederen is gebonden, maar altijd wordt aanvaard.

Geldontwaarding

Geldontwaarding is de waardevermindering van het geld, die het gevolg is van een algehele prijsstijging van goederen en diensten.

Geldstroom

Geldstroom is het product (= vermenigvuldiging) van de maatschappelijke geldhoeveelheid (M) en de omloopsnelheid (V) van het geld. In symbolen = > MV.

Geledingen

Geleding: de afzonderlijke groepen van leden, bedoeld in artikel 3, derde lid van de wet. De (G)MR bestaat enerzijds uit de geledingen personeel en anderzijds uit de geleding ouders en/of leerlingen die uit en door het personeel en uit ouders en/of leerlingen zijn gekozen (artikel 3 WMS). Deze twee geledingen houden elkaar wat betreft het aantal zetels in de (G)MR, in evenwicht. De (G)MR heeft dus een paritaire samenstelling. Indien er een vacature ontstaat in een van de geledingen, dan kan deze alleen door de betreffende geleding worden ingevuld conform de bepalingen in het reglement.

Geledingenraden

Personeelsleden, ouders en leerlingen kunnen voor de school of voor alle scholen geledingenraden instellen: een personeelsraad,een ouderraad of een leerlingenraad. Deze raden kunnen een klankbord zijn voor de personeels-, ouder- en leerlingengeleding van de MR. In het medezeggenschapsreglement dient te worden aangeven hoe alle bij de school betrokkenen worden betrokken bij de werkzaamheden van de MR (artikel 24 lid 1 sub i WMS).

Gelijke behandeling

Als een van de taken voor de MR noemt de wet de verplichting in het algemeen te waken tegen discriminatie en in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van gehandicapten en allochtone werknemers te bevorderen (artikel 7, tweede lid WMS). Discriminatie van personen komt veelal niet expliciet voor, maar uit zich doorgaans in te lage verwachtingen en buitensluiten. Het voorkomen en tegengaan van discriminatie is een onderdeel van het werken aan een veilig schoolklimaat. De MR zou bijvoorbeeld betrokken kunnen worden bij het opstellen van een gedragscode, de opstellen van een klachtenregeling en een (her-)plaatsingsbeleid ten aanzien van gehandicapten en allochtone werknemers in de school.

Gemeenschappelijke medezeggenschapsraad

De Gemeenschappelijke Medezeggenschapsraad (GMR) is een overkoepelende raad waar de MR’en van alle scholen onder eenzelfde bevoegd gezag in vertegenwoordigd zijn. De GMR houdt zich bezig met zaken die alle of een meerderheid van scholen aangaan onder een bestuur (artikel 4 WMS).
Een bestuur met meer dan een school stelt een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad in (artikel 4 lid 1 WMS). De instemming is nodig van twee derde van de leden van de desbetreffende medezeggenschapsraden (artikel 4 lid 2 WMS). De wet geeft de mogelijkheid om naast de MR en de GMR ook een themaraad, een deelraad of een groepsmedezeggenschapsraad in te voeren (artikel 20 WMS).
Elke medezeggenschapsraad is vertegenwoordigd in de GMR. De leden worden gekozen door de geledingen van de medezeggenschapsraden. De leden hoeven niet uit de raden zelf afkomstig te zijn. GMR-leden kunnen ook gekozen worden uit de ouders of het personeel van de scholen, die niet in de medezeggenschapsraden zitten.
De wet geeft geen voorschriften voor een minimum of maximum aantal leden van de GMR. Wel moet het aantal leden dat gekozen is uit de ouders gelijk zijn aan het aantal leden dat gekozen is uit het personeel (artikel 4 lid 3 WMS). Het is mogelijk dat een GMR-lid de medezeggenschapsraden van meer scholen vertegenwoordigt. Bijvoorbeeld in het geval als een kleine school geen twee vertegenwoordigers voor de GMR kan vinden. In het medezeggenschapsstatuut worden de regelingen van de medezeggenschapsraden en de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad opgenomen.

Gemeente

De gemeente treedt op als bevoegd gezag van openbare, gemeentelijke scholen op het terrein van het basis- en voortgezet onderwijs. De gemeente heeft daarnaast ook andere taken en bevoegdheden die soms op gespannen voet kunnen staan met haar taken als bevoegd gezag. Dit wordt wel de ‘twee petten problematiek’ genoemd. Omdat bijvoorbeeld de gemeente enerzijds voor voldoende openbaar onderwijs dient te zorgen en anderzijds verantwoordelijk is voor een goede verdeling van beschikbare huisvesting voor alle scholen binnen haar grondgebied (bijzonder en openbaar), kunnen beide taken verstrengeld raken. De gemeente dient daarom goed te scheiden in welke kwaliteit zij bepaalde besluiten neemt en aan de MR voorlegt.
Overleg in de MR kan nooit vervangen worden door een al dan niet actieve deelname aan een raadsvergadering of een algemene informatieavond verzorgd door de gemeente.

Geregistreerd partnerschap

Op 1 januari 1998 is de Wet geregistreerd partnerschap voor ongehuwden in werking getreden. Deze wet heeft onder meer tot gevolg dat een bij de burgerlijke stand geregistreerde partner voor pensioenrechtelijke zaken wordt gelijkgesteld met een gehuwde.

Geschilbeslechting

Niet altijd zullen (G)MR en schoolbestuur het met elkaar eens zijn over de onderwerpen die worden besproken. Als de onenigheid hoog oploopt, is het mogelijk dat een geschillenprocedure wordt gestart. Daarin wordt aan een derde, een geschillencommissie, om een oordeel gevraagd.
De WMS maakt het mogelijk om in een aantal gevallen een geschillenprocedure te starten:
– Een instemmingsgeschil. Als de (G)MR instemming onthoudt aan een voorstel van het schoolbestuur, dan kan het schoolbestuur een instemmingsgeschil voorleggen aan de geschillencommissie (artikel 32 WMS). Het bestuur doet dat binnen een termijn van drie maanden.
– Een adviesgeschil. Als de (G)MR geen positief advies geeft op een bestuursvoorstel, dan kan de (G)MR het geschil voorleggen aan de geschillencommissie; de raad doet dat dan binnen zes weken (artikel 34 WMS).
– Een geschil over het reglement of het statuut. Ook over het medezeggenschapsreglement of -statuut kunnen bestuur en (G)MR het oneens zijn. In dat geval besluit het schoolbestuur binnen drie maanden of het geschil voorlegt aan de geschillencommissie (artikel 33 WMS).
– Een interpretatiegeschil en slotte is het denkbaar dat bestuur en (G)MR van mening verschillen over de uitleg van een bepaald wetsartikel of een passage uit het reglement of statuut. In zo’n geval kan de geschillencommissie een bindende uitspraak doen (artikel 35 WMS).

Geschillen

De commissie voor medezeggenschapsgeschillen neemt kennis van geschillen tussen het bevoegd gezag en de medezeggenschapsraad, de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, de deelraad, de groepsmedezeggenschapsraad, of een geleding van de genoemde raden, of de themaraad.
Raden en bevoegd gezag kunnen – onder zekere voorwaarden – bepaalde geschillen voorleggen aan de geschillencommissie waarbij de school is aangesloten. Bij een advies- of een instemmingsgeschil moet er sprake zijn van een voorgenomen besluit waarover het bevoegd gezag advies respectievelijk instemming heeft gevraagd van de MR of een van de geledingen van die raad, en de raad het gevraagde negatief heeft beantwoord. Is er geen concreet besluit voorgelegd, is er geen overleg geweest waarop visies en standpunten zijn uitgewisseld, of is er geen duidelijkheid over de uiteindelijke meningsvorming, dan is het maar de vraag of er sprake kan zijn van een geschil dat in behandeling wordt genomen door een geschillencommissie.
Wanneer partijen van mening verschillen hoe de wet of het medezeggenschapsreglement moet worden geïnterpreteerd kan door beide partijen een geschil worden aangekaart. Hetzelfde geldt wanneer het bevoegd gezag het medezeggenschapsreglement wil wijzigen en het geen gekwalificeerde meerderheid verkrijgt van de MR.

Geschillencommissie

Er is een landelijke geschillencommissie waar alle scholen bij zijn aangesloten. De commissie heeft tot taak om geschillen tussen het bevoegd gezag en inspraakorganen op te lossen door middel van een bindende uitspraak. Afhankelijk van de aard van de geschillen kan de geschillencommissie ook een bemiddelingsvoorstel voorleggen aan het bevoegd gezag en de medezeggenschapsraad.
De uitspraken van de geschillencommissie zijn bindend voor zowel het bevoegd gezag als de medezeggenschapsraad, de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, de deelraad, de groepsmedezeggenschapsraad, of een geleding van de genoemde raden, of de themaraad.

Geschillenregeling: een landelijke geschillencommissie

Een jaar na inwerkingtreding van de WMS (er wordt uitgegaan van 1 januari 2008) kwam er een landelijke commissie voor geschillen waarbij elke school, regionaal expertisecentrum en centrale dienst is aangesloten. De voormalige geschillencommissies droegen de onder hen berustende dossiers terstond over aan de nieuwe landelijke commissie voor geschillen. Volgens artikel 30 lid 2 WMS bestaat de commissie uit 3 leden en 3 plaatsvervangende leden, van wie een lid en een plaatsvervangend lid worden benoemd op bindende voordracht van de landelijke besturenorganisaties en een lid en een plaatsvervangend lid worden benoemd op voordracht van landelijke personeelsvak- onderscheidenlijk ouder-/leerlingenorganisaties. Deze twee leden doen een bindende voordracht voor de benoeming van het derde lid, tevens voorzitter en diens plaatsvervanger. De benoeming geschiedt door de minister van OCW.

Gespreksonderwerp (G)MR

Niet ieder onderwerp is even geschikt om te bespreken tijdens (G)MR-vergaderingen. Aan een onderwerp kunnen de volgende eisen gesteld worden. Ten eerste moet een onderwerp als een probleem gesteld kunnen worden. Een probleem is dan te omschrijven als het verschil tussen ‘ideaal’ en ‘werkelijkheid’. Vaak behandelt een nota niet een probleem, maar een complex (geheel) van problemen die op een of andere wijze wat met elkaar hebben te maken. Ten tweede moeten de deelnemers voldoende kennis hebben over het onderwerp om erover te kunnen praten. Het is daarom van groot belang dat de raad zich optimaal door het bevoegd gezag laat informeren. De wijze waarop het bevoegd gezag informatie verschaft aan de medezeggenschapsraad wordt vastgelegd in het medezeggenschapsreglement van de medezeggenschapsraad (artikel 24, lid 1, onderdeel f, WMS).

Geweld

Onder geweld kan worden verstaan misbruik van macht, toepassing van het recht van de sterkste. Scholen hebben een eigen verantwoordelijkheid waar het gaat om het realiseren van een veilig schoolklimaat. MR-leden kunnen vormen van geweld op scholen (van pesten tot seksueel geweld) aan de orde stellen in het kader van het streven om de school een veilige plaats te maken, waar alle betrokkenen zich thuis voelen. Dat er op school niemand gediscrimineerd wordt op welke grond dan ook (artikel 7, tweede lid, WMS).

Gewichtsleerling

De gewichtenregeling kent 2 gewichten: 0,3 en 1,2. De gewichten zijn gekoppeld aan opleidingscategorieën van de ouders. De opleidingscategorieën zijn:
• Categorie 1: maximaal basisonderwijs of (v)so-zmlk;
• Categorie 2: maximaal lbo/vbo, praktijkonderwijs of vmbo basis of kaderberoepsgerichte leerweg;
• Categorie 3: overig voortgezet onderwijs en hoger.
De bekostigingsregel gaat uit van een gewicht van 1,0 voor elke leerling. Vervolgens beoordeelt de school of een leerling een extra gewicht moet krijgen gezien de opleiding van de ouders. Hieronder staan de gewichten per leerling op basis van de oudercategorie:
• Gewicht leerling 1,0.
Het gewicht 0 wordt toegekend aan leerlingen van wie een van de ouders of beide ouders een opleiding heeft gehad uit categorie 3.
• Gewicht leerling 1,3
Het gewicht 0,3 wordt toegekend aan leerlingen van wie beide ouders of de ouder die belast is met de dagelijkse verzorging een opleiding uit categorie 2 heeft gehad.
Gewicht leerling 2.2
Het gewicht 1,2 wordt toegekend aan leerlingen van wie een van de ouders een opleiding heeft gehad uit categorie 1 en de ander een opleiding uit categorie 1 of 2.

Gezamenlijke medezeggenschap

De WMS gaat uit van een gezamenlijke verantwoordelijkheid van bestuur, personeel, ouders en leerlingen voor het functioneren van de school via de (G)MR als overlegorgaan in de schoolorganisatie. De WMS biedt ook de mogelijkheid dat de personeels-, ouder- en leerlinggeleding gescheiden kunnen optreden. De geledingen hebben voor een deel eigenstandige bevoegdheden en medezeggenschapsaangelegenheden. De (G)MR kan afzonderlijk overleggen met de geledingen in plaats van met de hele (G)MR (artikel 6, lid 3 WMS). Sommige zaken dienen in bepaalde gevallen specifiek aan de personeelsgeleding en aan de ouder-/leerlingengeleding te worden voorgelegd (artikelen 12 tot en met 14 WMS).

GGL

Gewogen gemiddelde
Alle gemiddelde leeftijden van de leerkrachten worden bij elkaar opgeteld en gedeeld door de som van de alle bijbehorende werktijdfactoren.

Giraal geld

Is een tegoed op een rekening bij een bank, financiële instelling of betalingsverkeerinstelling.

GL

Gemiddelde leeftijd.
De GL wordt als volgt bepaald: van de leerkracht wordt de leeftijd in volle jaren op de reguliere teldatum vermenigvuldigd met zijn werktijdfactor. Dit is dan de gemiddelde leeftijd

GMR

Gemeenschappelijke medezeggenschapsraad

GOA

Gemeenschappelijke onderwijsachterstandenbeleid

Goederen

Zijn alle zaken die nuttig zijn. Hierbij gaat het om zowel tastbare als om niet-tastbare zaken zoals diensten.

Goodwill

Meerwaarde van een onderneming vanwege de inkomsten die verwacht mogen worden dankzij de klantenbinding die is opgebouwd in de loop van een aantal jaren. Het gaat dus feitelijk om de economische waarde van de reputatie die een bedrijf heeft opgebouwd.

Governance

Governance is een aanduiding voor, ‘goed besturen’, voor deugdelijk bestuur in brede zin: een raamwerk van afspraken over bestuur, toezicht, verantwoording en transparantie. Dit houdt concreet in dat besturen dienen zorg te dragen voor een optimale onderwijskwaliteit en indien nodig voor het in gang zetten van de nodige verbeteringen. Daarbij gaat het bij governance om de vraag: wie controleert het bestuur met welke controle- en interventiemogelijkheden?

GPL

Gemiddelde personeelslast.
De gemiddelde personeelslast wordt jaarlijks vastgesteld voor de functies LA en LB-sbo ->, LB-(v)so, OOP, directie bao, directie sbao en directie (v)so. De gemiddelde personeelslast is de grondslag voor de vaststelling van de budgetten die per school en per leerling worden toegekend. De LA- en LB-GPL kennen een vaste voet en een leeftijdsafhankelijk bedrag. Het leeftijdsafhankelijke bedrag wordt vermenigvuldigd met de GGL van de school.

Grijze economie

Is dat deel van de informele economie, dat legaal is, zoals vrijwilligers werk.

Groepsmedezeggenschapsraad

De (G)MR van een groep scholen met een bepaalde status binnen het totaal van scholen. Op verzoek van de GMR en met instemming van bevoegd gezag kan – met instemming van tweederde van de leden van de GMR – een groepsmedezeggenschapsraad worden verbonden aan een groep van scholen (artikel 20, lid 2, WMS). De groepsmedezeggenschapsraad mag alleen zaken bespreken die van gemeenschappelijk belang zijn voor alle of een deel van de scholen die in een groepsmedezeggenschapsraad zijn vertegenwoordigd

Grondslag school

De grondslag van de school verwijst naar een bepaalde geloofsovertuiging, levensbeschouwing of identiteit op basis van waarvan onderwijs wordt gegeven. De belangrijkste stromingen zijn het rooms-katholieke, protestants-christelijke en algemeen-bijzonder onderwijs, reformatorische scholen en islamitische scholen. Openbare scholen behoren als zodanig niet tot een bepaalde grondslag – ze vinden hun basis in de wet.
In het MR-reglement kan zijn vastgesteld dat leerlingen/ouders die tijdelijk bij een andere school dan hun keuze zijn betrokken en die desondanks zich kandidaat willen stellen, de grondslag van de school dienen te respecteren (artikel 24, lid 4 sub a WMS). Respecteren houdt in dat de betrokkene geen afbreuk zal doen aan de identiteit.
Het ouders-/leerlingendeel van de MR heeft instemmingsbevoegdheid bij verandering van de grondslag van de school (artikel 14, lid 2 sub b WMS).

Grootboeken, grootboekkaarten, grootboekcode of Grootboekrekening

De administratie maakt voor de belangrijkste kosten en baten grootboeken of grootboekkaarten aan met daaraan gekoppeld een grootboekcode. De grootboekcodes van de kosten beginnen vaak met 4 en die van de baten met een 8.

Gw

Grondwet

 Hao

 Hoger algemeen vormend onderwijs

Havo

Hoger algemeen vormend onderwijs

 Hbo

 Hoger beroepsonderwijs

Hedgefonds

Risicovol financieel instituut dat long-posities (langlopende leningen) financiert met shortposities (kortlopende leningen) waarbij zij erop speculeren dat er een gunstig hefboomeffect optreedt, omdat de short-posities doorgaans een lagere rente dragen dan de long-posities.

Honorarium

Vergoeding van de diensten van een specialist of deskundige op basis van arbeidstijd. Het bedrag dat in rekening wordt gebracht omvat niet alleen het salaris voor de specialist of deskundige, maar ook een bedrag voor huisvesting, administratie, personele ondersteuning, en dergelijke.

Horizontale verantwoordingsplicht

Horizontale verantwoording is de communicatie van de onderwijsorganisatie met de maatschappelijke omgeving over de realisatie van doelstellingen van de organisatie.
Het bevoegd gezag heeft een ‘horizontale verantwoordingsplicht’ aan relevante stakeholders in en rondom de schoolorganisatie, de lokale overheid of het welzijnswerk in de buurt die primair belang hebben bij de maatschappelijke effecten of outcomes; het personeel dat belang heeft bij de bedrijfsvoering en bedrijfsprocessen, bijvoorbeeld het personeel; de ouders en leerlingen die belang hebben bij de realisatie van productie- en servicedoelstellingen van de instelling.

HR

Hoge Raad
Huishoudelijk reglement

Het huishoudelijk reglement omvat allerlei bepalingen van praktische aard, zoals de taakomschrijving van de voorzitter en secretaris, wijze van bijeenroepen van vergaderingen, wijze van opstellen van de agenda, wijze van besluitvorming en het quorum dat vereist is om te kunnen vergaderen.

Huurwaarde

Contante waarde van een gebouw in verhuurde staat op basis van de te verwachten inkomsten aan huur (ingaande kasstroom) en de te verwachten uitgaven voor onderhoud.

 IB

 Interne begleider

 IBC

 Interne bezwaren commissie

 ICT

 Informatie- en communicatietechnologie

 ID-banen

 In- en doorstroombanen

Identiteit

De specifieke uitstraling waarmee een school zich onderscheidt van andere scholen met betrekking tot de onderwijsopvatting of zich profileert met andere dan lesgevende activiteiten. Hoewel er vaak een relatie is te leggen met de grondslag van de school heeft identiteit een veel bredere en vooral meer feitelijke betekenis.

 IGO

 Institutioneel georganiseerd overleg

IHP

Integraal Huisvestingsplan
Met ingang van 1997 zijn gemeenten verantwoordelijk voor de planning en de financiering van de huisvesting van het primair, het (voortgezet) speciaal- en het voortgezet onderwijs. Vanaf dat jaar ontvangen de gemeenten in het Gemeentefonds bedragen
om de zorgplicht voor hun schoolgebouwen goed te regelen. Gemeenten hebben de wettelijke opdracht om te voorzien in adequate huisvesting voor het primair, het (voortgezet) speciaal- en voortgezet onderwijs, op basis van een verordening. Het IHP is een instrument, waarin wordt aangegeven hoe de gemeente in samenwerking met de schoolbesturen de onderwijshuisvesting in de komende jaren vorm wil geven.

Immateriële vaste activa

Immateriële activa zijn vaste activa die niet tastbaar zijn. Het betreft bezittingen die wel een rol spelen in het financiële proces, maar nooit in het fysieke bedrijfsproces. Immateriële activa kunnen alleen dan op de balans opgevoerd worden, wanneer zij een objectief bepaalbare waarde hebben. Over de waardering van immateriële activa zijn per soort verschillende afspraken vastgelegd. Uitgangspunt van de waardering is dat er een inschatting moet zijn van de nuttige gebruiksduur, de afschrijving per jaar is dan het waardeverlies over de totale tijd gedeeld door het aantal jaren nuttig gebruik. Voorbeelden van immateriële activa zijn: goodwill en research-/ontwikkelingskosten. Kosten die gemaakt worden om een product te ontwikkelen kunnen gespreid worden over de levenscyclus van het product.

Indexcijfer

Met behulp van een indexcijfer kan een ontwikkeling of trend in de exploitatie in beeld worden gebracht. Door te starten met ‘basisjaar’ kan voor elk onderdeel van de schoolexploitatie het verloop op een vergelijkbare wijze in beeld worden gebracht.

Indirecte belastingen

Zijn belastingen die geheven worden op het moment van transactie. Voorbeelden zijn BTW en invoerrechten. Het woord ‘‘indirect’’ betekent dat de belastingbetaler niet bij de fiscus bekend is, in tegenstelling tot de directe belastingen. Indirecte belastingen worden ook wel kostprijsverhogende belastingen genoemd.

Informatieplicht (G)MR

In het medezeggenschapsstatuut wordt informatie verstrekt over de wijze waarop de medezeggenschapsraad, de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, de geledingen dan wel de themaraden en groepsmedezeggenschapsraden, elkaar en de geledingen waaruit zij zijn gekozen informatie verstrekken over hun activiteiten (artikel 22, onderdeel d, WMS).

Informatieverstrekking bevoegd gezag

De informatieverstrekking van het bevoegd gezag aan de medezeggenschapsorganen is omschreven in artikel 8 WMS. De informatieverstrekking van bevoegd gezag is er op gericht om inspraakorganen in de gelegenheid te stellen hun taak zo optimaal mogelijk uit te oefenen. Voor de uitoefening van medezeggenschap is een goed functionerende en tijdige informatievoorziening in termen van relevantie, toegankelijkheid, helderheid en begrijpelijkheid essentieel. De WMS schrijft voor dat het statuut bepalingen bevat over:
– tijdstip van informatieverschaffing: concrete afspraken over minimum aantal dagen dat agenda en stukken voor de vergadering van de raad, en voor de overlegvergadering tussen de raad en het bevoegd gezag aanwezig moeten zijn bij de leden van de raad. Deze afspraak moet in overeenstemming zijn met hetgeen is bepaald in het medezeggenschapsreglement;
– de wijze van informatieverschaffing: in ieder geval schriftelijk, zo mogelijk eveneens langs digitale weg, alle verkregen informatie is in principe openbaar;
– welke informatie moet worden verschaft: staat vermeld in de WMS.

Informatievoorziening bevoegd gezag

Voor de uitoefening van medezeggenschap is een goed functionerende informatievoorziening in termen van relevantie, toegankelijkheid, helderheid en begrijpelijkheid essentieel. In de WMS komt dit belang tot uitdrukking. Dit houdt onder andere in dat het bevoegd gezag de plicht heeft de raad jaarlijks schriftelijk de relevante basisdocumenten beschikbaar te stellen, zoals de begroting en de bijbehorende beleidsvoornemens op financieel, organisatorisch en onderwijskundig gebied; (artikel 8, lid 2, WMS). Onder deze basisdocumenten tevens worden begrepen de uitgangspunten van het bestuurlijk handelen (artikel 8, lid 2, onderdeel d, WMS).
Om ervoor te zorgen dat alle medezeggenschapsorganen bij het schoolbestuur (MR’en, GMR en eventuele themaraden en groepsmedezeggenschapsraden) adequaat worden geïnformeerd, wordt volgens de WMS in het medezeggenschapsstatuut opgenomen: de informatievoorziening en de termijnen van het beschikbaar stellen van informatie (artikel 22, onder c, WMS).

Informele circuit/ informele economie

Betreft alle economische activiteiten die niet in de officiële cijfers tot uitdrukking komen, omdat de gegevens zich niet laten registreren. Het betreft hier niet alleen het ‘zwart en grijs’ werken, maar ook legale activiteiten die aan de waarneming van het CBS voorbij gaat. Men spreekt daarom ook wel van verborgen circuit.

Initiatiefrecht

Dit is het recht van de medezeggenschapsraad en een geleding om alle zaken te bespreken die de school aangaan (artikel 16 WMS). Over die zaken kan de medezeggenschapsraad ook voorstellen aan het bevoegd gezag voorleggen. Het bevoegd gezag moet zo spoedig mogelijk schriftelijk op die initiatiefvoorstellen reageren (artikel 17 WMS). Voordat het bevoegd gezag die reactie geeft, moet het de medezeggenschapsraad in de gelegenheid stellen over dat onderwerp overleg te voeren. Dat overleg kan plaats vinden met de voltallige medezeggenschapsraad of met de afzonderlijke geledingen van de medezeggenschapsraad.

INK model

Het INK-managementmodel is een managementmodel voor organisaties om een zelfevaluatie mee uit te voeren. Met het INK model kan de volwassenheid van de organisatie worden bepaald en kunnen verbeterpunten worden geïdentificeerd. Het model helpt organisaties te focussen op de gebieden, waar verbeteringen mogelijk zijn. (bron: Wikipedia)

Inkomen

Vergoeding die een persoon ontvangt voor geleverde arbeid of beschikbaar gestelde goederen, land of vermogen. De naam van de vergoeding varieert van loon (of salaris) tot huur, pacht of rente. Ook winst valt onder inkomen indien het ter beschikking van die persoon staat. Opvallend is dat de term inkomen wel gebruikt wordt bij natuurlijke personen en stichtingen, maar niet bij BV’s of NV’s.

Inkomsten

Bedrag dat daadwerkelijk ontvangen is om een overeenkomst af te wikkelen.

Innovatie

Betekent het invoeren van nieuwe technieken in het productieproces of het voortbrengen van nieuwe of verbeterde producten. Hierdoor kunnen innovaties een stimulans betekenen voor de economische groei.

Instelling

De wetgever heeft het begrip ‘instelling’ niet nader omschreven. Wat dient onder het begrip ‘instelling’ te worden verstaan? Uit jurisprudentie van de Landelijke geschillencommissie kan worden begrepen dat het in de rede ligt om instellingen die het onderwijs of de school begeleiden of ondersteunen, dan wel een inhoudelijk deel daarvan verzorgen (bijvoorbeeld godsdienstonderwijs) onder het begrip ‘instelling’ te scharen.
De MR heeft adviesbevoegdheid over een (voorgenomen) besluit ten aanzien van het aangaan van een duurzame samenwerking met een andere instelling. De personeels- en de leerlinggeleding hebben instemmingsbevoegdheid over de regeling van gevolgen van het aangaan van de samenwerking (artikel 12 en 13 lid 1a WMS).

Instellingskapitalisatiefactor

De benodigde kapitalisatiefactor van een onderwijsinstelling, berekend aan de hand van de boekwaarde van de materiële vaste activa en de benodigde liquiditeit (spaarliquiditeit, bufferliquiditeit, transactieliquiditeit).

Instemmingsbevoegdheid van de medezeggenschapsraad

De WMS bepaalt dat het bevoegd gezag over in de wet omschreven aangelegenheden de instemming van de raad behoeft (artikel 10 WMS). Geeft de MR de gevraagde instemming niet dan moet uitvoering van het voorgenomen besluit worden opgeschort. Het bevoegd gezag kan in dat geval alleen verder door een instemmingsgeschil aanhangig te maken bij de geschillencommissie (artikel 32 WMS). Het weigeren van instemming kan dus grote procedurele gevolgen hebben.
Instemmingsbevoegdheid is echter geen vetorecht – immers de geschillencommissie kan een negatief besluit van de MR of een van de geledingen overrulen: de beoordeling van de commissie treedt in de plaats van instemming van de MR.

Instemmingsgeschil

Bij een instemmingsgeschil (artikel 32 WMS) beoordeelt de geschillencommissie of de medezeggenschapsraad, de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, de deelraad, de groepsmedezeggenschapsraad, of een geleding van de genoemde raden, of de themaraad in redelijkheid tot het onthouden van instemming heeft kunnen komen of dat er sprake is van bepaalde zwaarwegende omstandigheden die het voorstel van het bevoegd gezag rechtvaardigen.
Het bevoegd gezag kan aan de geschillencommissie een instemmingsgeschil voorleggen indien het bevoegd gezag ten aanzien van een te nemen besluit niet de vereiste instemming van de medezeggenschapsraad, de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, de deelraad, de groepsmedezeggenschapsraad, of een geleding van de genoemde raden, of de themaraad heeft verworven en het bevoegd gezag zijn voorstel toch wenst te handhaven.

Integraal personeelsbeleid (IPB)

De term integraal personeelsbeleid (IPB) duidt op het streven van alle betrokken partijen (bestuur, directie) om de verwachtingen van de afzonderlijke werknemers over hun eigen ontwikkeling in een onderwijsinstelling te laten sporen met de inhoudelijke en organisatorische doelstellingen van de school. Het gaat daarbij tevens om een afstemming van verschillende instrumenten om IPB te voeren, zoals functiedifferentiatie en beloningsdifferentiatie. Het schoolbudget kan worden gebruikt voor het invoeren van een IPB. Uiteindelijk is het doel dat het realiseren van betere ontplooiingsmogelijkheden voor het individu een versterking van de motivatie zal betekenen en meer arbeidssatisfactie zal bewerken, waardoor de werkdruk zal afnemen en de animo om in het onderwijs te gaan en te blijven werken toeneemt.

Interestkosten

Zijn de kosten die betaald worden om over een bepaald kapitaal te beschikken waarmee een product betaald wordt.

Interpretatiegeschil

Bij een interpretatiegeschil beoordeelt de geschillencommissie welke uitleg aan het bepaalde bij of krachtens de WMS dan wel het bepaalde in het medezeggenschapsreglement en het medezeggenschapsstatuut dient te worden gegeven (artikel 35 WMS).
Het bevoegd gezag of de medezeggenschapsraad, de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, de deelraad, de groepsmedezeggenschapsraad, of een geleding van de genoemde raden, of de themaraad kan aan de geschillencommissie een interpretatiegeschil voorleggen indien het bevoegd gezag en de medezeggenschapsraad, de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, de deelraad, de groepsmedezeggenschapsraad, of een geleding van de genoemde raden, of de themaraad van mening verschillen over het bepaalde bij of krachtens de WMS dan wel het bepaalde in het medezeggenschapsstatuut of het medezeggenschapsreglement van de desbetreffende raad.

Inventaris

Waarde van alle kapitaalgoederen, inclusief debiteuren, voorraden, machines en de aparte post inventaris die op de balans staat.

Inventariseren

Minutieus vastleggen van alle voorraden, auto’s, machines en andere kapitaalgoederen waarover een onderneming het eigendomsrecht kan uitoefenen.

Investeringen

Kapitaal vastleggen in een project of een onderneming, om die te steunen of om winst te maken.

Investeringsruimte Financiële ruimte om te investeren. In het onderwijs wordt bedoeld om extra te investeren in het onderwijs, boven de bekostiging uit, waardoor een tekort op de exploitatie ontstaat en de reserve lager wordt.

 ISBO

 Islamitische schoolbesturen organisatie

 ISK

 Internationale schakelklas

IVESC

Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele rechten

IVRK

Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind
Jaaragenda (van de school)

Wordt gevormd door vergaderrooster en activiteitenrooster samen.

Jaarplanning

Alle activiteiten in een school die telkens voor de duur van een schooljaar in tijd en ruimte worden vastgelegd. De componenten van jaarplanning zijn: lesrooster, vergaderrooster en activiteitenrooster.
De jaarplanning is onderdeel van het jaarverslag en beschrijft de beleidsvoornemens voor elk cursusjaar. De MR ontvangt jaarlijks voor 1 juli een jaarverslag van de GMR (artikel 8, onderdeel c, WMS).

Jaarrekening

Een jaarlijks door het bevoegd gezag op te maken overzicht van de inkomsten en uitgaven, en de daarbij behorende balans.
De jaarrekening speelt een belangrijkere rol naarmate onderwijsinstellingen meer eigen beleid voeren. Dit document geeft feitelijke informatie over de mate waarin aan de beleidsvoornemens (en de daaraan gekoppelde begroting) daadwerkelijk gestalte is gegeven. Zie verder bij informatieplicht.

Jaarrekening bevoegd gezag

In het jaarverslag van het bestuur dient een jaarrekening te worden opgenomen. De jaarrekening dient gescheiden te worden gehouden van het bestuursverslag. Beide kunnen in een document worden gepresenteerd.
Voorwaarden waaraan de jaarrekening moet voldoen zijn: begrijpelijkheid, relevantie, betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid. De jaarrekening bevat de grondslagen, de balans, staat van baten en lasten (voorheen exploitatierekening), post voor post. Het bevoegd gezag dient de jaarstukken, voorzien van de accountantsverklaring, aan CFI en aan de GMR en MR te overleggen.

Jaarverslag

De (G)MR ontvangt jaarlijks vóór 1 juli een jaarverslag ( bestaande uit een bestuursverslag, jaarrekening en overige gegevens zoals de accountantsverklaring) en het oordeel van de klachtencommissie indien de klacht geheel of gedeeltelijk gegrond is.
In een jaarverslag zet het bestuur de vooruitzichten voor de nabije toekomst uiteen.

Jaarverslag bevoegd gezag

Het bevoegd gezag stelt jaarlijks een jaarverslag over het voorafgaande kalenderjaar vast. Het jaarverslag heeft niet alleen betrekking op de financiële cijfers. In de wettekst wordt uitdrukkelijk verwezen naar artikelen in de onderwijswetten waarin het jaarverslag wordt gedefinieerd. Een jaarverslag bestaat ten minste uit
– een bestuursverslag als bedoeld in BW 2:391;
– jaarrekening als bedoeld in BW 2:361, met de daarbij behorend bijlagen;
– overige gegevens (zoals de accountantsverklaring) als bedoeld in BW 2:392.
De medezeggenschapsraad ontvangt van het bevoegd gezag, al dan niet gevraagd, jaarlijks voor 1 juli een jaarverslag. Het jaarverslag zou een evaluatie kunnen bevatten van de bereikte doelen (evaluatieve functie) en de doelen die de MR zich voor het komende jaar stelt (beleidsfunctie).

Jaarverslag medezeggenschapsraad

De wijze waarop een inspraakorgaan informatie verstrekt aan zijn achterban kan in de vorm van een jaarverslag. Dit verslag kan ter kennisneming aan het bevoegd gezag, de schoolleiding, het personeel, de ouders en leerlingen (VO) gezonden.

 JDZ

 (centrum) jeugd gezondheid

Journaalposten

Met een journaalpost boeken we een financieel feit in de administratie. De journaalpost bestaat uit een grootboekrekening, een omschrijving en een bedrag. Een journaalpost bestaat altijd uit twee regels. Met de eerste regel wordt een grootboekrekening debet geboekt en met de tweede journaalpost wordt een grootboekrekening credit geboekt. De beide bedragen moeten gelijk zijn.

Kaderbesluit rechtspositie

Het Kaderbesluit rechtspositie PO bevat de primaire arbeidsvoorwaarden voor de scholen uit het primair onderwijs.
De bepalingen die in het Kaderbesluit rechtspositie PO worden opgenomen zijn:

  1. begripsbepalingen: deze geven aan dat alle scholen voor primair onderwijs hier onder vallen;
  2. algemene arbeidsduur van 1659 uur per jaar bij een normbetrekking;
  3. formatievaststelling: de werkgever dient het geheel van functies in aantallen en niveaus voor de werknemers aan te geven en stelt voor elke functie een salarisschaal vast;
  4. uitgangspunten functiewaarderingssysteem: uitgangspunten van de op 31 juli 2006 geldende functiestructuur en beloningsverhoudingen. Beloningsplafond wordt vastgesteld op maximum van functieschaal DE;
  5. functiebeloning: werkgever is door de invoering van de lumpsum ook zelf verantwoordelijk voor de vaststelling van het salaris van zijn werknemers. Ook geeft dit artikel aan dat een werknemer in 2 onderwijsondersteunende functies of een onderwijsondersteunende en een onderwijsgevende functie benoemd/aangesteld kan worden, indien het verschil tussen deze 2 functies meer dan 3 schalen bedraagt. Voor werknemers die een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 35% hebben, geldt het verschil van meer dan 3 schalen in 2 functies niet;
  6. vervallen per 1 januari 2008, omdat er vanaf deze datum geen jeugdschalen meer zijn’;
  7. toelage minimumloon: toelage voor werknemers die minder verdienen dan het minimumloon bij een normbetrekking;
  8. algemene wijzigingen salarissen: in de bijlagen worden alles salarisschalen en de algemene salarismaatregelen verwerkt;
  9. vaststelling vakantie-uitkering van 8%;
  10. structurele eindejaarsuitkering;
  11. eenmalige uitkering;
  12. inkomenstoelage;
  13. specifieke eindejaarsuitkering voor onderwijsondersteunend personeel;
  14. citeertitel: geeft de officiële naam aan.
Kaderwet

Een kaderwet regelt alleen de algemene kaders en schrijft niet alles in detail voor. De WMS is meer dan een kaderwet. Binnen een kader voor de uitoefening van de bevoegdheden wordt ruimte voor flexibiliteit geboden op het gebied van overdracht en omzetting van bevoegdheden (artikel 24, lid 2 WMS) en het kunnen toevoegen van bevoegdheden (artikel 24, lid 3 WMS).

Kapitaal

Het totale bedrag van de posten aan de debetzijde van de balans.

Kapitaalgoederen

Middelen zoals gebouwen, machines, voorraden en vorderingen die de ondernemer heeft aangeschaft om de onderneming te kunnen voeren. De kapitaalgoederen maken een belangrijk deel uit van het kapitaal. Liquide middelen maken geen deel uit van de kapitaalgoederen, maar wel van het kapitaal.

Kapitaalinvestering

Bij een kapitaalinvestering gaat het erom dat iemand geld stopt in een zaak, dus eigenlijk gaat het om het beleggen van vermogen in een onderneming. Dat zal waarschijnlijk gaan in de vorm van deelname aan het eigen vermogen. In feite gaat het dus om een financiering. Het kan ook zijn dat iemand geld nodig heeft voor uitbreiding van zijn activa (kapitaalgoederen) en op zoek is naar iemand die dat wil financieren.

Kapitaalmarkt

De markt waar leningen met een looptijd van langer dan 10 jaar verhandeld worden. De kapitaalmarkt is een onderdeel van de vermogensmarkt, die ook de geldmarkt en de markt voor middellang krediet omvat.

Kapitaalverwerving

Aantrekken van vermogen om te kunnen investeren.

Kapitalisatiefactor

De kapitalisatiefactor geeft een indruk van de doelmatigheid van het vermogensbeheer van een onderwijsinstelling. De formule van kapitalisatiefactor is:
Kapitalisatiefactor = totaal vermogen/totale baten * 100%

Kas

Voorraad in bankbiljetten en munten.

Kasbeheer

Beheer van de kas in de betekenis van de kasvoorraad en de belegde middelen, alsmede de verzorging van een kastekort.

Kasmutatie

Wijziging in de kas, d.w.z. een toename of afname van contant geld.

Kasreserves

Geld dat op een bepaald tijdtip nog in de kas zit. Saldo van de kas als alle verwachte ontvangsten binnen zijn en alle verwachte betalingen gedaan zijn. Verwacht saldo van de liquide middelen (kas en bank) als alle verwachte ontvangsten binnen zijn en alle verwachte betalingen gedaan zijn.

Kasstroomoverzicht

Een overzicht van de geldmiddelen die in een verslagperiode beschikbaar zijn gekomen en van het gebruik dat van deze geldmiddelen is gemaakt.

Kastekort

Verschil tussen wat er in kas moet zijn en wat er werkelijk in zit. Verwacht negatief saldo aan contante middelen.

Kasvoorraad

Totale hoeveelheid chartaal geld dat in voorraad is.

KB

Koninklijk besluit

Kengetallen

In cijfers gevatte kennis om beleid mee te sturen. Kengetallen meten de gesteldheid van de huidige (of eventueel historische situatie. Voorbeelden van kengetallen: het percentage leerlingen dat een basisschool jaarlijks verwijst naar het speciale basisonderwijs, de slaagpercentages voor een examen.

Kennismanagement

Vergaren, vastleggen en doorgeven van kennis binnen een organisatie.

Kerndoelen

Kerndoelen geven een beschrijving van kwaliteiten van leerlingen op schoolniveau op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden. Scholen hanteren kerndoelen als aan het eind van het aangeboden onderwijs te bereiken doelstellingen.

KG

Kort Geding
Kiesdeler

Het aantal geldig uitgebrachte stemmen gedeeld door het aantal vacante zetels.

Kiesgerechtigd en verkiesbaar

Zij die op de dag van de kandidaatstelling deel uitmaken van het personeel of ouder dan wel leerling zijn (VO), zijn kiesgerechtigd en verkiesbaar tot lid van de medezeggenschapsraad.
Zij die op de dag van de verkiezing deel uitmaken van de medezeggenschapsraad van de school zijn kiesgerechtigd en verkiesbaar tot lid van de GMR.

Kiesrecht

Het kiesrecht bestaat uit twee elementen: – het recht om zelf een stem uit te brengen (het actieve kiesrecht); – het recht om in de medezeggenschapsraad gekozen te worden (passieve kiesrecht).

Kiesstelsel

De wijze waarop het kiezen geregeld is.

Klachtencommissie

Leerlingen, ouders en personeelsleden kunnen een klacht indienen bij de klachtencommissie. Schoolbesturen zijn verplicht een eigen klachtencommissie in te stellen of zich aan te sluiten bij een regionale of landelijke klachtencommissie. De klachtencommissie bestaat uit minimaal drie leden, onder wie een voorzitter die geen deel uitmaakt van het schoolbestuur of van het team van de school. De klachtencommissie moet de klacht van de klager altijd vertrouwelijk behandelen en binnen vier weken reageren. Als de klachtencommissie de klacht na onderzoek gegrond verklaart, volgt rapportage en advies naar het schoolbestuur. Het bestuur dient de klachtencommissie binnen vier weken na ontvangst van het oordeel mede te delen of hij het oordeelt deelt en of hij maatregelen zal nemen, en zo ja, welke. Sinds 1 januari 2007 is het bevoegd gezag verplicht om informatie te verschaffen over elk oordeel van de klachtencommissie, waarbij de commissie een klacht gegrond verklaard heeft. Indien de klacht gegrond verklaard is, moet het bevoegd gezag op grond van het informatierecht van de MR onmiddellijk de MR informeren. Hierbij geeft het bevoegd gezag ook aan welke eventuele maatregelen genomen zullen worden. De regels over het verwerken van de bescherming van persoonsgegevens worden hierbij in acht genomen.

Klachtenprocedure

Een klachtenprocedure beschrijft wie welke taken en bevoegdheden heeft en welke stappen gezet dienen te worden bij een klacht.

Klachtenregeling

De klachtenregeling beschrijft in een protocol of een stappenplan welke stappen gezet dienen te worden bij het indienen van een klacht door de klager en het afhandelen van een klacht door een klachtencommissie. Een klachtenregeling is op elke school voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs verplicht. Deze regeling garandeert een zorgvuldige behandeling van klachten en geeft informatie over de klachtenprocedure. Hiermee wordt het belang van de betrokkenen gediend. Daarnaast is een zorgvuldige behandeling van klachten bevorderlijk voor een veilig schoolklimaat. Scholen zijn verplicht om over de klachtenprocedure informatie op te nemen in de schoolgids, zodat alle belanghebbenden op de hoogte zijn. In de klachtenregeling is onder andere opgenomen binnen welke termijn de school op een klacht reageert.
De MR heeft vaststelling of wijziging van de voor de school geldende klachtenregeling (artikel 10 sub g WMS).

Klokkenluider

Deze plastische benaming wordt gebruikt voor een werknemer, die grote gewetensbezwaren heeft over handelingen van de organisatie waarbij hij werkzaam is of over het beleid dat zijn werkgever voert, daarvoor intern in de eigen organisatie en bij bestaande commissies onvoldoende gehoor vindt en daarom met die problematiek naar buiten treedt. Hij loopt daarmee het risico om arbeidsrechtelijk gestraft te worden, omdat hij ‘de vuile was buiten hangt’.
Bij de rijksambtenaren is in 2001 van kracht de Regeling procedure inzake het omgaan met een vermoeden van een misstand (Besluit 7 december 2000, Staatscourant 243).

Koers

De beurskoers van een aandeel. De richting waarin het beleid van een onderneming gaat.

Koerswaarde

Waarde van een beleggingsobject als het op dit moment zou worden verkocht.

Koerswinst/ koersverlies

Stijging of daling van de beurskoers op de effectenmarkt. De term winst en verlies worden hier op ongebruikelijke wijze gehanteerd, omdat bij valuta en andere prijzen niet over winst en verlies gesproken wordt, maar over stijging en daling.

Koper

Er zijn drie typen van kopers van immateriële activa. 1. Strategische koper: (rechts)persoon die streeft naar maximale zeggenschap teneinde het integratieproces met eigen bedrijfsonderdelen optimaal te maken. 2. Financiële koper: (rechts)persoon die streeft naar zeggenschap zonder uit te zijn op het gebruik van de activa. 3. Industriële koper: (rechts)persoon die streeft naar het integreren van de activa, de locatie, de klanten of het marktaandeel.

Kosten

Zijn alle op geld gewaardeerde offers die gebracht zijn bij de productie. Bijvoorbeeld: grondstofkosten, afschrijvingskosten, vermogenskosten en loonkosten.

Kostenplaatsen

Bij de inrichting van de administratie definiëren we onderdelen van de organisatie als kostenplaatsen. In deze onderdelen worden bepaalde kosten gemaakt en opbrengsten gerealiseerd. Hierdoor is duidelijk welke bijdrage kostenplaatsen leveren aan het resultaat. Bij een éénpitter zien we de school als geheel vaak als kostenplaats en het bestuur als tweede kostenplaats. Bij een onderwijsinstelling met meer scholen, vormen de scholen elk een kostenplaats, het stafbureau en bovenschools.

Kostensoort

Een kostensoort of kostencategorie is een verzameling van kosten die bij elkaar horen, omdat ze dezelfde oorsprong hebben.

Ktg

Kantongerecht

 KW

 Kwaliteitswet (invoeringswet m.b.t. schoolplan, schoolgids en klachtenregeling)

Kwalificatie-eisen

Deze eisen hebben betrekking op de eisen die vanuit de schoolorganisatie worden gesteld aan het vervullen van een bepaalde functie dan wel aan taken binnen een organisatie.

Kwalificatieplicht

de verplichting om een startkwalificatie te behalen, te weten een havo-, vwo- of mbo 2-diploma
Kwalitatieve personeelsplanning

Bepaling van de personeelsbehoefte in kwalitatieve zin, bijvoorbeeld de behoefte aan personeel met een bepaalde opleiding of vaardigheid of de behoefte aan een meer evenredige getalsverhouding tussen mannen en vrouwen.

Kwaliteit

Onderwijs heeft kwaliteit als de school haar beloftes waar maakt. De meningen verschillen over vragen wat goed onderwijs is, wie dat moet bepalen en op welke wijze dat bepaald moet worden. De vraag wat goed onderwijs is, heeft betrekking op de doelstellingen die gerealiseerd moeten worden. Te denken valt aan: leerlingen basisvaardigheden aanleren, de individuele ontplooiing van leerlingen stimuleren, maatschappelijke waarden overdragen, de maatschappelijke gelijkheid bevorderen enzovoort. Je zou kunnen zeggen dat ‘goed’ onderwijs dan leerlingen aflevert die de beoogde vaardigheden en attitudes hebben aangeleerd zoals vastgelegd in de kerndoelen.

Kwaliteit medezeggenschap

De WMS gaat uit van een gezamenlijke verantwoordelijkheid van bestuur en personeel, ouders en leerlingen voor het functioneren van de school en de kwaliteit van de (G)MR als overlegorgaan. Voorwaarden voor kwaliteitsverbetering van de medezeggenschap binnen de organisatie zijn:
1. medezeggenschapsstructuur: de mate waarin voor betrokkenen bij de medezeggenschap afspraken, procedures, overlegstructuren en verantwoordelijkheden duidelijk zijn;
2. medezeggenschapscultuur: een cultuur waarin personeel, ouders en leerlingen serieus genomen worden om mee te denken, mee te praten en mee te beslissen over die zaken die zij van belang vinden voor de kwaliteit van hun werksituatie en de kwaliteit van het onderwijs;
3. medezeggenschapsbereidheid: de mate waarin betrokkenen bereid zijn het proces van medezeggenschap gezamenlijk aan te gaan;
4. medezeggenschapsvaardigheden: de vaardigheden waarmee betrokkenen met elkaar omgaan in het kader van de medezeggenschap
Daarbij hebben personeel, ouders en leerlingen ook verschillende belangen die in het opsplitsen van het overleg met de geledingen tot z’n recht kunnen komen. Dit betekent dat de (G)MR rekening houdt met belangen van de verschillende geledingen, maar haar oordeel en advies richt op het gezamenlijke belang van de school.

Kwaliteitsbewaking

Met kwaliteitsbewaking meet men de afstand tussen de door de school geformuleerde missie (uitgangspunten, doelstellingen, eindtermen, operationele doelen) en de onderwijsrealiteit.
De (G)MR kan een rol spelen bij de kwaliteitsbewaking. De mate waarin de (G)MR op de hoogte is van de inhoud van voorgenomen beslissingen (meeweten), de ruimte krijgt om zijn mening te geven (meepraten) en invloed kan uitoefenen op de besluiten (meebeslissen) zal met name afhangen van de houding van de (G)MR en de directie om elkaar als serieuze gesprekspartners te accepteren.

Kwaliteitsmanagement

Kwaliteitsmanagement is een strategie van het management die gericht is op het systematisch inrichten en voortdurend verbeteren van de werkprocessen in de schoolorganisatie. Het doel is het realiseren van een evenwicht in de verschillende motieven van betrokkenen: het personeel in het onderwijs (vindt het uitdagend om tegen betaling zo goed mogelijk les te geven aan bepaalde groepen leerlingen), de leerlingen en ouders (die willen dat er goed onderwijs wordt geboden in een prettige sfeer) en de het management (wil dat de organisatie excellent functioneert).

Kwaliteitsverbetering

Met kwaliteitsverbetering probeert men de geconstateerde afstand tussen de actuele situatie en de gewenste doelen te verkleinen door het onderwijs te veranderen of door de doelen aan te passen. De MR zou zich sterk kunnen maken dat de schoolleiding verantwoording aflegt wat zij precies onder kwaliteit verstaat, op welke wijze dit gerealiseerd kan gaan worden en op welke wijze de directie wil gaan controleren of de gestelde doelen gerealiseerd zijn.

Lagere overheden

Zijn de gemeenten, provincies en waterschappen.

 LAKS

 Landelijke aktie komiteescholieren

Last en ruggespraak

De gekozen leden in de (G)MR zitten in de raad zonder last of ruggespraak. Dit betekent dat de achterban een (G)MR-lid niet tot een bepaald stemgedrag kan dwingen. Elk lid van de (G)MR heeft een eigen verantwoordelijkheid. Wel staat het een MR-lid vrij zich vrijwillig te conformeren aan een meerderheidsstandpunt van zijn of haar achterban, los van het eigen standpunt.
Stemt dat lid evenwel anders dan de meerderheid van de achterban gewenst had, dan doet dit aan de geldigheid van de uitgebrachte stem niet af, zelfs niet als het MR-lid met een bepaald programma (via een lijstenstelsel) is gekozen.
Dit laat onverlet, dat CAO-partijen wanneer zij bepaalde taken en bevoegdheden aan de PMR overlaten in het kader van de uitvoering van de CAO, eisen kunnen stellen met betrekking tot het vergewissen van de aanwezigheid van een draagvlak voor de PMR voordat instemming kan worden gegeven aan een voorstel van het bevoegd gezag over de uitwerking van onderdelen van de CAO.

Lasten

Alle bedragen die in de loop van het jaar leiden tot een afname van het eigen vermogen van een niet-commerciële organisatie. De lasten staan credit in de boekhouding, net zoals de betalingen per kas of giro.

LBF-FUWA

 Landelijke bezwarencommissie functiewaardering

LBK Landelijk Beleidskader

LBS

 Landelijke bezwarencommissie schoolbestuurbeslissingen

LCG-WMS

 Landelijke commissie voor geschillen WMS

Leeftijdsdiscriminatie

Op 1 mei 2004 is de ‘Wet gelijke behandeling op grond van de leeftijd bij de arbeid’ in werking getreden. Vanaf deze datum is leeftijdsdiscriminatie bij arbeidsvoorwaarden verboden, tenzij sprake is van een wettelijke uitzonderingsgrond of dit onderscheid objectief kan worden gerechtvaardigd. Omdat pensioen een arbeidsvoorwaarde is, geldt dit verbod ook voor pensioenregelingen.

Leerlingbegeleiding

Het geheel van activiteiten dat er op gericht is de onderwijskundige en pedagogische doelstellingen van een school te realiseren binnen een daarvoor opgezet systeem.

Leerlingen

Leerlingen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs (artikel 1, lid 3, onder f, WMS).
De positie van met name havo/vwo-leerlingen in het voortgezet onderwijs als afnemers van het ‘product’ onderwijs is er door de invoering van de WMS op vooruit gegaan, in vergelijking met hun positie onder de vigeur van de WMO 1992. Leerlingen hebben doorgaans geen zitting in de MR op vmbo-scholen, in het voortgezet speciaal onderwijs en bij expertisecentra so/vso.
Bevorderende factoren voor leerlingen om zitting te nemen in MR en een actief mee te denken over het beleid van de school: directie en personeel hebben een visie op leerlingenparticipatie, goed functionerende leerlingenraad (kweekvijver van talent, achterban leerlingengeleding MR), duidelijke informatieverstrekking aan leerlingen; over de rol van de MR, waardering voor MR-werk uitgedrukt in euro’s (vacatievergoeding varieert tussen de € 12 tot € 50 per vergadering), vermindering onderwijstijd en een aantekening op het diploma.

Leerlingenparticipatie

Leerlingenparticipatie is te beschouwen als een onderdeel van de medezeggenschapscultuur waarin er formele en informele wegen zijn naar meedenken, meepraten en meebeslissen van leerlingen over die zaken die zij van belang vinden voor de kwaliteit van hun leren. De WMS biedt de leerlingengeleding instemmingsbevoegdheid over een aantal onderwerpen die hen in het bijzonder aangaat zoals: voorzieningen in de school voor leerlingen en het leerlingenstatuut. De leerlinggeleding kan daarover apart, dus los van ouders en docenten, vergaderen en daarbij andere leerlingen in adviserende zin betrekken (dit kan bijvoorbeeld in de vorm van een leerlingenraad of leerlingenparlement).

Leerlingenraad

Op de meeste scholen voor voortgezet onderwijs functioneert een leerlingenraad. De leerlingenraad houdt zich veelal bezig met het organiseren van activiteiten in de uitvoerende sfeer. Dat kan variëren van het verrichten van hand- en spandiensten tot aan het verlenen van leerhulp tijdens de lessen, of het organiseren van sportdagen.
In de WMS zijn geen bepalingen over de leerlingenraad. Men kan er voor kiezen om de leerlingenraad een klankbord te laten zijn voor de leerlingengeleding van de MR. In het medezeggenschapsreglement dient te worden aangeven hoe alle bij de school betrokkenen (waaronder leerlingen) worden betrokken bij de werkzaamheden van de MR (artikel 24 lid 1 sub i WMS). Overigens had de leerlingenraad in de WMO ook al geen juridische positie.

Leerlingenstatuut

Een leerlingenstatuut is het geheel van regels, dat de rechtspositie van een leerling op een VO-school bepaalt. Het geeft de rechten en de plichten van de leerling weer en – mutatis mutandis – ook de rechten en plichten van andere leden van de schoolgemeenschap jegens de leerling. Sedert 1993 is het opstellen van een leerlingenstatuut wettelijk verplicht.
De leerling-/oudergeleding van de MR heeft instemmingsbevoegdheid bij de vaststelling of wijziging van een dergelijk statuut (artikel 14, lid 3 sub b WMS).
Het opstellen van een leerlingenstatuut heeft als doel het voorkomen van problemen, een antwoord te geven op voorkomende vragen, een oplossing te bieden voor problemen en het uitsluiten van willekeur. Het leerlingenstatuut wordt veelal op voorstel van de leerlingenraad, in overleg met het managementteam, opgesteld door het bevoegd gezag en vervolgens aan de leerlinggeleding van de medezeggenschapsraad ter instemming voorgelegd. Nadat de leerlinggeleding heeft ingestemd met het leerlingenstatuut, wordt het door het bevoegd gezag vastgesteld.

Leerplan

Het leerplan omvat de omschrijving van de concrete onderwijsdoelstellingen en een systematische beschrijving van de onderwijsactiviteiten, de leerstof en de onderwijsleermiddelen die worden gebruikt om deze doelstellingen te bereiken, en de wijze waarop de evaluatie plaatsvindt. De MR heeft instemmingsbevoegdheid bij de vaststelling of wijziging van het schoolplan dan wel het leerplan of de onderwijs- en examenregeling en het zorgplan (artikel 10, onderdeel b, WMS).

Leerplichtwet

Leerplichtwet 1969
Legitimering

Wettelijke en sociaal-politieke acceptatie.

Leiderschap

Het proces van beïnvloeding van de activiteiten van een individu of groep bij het streven naar het bereiken van een doel in een gegeven situatie.
Als kwaliteitscriteria voor leiderschap gelden met name:
– een school is goed in staat antwoord te geven op de verwachtingen van de omgeving (met name de ouders), kan binding en betrokkenheid van leraren realiseren;
– de leider brengt coördinatie van de onderdelen van de organisatie tot stand en werkt doelgericht (stelt doeleinden en werkt systematisch in de richting van deze doelen).

Leidinggeven (in enge zin)

Het beïnvloeden van het gedrag van de medewerkers binnen de schoolorganisatie, opdat de doeleinden van de organisatie zo goed mogelijk worden bereikt.
Een succesvolle leider is iemand die in staat is om de oorspronkelijke vitaliteit, scheppingskracht en zelfsturing in de medewerkers te faciliteren. Dit vraagt van de leider tal van vaardigheden:
– belangstelling en respect voor mensen;
– communicatieve vaardigheden, tact en diplomatie;
– visieontwikkeling;
– coachingvaardigheden;
– maar ook rust en ruimte tot bezinning op zichzelf, zijn/haar functie en zijn/haar functioneren en wat dat zoal betekent voor zijn/haar grondhouding en persoonlijke ontwikkeling.

Leidinggeven (in ruime zin)

Het vervullen van een voortrekkersrol of van een andere bijzondere positie bij:
– het ontwikkelen en in stand houden van de schoolorganisatie;
– het bedenken en uitzetten van plannen en strategieën;
– het omzetten van beslissingen in dagelijkse actie.

Lenen

Wanneer er te weinig geld beschikbaar is om een bepaalde droom te verwezenlijken of om iets wat hard nodig is te kunnen aanschaffen, is lenen een oplossing. De meest voorkomende leenvormen zijn lenen op onderpand, persoonlijke lening, doorlopend krediet, koop op afbetaling, huurkoop en lease.
Lenen op onderpand is vaak voordeliger dan andere leenvormen, omdat er meer zekerheid is voor de geldschieter. Aangezien de lener een onderpand ‘achterlaat’ zal deze vrijwel zeker zijn of haar lening terugbetalen. Er zijn verschillende soorten van lenen op onderpand, zoals de hypotheek, effecten en levensverzekeringen.
Bij de persoonlijke lening maakt men gebruik van een aflopend krediet. Het verschil tussen een persoonlijke en doorlopende rekening is dan ook dat bij een doorlopende rekening men de afgeloste bedragen opnieuw kan opnemen, terwijl dat bij een persoonlijke rekening niet het geval is.
Onder koop op afbetaling zijn alle koopovereenkomsten te verstaan die in termijnen afbetaald worden. Huurkoop is een speciale vorm van koop op afbetaling, waarbij het product pas eigendom van de betaler is, wanneer het gehele bedrag is afbetaald.
Bij het leasen van goederen wordt het product voor een bepaalde periode tot beschikking gesteld aan de zogeheten ‘lessee’. Deze betaalt voor het leasen een vaste vergoeding. Er zijn drie hoofdvormen: operational lease, financial lease en sale and lease back. Operational leasen lijkt veel op huren en de overeenkomst kan makkelijk opgezegd worden. Financial leasen lijkt veel op huurkoop. De looptijd van de lease-overeenkomst is over het algemeen gelijk aan de economische levensduur van het goed. Het verschil met sale en leaseback is dat de lessee eerst eigenaar was van de geleasede zaken.
Het allergrootste nadeel van lenen is dat men het geleende goed weer terug moet betalen

Leren

Leren is een sociaal proces en valt samen met de taal, de waarden, opvattingen en gebruiken in de groep of de samenleving waarvan men deel uitmaakt. Leren is ingebed in het handelen en de sociale relaties. Opvattingen over de pedagogische relatie tussen leraar en leerling zijn terug te voeren op drie onderliggende onderwijsideologieën, namelijk: een leerstofgerichte ideologie (overdrachtsmodel), een leerlinggerichte ideologie (cognitief-lerenmodel) en een ideologie van een gemeenschap van lerenden (interactie-lerenmodel). In een leerstofgerichte school staat de leerstof centraal en de docent stuurt het leerstofproces, terwijl in een leerlinggerichte school van de leerling een meer actieve houding word verwacht en een grotere mate van zelfstandigheid in het leren. Binnen een gemeenschap van lerenden worden leerlingen gezien als personen die actief zelf in interactie met elkaar kennis construeren in gevarieerde arrangementen en met een variëteit aan (zelf)sturingsmogelijkheden naar inhoud, vorm en tijdstip.

Lerende schoolorganisatie

Een lerende schoolorganisatie is een organisatie die zich voortdurend en in hoog tempo
nieuwe kennis, inzichten en bekwaamheden eigen maakt voor de verbetering en vernieuwing
van het onderwijsaanbod. Een lerende organisatie besteedt voortdurend aandacht
aan het faciliteiten van leerprocessen van al haar medewerkers en de uitkomst van deze
leerprocessen benut om haar producten of diensten te verbeteren of vernieuwen.

Lesrooster

Het begrip ‘lesrooster’ staat vermeld in artikel 11, onderdeel a waar sprake is van adviesbevoegdheid van de gehele MR. Dit onderdeel is alleen van toepassing voor het voortgezet onderwijs. In het primair onderwijs maakt het lesrooster deel uit van de aangelegenheid schoolplan (artikel 10, onderdeel b WMS) en het is daarmee onderhevig aan het instemmingsrecht van de MR.
In het lesrooster wordt de tijdsindeling voor de leerlingen of studenten vastgelegd: het bevat onder andere het aantal lesuren per dag. Hoewel daarmee ook een belangrijk deel van de taak van de docent of de groepsleerkracht wordt ingevuld, mag dit begrip niet verward worden met begrippen als dienstrooster, waarmee de taakverdeling van de werknemers wordt ingevuld.

Levensloopregeling

Met ingang van 1 januari 2006 dient iedere werknemer in staat te worden gesteld te sparen voor een levensloopverloftegoed. Dit tegoed kan worden aangewend voor de financiering van perioden van extra verlof. De eigen bijdrage aan de levensloopregeling dient te worden ingehouden op het bruto loon en bedraagt maximaal 12% van het bruto loon. In een kalenderjaar mag niet meer worden gespaard indien het levenslooptegoed (inclusief rendement) 210% of meer bedraagt van het bruto loon in het voorafgaande kalenderjaar. Een levensloopregeling kan worden uitgevoerd door een bank, verzekeraar of een beleggingsinstelling.

LGF

Leerling gebonden financiering.
Leerlinggebonden financiering (lgf), ook wel ‘rugzak’, is extra geld dat een school krijgt voor leerlingen met een handicap, ziekte, ernstige gedragstoornis of psychisch probleem. Met de komst van Passend Onderwijs worden de rugzakmiddelen niet meer overgemaakt aan de school, maar aan het samenwerkingsverband.

Lijstenstelsel

Er zijn verschillende manieren om personen in een vertegenwoordigend overleg te kiezen. De meest voorkomende systemen zijn het lijstenstelsel en het personenstelsel. Bij een lijstenstelsel bepaalt een min of meer vast omlijnde groepering, dat er een kandidatenlijst wordt opgesteld, wie op deze kandidatenlijst komt te staan en of deze kandidaten zich op een bepaalde wijze dienen te profileren; de kiezer brengt een stem uit op de lijst. De stem valt toe aan die lijst en in principe aan de kandidaat die als eerste niet gekozen kandidaat bovenaan staat op de lijst.
Bij een personenstelsel worden zoveel stemmen uitgebracht op de kandidaten als er zetels zijn te verdelen. De personen met de meeste stemmen worden gekozen.

 LIO

 Leraar in opleiding

Liquidatie

Verrekening of afwikkeling van een transactie die is afgesloten (o.a. termijnmarkt). Opheffing van een zaak door deze liquide te maken, dat wil zeggen om te zetten in liquide middelen.

Liquide

Contant, opvorderbaar. In staat om direct aan betalings- en aflossingsverplichtingen te voldoen.

Liquide middelen

Betalingsmiddelen, zoals contant geld (kas) of giraal tegoed (banktegoed) die onder de activa op de balans staan. Bij de Externe Verslaggeving vallen de liquide middelen onder de vlottende activa.

Liquiditeit

Financieel kengetal dat aangeeft in welke mate de organisatie aan haar kortlopende verplichtingen kan voldoen.

 LOBO

 Landelijke Oudervereniging Bijzonder Onderwijs op algemene grondslag

LOM

Leer- en opvoedingsmoeilijkheden
Londo

In 1976 werd Gerard Londo aangezocht als voorzitter van een landelijke commissie die orde moest scheppen op onderwijs-financieel gebied. Deze Commissie-Londo is een begrip geworden. Nog elk jaar verschijnt de Londo-jaargids, over personele en materiële vraagstukken ten behoeve van het schoolmanagement in het primair onderwijs.
Met Londo-bekostiging wordt de materiële bekostiging van de school bedoeld.

Loon

Is de beloning voor de productiefactor arbeid.

Lpw

Leerplichtwet
Lumpsum

Het begrip lumpsum houdt in dat het bestuur voor al zijn scholen een geldbedrag krijgt en waaruit alle kosten van het bestuur, personeel, gebouw, inrichting en onderwijs betaald moeten worden.

 Lumpsum financiering

 Bekostiging van scholen op basis van één totaalbedrag

Luxe verzuim

ongeoorloofde afwezigheid (door ouders veroorzaakt) doordat de leerplichtige buiten de schoolvakanties om op vakantie (met de ouders) gaat

LVLA

Landelijke Vereniging van Leerplichtambtenaren, thans Ingrado
Maatwerk medezeggenschap

Scholen kunnen sinds de invoering van de WMS op initiatief van de (G)MR de medezeggenschap inrichten op basis van lokale behoeften, wensen, ambities en mogelijkheden binnen de door de wetgever gestelde kaders. Concreet gaat het om het instellen van mogelijke varianten zoals: de themaraad, deelraad, groepsmedezeggenschapsraad en bovenbestuurlijke medezeggenschapsraad. De wetgever heeft ervoor gekozen af te zien van veel aanvullende inrichtingsvoorschriften voor deze organen.

Macht

De mogelijkheid van personen of groepen om de gevoelens, opvattingen en gedragingen van andere personen of groepen te beïnvloeden. Het is de feitelijke capaciteit van MR-leden of de gehele MR om in de school bepaalde doeleinden te bereiken.

Mainstreamscholen

Mainstreamscholen zijn scholen met een traditioneel klassikaal onderwijsaanbod.

Management

De onderscheiden betekenissen van management: management als de activiteit van het nemen van beslissingen, inclusief het nemen van de ter uitvoering daarvan benodigde stappen. Management als team: al degenen tezamen die de bovengenoemde beslissingen nemen.

Management Control

Bij Management Control gaat het om meer dan controleren alleen. In feite gaat het erom economische processen te beheersen, dus te zorgen dat ze tot het beoogde resultaat leiden. De activiteiten die behoren tot control omvatten: planning van activiteiten, communicatie naar en informatie van de betrokkenen, motivering van de medewerkers om de taken succesvol uit te voeren, vormgeven van de verantwoordelijkheidsstructuur, coördinatie van de verschillende afdelingen, evaluatie van de economische processen, besluitvorming over acties om al dan niet in te grijpen, beïnvloeding van de personen om gedrag te veranderen en bijstelling van de planning voor de volgende periode.

Managementstatuut

In het managementstatuut, worden de bestuurlijke verhoudingen, rollen, taken en bevoegdheden helder aangegeven. Het managementstatuut regelt op de eerste plaats de bevoegdheden van de directeur (en bovenschools management) met betrekking tot de toedeling, bestemming en aanwending van de bekostiging. Op de tweede plaats geeft het managementstatuut het mandaat weer van de overige bestuurlijke taken en bevoegdheden dat het bevoegd gezag aan respectievelijk de directeur en het bovenschools management toekent.

Manager

Een lid van het managementteam met aandacht voor de meer zakelijke, bedrijfsmatige leiding van de school.

Mandaat

De term ‘mandaat’ wordt gebruikt om aan te geven dat bepaalde organen of functionarissen taken en bevoegdheden hebben overgedragen aan andere, ‘lagere’ organen of personen. Zo kan een schoolbestuur het voorbereiden van een bepaalde beleidsvorming of het nemen van een besluit opdragen aan een directie. Het kan daarbij ook voorwaarden stellen. Impliciet houdt een mandaat altijd in, dat deze opdracht (desnoods eenzijdig) kan worden teruggenomen.

Mandateren

Mandateren is het overdragen van een taak inclusief de verantwoordelijkheid deze taak goed uit te voeren. In het geval van een mandaat met een budget moet de budgethouder de taak uitvoeren binnen het budget.

Marginale toetsing

De wet schrijft het criterium voor dat een geschillencommissie moet hanteren bij de beoordeling van een geschil. Bij een instemmingsgeschil en een geschil over het reglement moet de commissie oordelen of het bevoegd gezag bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen. Deze redelijkheidstoetsing wordt ook wel marginale toetsing genoemd. De inhoud van het geschil wordt beoordeeld: acht de geschillencommissie de gemaakte afweging onredelijk dan mag het bevoegd gezag het voorgenomen besluit niet in een definitief besluit omzetten.

Markt

Alle vragers naar een product; het geheel van vraag en aanbod. De plaats waar kopers en verkopers samen komen.

Marktwaarde

Waarde van een beleggingsobject als het op dit moment zou worden verkocht.

Materiële vaste activa

Bezittingen van een organisatie, zoals gebouwen, terreinen, meubilair, ict, leermiddelen, apparaten die langer dan een jaar meegaan. Het vermogen dat nodig is voor de aanschaf van materiële vaste activa ligt langer dan een jaar vast.

Mavo

Middelbaar algemeen vormend onderwijs

 Mbo

 Middelbaar beroepsonderwijs

Medezeggenschap

Alle formele mogelijkheden die ouders, leerlingen en personeel ter beschikking staan om invloed uit te oefenen op het beleid van het bestuur/de directie van de desbetreffende school.

Medezeggenschapsbereidheid

Onder medezeggenschapsbereidheid is te verstaan de mate waarin betrokkenen bereid zijn het proces van medezeggenschap gezamenlijk aan te gaan. Voor succesvolle veranderingen van de medezeggenschap in het onderwijs zijn betrokkenheid en draagvlak nodig. Scholen in het VO bieden leerlingen via de MR doorgaans mogelijkheden tot actieve betrokkenheid bij de besluitvorming ten aanzien van hun eigen leefomgeving op school: lessen, leerstof, rooster en leeromstandigheden. Van leerlingen wordt op scholen in toenemende mate verwacht dat zij actief en zelfstandig leren en een bijdrage leveren aan de school als gemeenschap.

Medezeggenschapscultuur

De wijze waarop bestuur/directie, vertegenwoordigers van personeel en ouders/leerlingen op school met elkaar omgaan in het in het kader van de medezeggenschap. Cultuur is zichtbaar in denken en handelen van mensen. De ongeschreven regels, de wijze van omgaan met elkaar staat niet meer ter discussie: ‘Zo doen we dat bij ons op school met medezeggenschap’, of: ‘Neen, zo doe je dat niet, wij zijn dat zo niet gewend’. Willen (G)MR- leden een cultuur veranderen dan moet er invloed worden uitgeoefend op het gedrag van bestuur/directie en andere betrokkenen. Sturen op gedrag kan op vele manieren: complimenten geven, coachen, stimuleren, corrigeren, confronteren. Kortom ruimte geven en eisen stellen.

Medezeggenschapscursus

Een reeks van bijscholingsactiviteiten die elkaar volgens een zeker plan opvolgen en een afgesloten geheel vormen. Vaak wordt het woord cursus ook voor eenmalige bijscholingsactiviteiten gebruikt. Om als (G)MR goed te gaan functioneren is het volgen van een scholingscursus noodzakelijk. Het is nogal lastig een prijs- kwaliteitsvergelijking te maken tussen de organisaties die cursussen aanbieden, omdat het nogal eens onduidelijk is wat het aanbod precies inhoudt.
Er zijn grofweg drie soorten medezeggenschapscursussen: standaardcursussen (inhoud, doelgroep, plaats en tijd zijn reeds vastgesteld); maatwerkcursussen (leerprogramma’s zijn geheel in overeenstemming met de wensen van de opdrachtgever) en cursussen met een open inschrijving (de minimumgrens voor het doorgaan van de cursus is afhankelijk van het aantal deelnemers dat zich aanmeldt).

Medezeggenschapsorganen

De WMS maakt verschillende medezeggenschapsorganen mogelijk (artikel 20 WMS). Deze moeten vermeld staan in het statuut. De volgende organen kunnen worden opgenomen in het statuut: gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, medezeggenschapsraad, themaraad, deelraad, groepsdeelraad en bovenbestuurlijke medezeggenschapsraad.

Medezeggenschapsraad

Aan de school is een medezeggenschapsraad verbonden (artikel 3 WMS). Deze raad wordt rechtstreeks door en uit de ouders, leerlingen (VO) en het personeel gekozen volgens de bepalingen van het reglement. In de MR zitten vertegenwoordigers van groepen die bij de school zijn betrokken. In het basisonderwijs en speciaal basisonderwijs zijn dit vertegenwoordigers van personeel en ouders. De ouder- en de personeelsgeleding zijn even groot. In het voortgezet onderwijs maken leerlingen ook deel uit van de MR. Zij vormen samen met de ouders een geleding. Binnen die geleding is het aantal ouders en leerlingen in principe gelijk (artikel 3, lid 4 WMS).
De WMS schrijft alleen het minimumaantal leden van de MR voor: vier. De keuze van het aantal leden kan worden afgestemd op het aantal leerlingen en het aantal leden uit oogpunt van efficiëntie. Er moet wel sprake zijn van een even aantal leden: het aantal personeelsleden dient gelijk te zijn aan het aantal ouders. Een MR verbonden aan een centrale dienst of een regionaal expertisecentrum bestaat alleen uit personeelsleden (artikel 3, lid 5 WMS). Een centrale dienst bestaat uit ten minste twee leden (artikel 3, lid 1 WMS). Er zijn scholen voor speciaal onderwijs/speciaal voortgezet onderwijs die verbonden zijn aan een expertisecentrum. Op deze scholen zijn personeelsleden en ouders in de MR en de GMR vertegenwoordigd. De leden van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad worden gekozen door de leden van de desbetreffende afzonderlijke medezeggenschapsraden en wel zo dat het aantal leden, gekozen uit personeel onderscheidenlijk uit ouders of leerlingen, elk de helft van het aantal leden van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad bedraagt (artikel 4, lid 3 WMS).

Medezeggenschapsreglement

Elke (G)MR dient een eigen reglement te hebben. Het bevoegd gezag stelt een medezeggenschapsreglement vast voor de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad voor zover het voorstel de instemming van twee derde van het aantal leden van de medezeggenschapsraad onderscheidenlijk van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad heeft verworven. In het reglement wordt in ieder geval geregeld (artikel 23 WMS): het aantal leden van de medezeggenschapsraad; de aantallen ouders en leerlingen (voortgezet onderwijs) die zitting nemen in de raad; de wijze en organisatie van de verkiezingen van de leden van de medezeggenschapsraad; de zittingsduur van de leden van de medezeggenschapsraad; wie als gesprekspartner van de MR optreedt van de schoolleiding/bevoegd gezag; wijze waarop het bevoegd gezag informatie verschaft aan de medezeggenschapsraad; de termijnen binnen welke tot instemming of onthouding van instemming dient te worden besloten; de termijnen binnen welke advies dient te worden uitgebracht (indien ook van toepassing als bevoegdheden zijn overgedragen aan themaraden en/of deelraden); in welke gevallen en op welke wijze de medezeggenschapsraad alle bij de school betrokkenen betrekt bij de werkzaamheden van de medezeggenschapsraad; in welke gevallen geheimhouding wordt betracht; de procedure voor de beslechting van die geschillen tussen het bevoegd gezag en de medezeggenschapsraad waarvoor deze wet niet in een geschillenregeling voorziet.

Medezeggenschapsreglement (geschil)

Bij een geschil over het medezeggenschapsreglement beoordeelt de geschillencommissie of het bevoegd gezag bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen.
Het bevoegd gezag of de medezeggenschapsraad, de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, de deelraad, de groepsmedezeggenschapsraad of de themaraad kan aan de geschillencommissie een geschil voorleggen over de inhoud van het medezeggenschapsreglement van de desbetreffende raad voor zover aangegeven in artikel 24, eerste, derde en vierde lid van de WMS indien het bevoegd gezag hiervoor de vereiste instemming van de raad geheel of ten dele niet heeft verworven.

Medezeggenschapsstatuut

De ruimte die de WMS geeft op het punt van de toedeling van bevoegdheden en de inrichting van de medezeggenschapsstructuur, maakt het noodzakelijk dat het voor alle betrokkenen inzichtelijk is welke keuzes zijn gemaakt. Daartoe heeft de WMS het instrument van het medezeggenschapsstatuut geïntroduceerd. Elk schoolbestuur stelt een medezeggenschapsstatuut op waarin wordt vastgelegd hoe de ‘kaart van medezeggenschapsorganen’ bij het schoolbestuur eruit ziet. In het statuut wordt beschreven welke medezeggenschapsorganen er zijn en wat hun bevoegdheden zijn; deze bevoegdheden zelf zijn verankerd in het reglement van het desbetreffende orgaan. De bevoegdheden zijn met andere woorden in regulerende zin vervat in het reglement van het medezeggenschapsorgaan; in informatieve zin worden ze ook opgenomen in het medezeggenschapsstatuut. De kaart van medezeggenschapsorganen zoals opgenomen in het statuut toont in feite het organogram van medezeggenschapsorganen en beschrijft deze op een voor een ieder inzichtelijke wijze. De GMR heeft instemmingsrecht over het medezeggenschapsstatuut. Bij eenpitters heeft de MR dat. Het bevoegd gezag legt formeel een voorstel voor het reglement en het statuut ter instemming voor aan de medezeggenschapsraden (artikel 21 lid 2 en artikel 23, onder c WMS).

Medezeggenschapsstatuut (geschil)

Bij een geschil over het medezeggenschapsstatuut beoordeelt de geschillencommissie of het bevoegd gezag bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen.
Het bevoegd gezag of de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, of bij het ontbreken daarvan de medezeggenschapsraad, kan aan de geschillencommissie een geschil voorleggen over de inhoud van het medezeggenschapsstatuut voor zover aangegeven in artikel 22 van de WMS indien het bevoegd gezag hiervoor geheel of gedeeltelijk niet de vereiste instemming van de (G)MR heeft verworven.

Medezeggenschapsstrategie

Onder de medezeggenschapsstrategie van de (G)MR kan worden verstaan de gehanteerde methoden en middelen om de gestelde doelstellingen van de medezeggenschapsraden te realiseren. De aanpak kan erop gericht zijn om stap voor stap of juist met spoed de gewenste doelen te realiseren. Inspraakorganen kunnen kiezen uit een veelheid van aanpakken: een formele of informele aanpak, meningen peilen bij de achterban, bondgenoten zoeken, als geleding apart vergaderen, stimuleren van onderling overleg en als een klankbord van de directie opstellen.
Factoren die een bijdrage (kunnen) leveren aan het optimaliseren van de medezeggenschap: gezamenlijke uitgangspunten ontwikkelen, elkaar aanspreken op afspraken, de gekozen aanpak verantwoorden naar alle betrokkenen (‘governance’), periodiek klachten inventariseren en er iets mee doen.

Medezeggenschapsstructuur

De mate waarin voor betrokkenen bij de medezeggenschap afspraken, procedures, overlegstructuren en verantwoordelijkheden duidelijk zijn. De ruimte die de WMS geeft op het punt van de toedeling van bevoegdheden en de inrichting van de medezeggenschapsstructuur, maakt het noodzakelijk dat het voor alle betrokkenen inzichtelijk is welke keuzes zijn gemaakt. Daartoe heeft de WMS het instrument van het medezeggenschapsstatuut geïntroduceerd. Elk schoolbestuur stelt een medezeggenschapsstatuut op waarin wordt vastgelegd hoe de ‘kaart van medezeggenschapsorganen’ bij het schoolbestuur eruit ziet. De GMR heeft instemmingsrecht over het medezeggenschapsstatuut. Bij besturen met een school onder hun gezag – eenpitters – heeft de MR dat.

Medezeggenschapsvaardigheid

De vaardigheid waarmee de betrokkenen met elkaar omgaan in het kader van de medezeggenschap. Het gaat daarbij vooral om de wijze waarop men omgaat met tegengestelde belangen, vertrouwenskwesties, conflicten en zaken die emotioneel liggen. Belangrijk is dat MR-leden nadenken over de essentie van hun werk en hoe ze met elkaar willen omgaan en elkaar daarop aanspreken (bijvoorbeeld afspraken nakomen, niet wegblijven zonder af te zeggen).

Mediation

Bij mediation gaat het om de oplossing van een geschil door partijen zelf, onder leiding van een onafhankelijke derde. Mediation kan dienen ter vervanging van de behandeling door de commissie als de partijen bij willen dragen aan een snelle oplossing van hun conflict. Mediation is dan te verkiezen boven een procedure (actieve rol van partijen, goedkoper, sneller, win-win, er zijn geen verliezers). Mediation kan ieder geval bijdragen aan het scheppen van een ‘werkbare sfeer’.

Middelen

Goederen en diensten.

MIP

Meerjareninvesteringsplan
Op het meerjareninvesteringsplan staan alle geplande investeringen onderwijsleerpakket, meubilair, ict en inventaris voor de komende jaren. Op basis van de MIP vindt de afschrijving plaats.

Missie

De specifieke doelen (onderwijsvisie, centrale waarden, scholingsconcept) van een school die in relaties staan tot overtuigingen, attitudes en activiteiten. Een missie van school kan bijvoorbeeld zijn: een veilige school waar iedereen elkaar helpt. Op een dergelijke school is het ideaal dat leerlingen en docenten zich veilig voelen en men het in ieders belang vindt dat er wordt samengewerkt.
De interne functie van de missie: het bieden van een kader waarbinnen essentiële beslissingen over het onderwijs genomen kunnen worden. De externe functie is vooral van belang om cliënten (leerlingen ouders), toeleverende scholen, afnemers (vervolgopleidingen, bedrijven, instellingen, arbeidsmarkt), de overheid en de inspectie een duidelijk beeld te geven van waar de onderwijsinstelling voor staat. De missie is dan ook een belangrijk instrument bij het profileren van een onderwijsinstelling. Het management en de MR moeten ervoor zorgen dat de missie van de school regelmatig aan de orde komt; enerzijds om ontwikkelingen (of het uitblijven daarvan) in de school te toetsen aan de missie, anderzijds om na te gaan of de missie nog steeds geldt en gedragen wordt, dan wel bijstelling behoeft. Missieformulering kan uiteraard ook een instrument zijn om ontwikkelingen op school in gang te zetten.

MLK

Moeilijk lerende kinderen

m.nt.

Met noot
MOP

Meerjarenonderhoudsplan
Het Meerjarenonderhoudsplan wordt gezien als een voorwaarde om te komen tot beheersing van de onderhoudskosten, omdat de planning inzicht geeft in de kosten op korte en lange termijn. Hierdoor kan men het te voeren onderhoudsbeleid op de toekomstige onderhoudskosten afstemmen. Jaarlijks vindt een dotatie plaats aan de voorziening onderhoud.

Motiveringsbeginsel

Het motiveringsbeginsel is een van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hiermee wordt het volgende bedoeld: een beleidsorgaan moet zijn beslissing motiveren, het moet een deugdelijke motivering zijn, de motivering moet de beslissing ook dragen en de motivering moet berusten op feitelijk juiste gegevens of veronderstellingen. De motivering wordt door de geschillencommissie op grond van de wet expliciet getoetst in adviesgeschillen.

MR Medezeggenschapsraad

 MR-reglement

 Medezeggenschapsreglement

MT Managementteam

 MvT

 Memorie van toelichting

Naamloze Vennootschap (NV)

Juridische rechtsvorm die eigen rechtspersoonlijkheidheeft en waarvan het eigen vermogen is opgebouwd uit aandelen die in handen zijn van de vennoten (daarom heten die aandeelhouders). De aandeelhouders kunnen voor niet meer dan hun aandeel in het eigen vermogen van de vennootschap aansprakelijk gesteld worden voor de financiële verplichtingen van de onderneming. De aandelen van een NV zijn gestandaardiseerd in omvang en gesteld aan ‘toonder’ (dus degene die ze tonen kan, wordt als aandeelhouder aangemerkt). Zodoende zijn zij vrij verhandelbaar op de effectenbeurs. Dit in tegenstelling tot de BV waar de aandelen op naam staan, zodat ze niet vrij verhandelbaar zijn.

Nadere geschillen

Geschillen over bepaalde aangelegenheden waarvoor de WMS niet in een geschillenregeling voorziet. Het staat de geschillencommissie vrij om ook deze ‘andere’ geschillen, dan de in de wet uitdrukkelijk genoemde geschillen, te beslechten.

Netto-omzet

Omzet exclusief BTW en na aftrek van eventuele kortingen.

Netwerk

Een netwerk is te omschrijven als een groep mensen die een zeker belang hebben en zich op vrijwillige basis met elkaar verbinden. Iedereen heeft een netwerk van familie, vrienden, buren en collega’s. Onder netwerken wordt veelal verstaan het (doelbewust) leggen en onderhouden van contacten die je verder kunnen helpen in je werk, je carrière en je privé - leven. Het principe van netwerken is geven en nemen van informatie: voor wat, hoort wat. Bij netwerken moet duidelijk zijn dat je naar bepaalde informatie op zoek bent, dat je niet van je gesprekspartner verwacht dat hij al die informatie voor je heeft of voor je weet. Je wilt immers contact maken, niet bedreigend zijn, enthousiasmeren en iemand laten meedenken.

Nevenvestiging

Permanente dislocatie van een school met huisvestings- en bekostigingsaanspraken.

NJ

Nederlandse Jurisprudentie

NKO

 Nederlandse katholieke vereniging van ouders

Nominale rente

Rente waarbij geen rekening is gehouden met het prijspeil.

Nominale waarde

Waarde die op een aandeel of obligatie staat vermeld. Het is het bedrag waarvoor deze stukken in de boekhouding van de onderneming zijn opgenomen.

Non-directief leiderschap Uitoefenen van leiderschap kan grofweg op twee manieren: directief en non-directief. Bij directief denkt men meestal aan richtlijnen geven die vervolgens als dan niet bespreekbaar zijn. Non-directief slaat meestal op: de inhoudelijke uitkomst zo vergaande mogelijk overlaten aan de groepsleden. Een non-directieve houding van de directie betekent voor de MR dat men mede gedwongen wordt tot het voor hun rekening nemen van de uitkomsten van het overleg.
Notulen

Met notulen worden meestal bedoeld de uitgebreide weergave van het besprokene tijdens een vergadering. Niet alleen de besluiten zijn daarin terug te vinden, maar ook met name de motiveringen en de gevoerde discussies. Notulen kunnen daarom goed dienst doen als geheugensteuntje voor deelnemers of als een richtlijn voor te ondernemen acties.
Een verslag bevat meer een samenvatting van het besprokene en een vermelding van het uiteindelijke besluit. Een verslag is daarom meer geschikt voor een algemene verspreiding in tegenstelling tot notulen, die een meer intern karakter hebben.

 NT1

 Nederlands als moedertaal

 NT2

 Nederlands als tweede taal

NTOR

Nederlands Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid

NVOR

Nederlandse Vereniging voor Onderwijsrecht

Oalt

Onderwijs in allochtone levende talen

OBD

Onderwijs begeleidingsdienst

Obligatie

Bewijs van deelname aan een langlopende lening (met een vaste looptijd en vaste rente).

Obligaties

Certificaten die aangeven werk bedrag geleend is aan een onderneming. Deze certificaten zijn overdraagbaar zodat degene die het geld heeft uitgeleend aan een onderneming de stukken kan verkopen aan derden. Op het certificaat staat het interestpercentage vermeld en de wijze van aflossen van de lening.

OBP Onderwijsondersteunend en beheerpersoneel
Octrooi

Een recht dat door de overheid is toegekend aan een natuurlijk persoon of een rechtspersoon is toegekend om met uitsluiting van andere personen of rechtspersonen een artikel te maken of te verkopen.

 OCW

 Ministerie van onderwijs, cultuur en wetenschap

Omzetting (karakterverandering) van de school

Van omzetting is sprake wanneer een openbare school een bijzondere school wordt of omgekeerd. In feite wordt de ene school opgeheven en gelijktijdig een nieuwe bijzondere of openbare school opgericht. Bij omzetting is altijd sprake van een principiële karakterverandering van de school. Aan de nieuwe school moet eerst weer een voorlopige medezeggenschapsraad worden gekozen, waarna een reglement dient te worden vastgesteld (paragraaf H van het Besluit medezeggenschap onderwijs).

Omzetting van bevoegdheden

Omzetting van bevoegdheden wil zeggen dat een instemmings- of adviesbevoegdheid wordt omgezet in respectievelijk een advies- of instemmingsbevoegdheid (artikel 24, lid 2 WMS). Deze flexibiliteit behoorde in de WMO ook tot de mogelijkheden.
Onderhandelende MR

Een onderhandelende MR is een typering voor een raad die graag over de schouder van de directie en bestuur meekijkt. Men probeert greep en invloed te krijgen op de keuzemomenten en beslissingsmomenten van directie/bestuur. Daar waar mogelijk zal de MR zijn initiatiefrecht gebruiken. De MR zal proberen in een zo vroeg mogelijk stadium van de besluitvorming zijn ideeën duidelijk te maken en profileert zich als ‘proactief en koploper’. Een onderhandelende MR heeft doorgaans veel deskundigheid in huis en heeft voor de directie/ het bestuur een meerwaarde. Zij kunnen als stevige ‘counterparts’ van de directie optreden, omdat ze intern goed georganiseerd zijn en een stevig netwerk hebben binnen en buiten de school. Directieleden zien deze MR, soms noodgedwongen, als krachtige vertegenwoordigers van personeel ouders en leerlingen. Aan de andere kant is men ook bereid de raad te betrekken bij de beleidsvorming in verband met draagvlak voor uitvoering van besluiten.

Ondersteunende werkzaamheden door ouders

In veel basisscholen verrichten ouders van de leerlingen ondersteunende werkzaamheden ten behoeve van de school. De ouders moeten de aanwijzingen van het schoolteam opvolgen, dat – samen met de directie – verantwoordelijk blijft voor de gang van zaken. Voor toepassing van de Arbeidsomstandighedenwet worden zij op de momenten dat zij die werkzaamheden verrichten gelijkgesteld met een werknemer. De school dient te zorgen voor een goede aansprakelijkheidsverzekering voor deze ouders.
De MR heeft instemmingsbevoegdheid met betrekking tot het verrichten door ouders van ondersteunende werkzaamheden ten behoeve van de school en het onderwijs (artikel 10, sub d WMS).

Onderwijs op maat

Onderwijs dat rekening houdt met de diversiteit in de leerlingenpopulatie wat betreft sekseverschillen en verschillen in achtergrond.

Onderwijskundig leiderschap

De rol van de directie bij het verbeteren, veranderen en vernieuwen van de kwaliteit van het onderwijs.

Ongedeelde medezeggenschap

Medezeggenschap vanuit een orgaan in een organisatie.

Onkosten

Onkosten zijn geen kosten, maar uitgaven. Het zijn uitgaven door werknemers of particulieren die in principe voor vergoeding in aanmerking komen. De werkgever of de organisatie die de vergoeding zou moeten geven toetst eerst of de uitgaven voldoen aan de regels die zij voor vergoeding hebben geformuleerd.

Onkostenvergoeding

Vergoeding door een werkgever of organisatie van uitgaven die werkelijk gedaan zijn door werknemers of particulieren. Vooraf vastgesteld bedrag ter compensatie van uitgaven die werknemers of particulieren later zullen gaan doen.

Ontheffing

In beginsel is aan elke school een medezeggenschapsraad verbonden. De minister kan tot 1 augustus 2009 (artikel 42 WMS) ontheffing van deze verplichting verlenen, maar uitsluitend op gronden die verband houden met godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging. Een ontheffing moet ten minste op tweederde meerderheid van personeel en ouders kunnen rekenen, en is in principe slechts vijf jaar geldig.

Ontpotting

Is geld ‘overhevelen’ van de inactieve kas naar de actieve kas. Of eenvoudiger gezegd: geld dat men in reserve heeft gehouden weer gaat besteden. Het gevolg is dat de omloopsnelheid van het geld toeneemt.

Ontslag

Beëindiging van het dienstverband met de werkgever anders dan door overlijden of pensionering, waardoor het deelnemerschap aan de pensioenregeling wordt beëindigd.

Onverenigbaarheden

Bepaalde functies zijn niet te verenigen bij de medezeggenschap. Personen die deel uitmaken van het bevoegd gezag kunnen geen zitting nemen in de medezeggenschapsraad. En een personeelslid dat is opgedragen om namens het bevoegd gezag op te treden in besprekingen met de medezeggenschapsraad kan niet tevens lid zijn van de medezeggenschapsraad.

 OOP

 Onderwijsondersteunend personeel

 OP

 Onderwijsgevend personeel

Openbaar onderwijs

Ingevolge artikel 23 van de Grondwet moet in elke gemeente voldoende openbaar onderwijs aanwezig zijn. Het onderwijs verzorgd aan openbare scholen moet worden geregeld bij wet.
Het openbaar onderwijs in het PO en het VO omvat alle scholen die van de overheid uitgaan, dat wil zeggen door de overheid (de gemeente) zijn opgericht en in stand worden gehouden. Openbare scholen worden bestuurd door de gemeente. Het personeel werkzaam op deze scholen is ambtenaar en heeft een aanstelling in openbare dienst.
Het gemeentebestuur kan zelf het bestuur van de school verzorgen (de integrale bestuursvorm), het besturen ervan overdragen aan een bestuurscommissie ex artikel 83 Gemeentewet, delen met een of meer andere gemeenten op grond van de Wet gemeenschappelijke regeling of overdragen aan een openbare rechtspersoon of een overheidsstichting.
Deze laatste regeling stelt verplicht dat het bestuur een bepaald aantal personen telt, die zijn benoemd op bindende voordracht van de ouders van de leerlingen die zijn ingeschreven op de betrokken school of scholen.
Openbare scholen zijn toegankelijk voor alle kinderen zonder onderscheid van godsdienst of levensbeschouwing.

Openbaarheid

Omdat de medezeggenschapsraad de wettelijke opdracht heeft openheid en onderling overleg te bevorderen, zal in het reglement doorgaans gekozen worden voor het principe dat de vergaderingen van de raad openbaar zijn. De medezeggenschapsraad kan echter besluiten om achter gesloten deuren te vergaderen. In het reglement kan worden aangegeven, dat de raad dit kan doen als er over individuen wordt gesproken of het karakter van onderwerp aanleiding vormt de zaak vertrouwelijk te behandelen.

Opheffingsnorm

De opheffingsnorm van basisscholen wordt per gemeente vastgesteld door de landelijke overheid. Deze norm is gebaseerd op het aantal inwoners per vierkante kilometer in een gemeente.

OR Ondernemingsraad of ouderraad
Organisatie

Onder de organisatie van een school of instelling kan worden verstaan al die afspraken en maatregelen die gemaakt zijn, respectievelijk genomen worden, om het onderwijs op school of instelling mogelijk te maken.

Organisatiecultuur

Gedeelde waarden, normen, verwachtingen en doeleinden binnen een organisatie.

Oriëntatiefase besluitvorming

Het begin van een besluitvormingsproces wordt gekenmerkt door een min of meer voorzichtige verkenning van het onderwerp: de oriëntatiefase. Men tast af welke informatie beschikbaar is en welke opvattingen de deelnemers er op na houden. Er heerst onzekerheid over wat een ‘passende’ mening zal blijken te zijn. Gaandeweg wordt duidelijk hoe de opvattingen verdeeld liggen en welke voorstellen de meeste bijval oogsten.

Ouderbijdrage (vrijwillig)

De ouderbijdrage is een vrijwillige bijdrage die wordt gevraagd van de ouders die een kind op de betreffende school hebben, en die in principe bedoeld is voor dat deel van de activiteiten van de school dat niet door de overheid wordt bekostigd. Deze vrijwillige bijdragen worden veelal besteed aan activiteiten die de leerling zelf kan ondernemen (bijvoorbeeld deelname aan toneelavonden) of aan de financiering van bijzondere uitgaven van de school (bijvoorbeeld het houden van dieren in of bij de school).
De school heeft geen verplichting om een ouderbijdrage te heffen of om de inning zelf ter hand te nemen. De ouders hebben terzake zelf het initiatief. Het ouderdeel van de MR heeft instemmingsbevoegdheid met betrekking tot de vaststelling of wijziging van de hoogte en van de bestemming van de ouderbijdragen (artikel 13, onder c en artikel 14, lid 1, onder c WMS). Tijdige afstemming tussen de oudergeleding van de MR en de eventuele op de school aanwezige ouderraad of een oudervereniging is noodzakelijk.

Ouderbijdrage primair onderwijs (verplicht)

De geldelijke ouderbijdrage kan verplicht zijn op een school voor primair onderwijs voor dat deel van de activiteiten van de school dat niet door de overheid wordt bekostigd. De beslissing over toelating en verwijdering van leerlingen berust bij het bevoegd gezag. De toelating mag niet afhankelijk worden gesteld van een geldelijke bijdrage van de ouders. Overeenkomsten waarbij ouders worden verplicht tot het betalen van een geldelijke bijdrage zijn nietig, behalve voor zover zij na de toelating van de leerling tot de school schriftelijk zijn aangegaan en in het desbetreffende schriftelijke stuk aan de ouders kenbaar is gemaakt dat het een vrijwillige bijdrage betreft waarvoor de overeenkomst niet behoeft te worden aangegaan, maar waarvoor geldt dat na de ondertekening wel een verplichting tot betaling van de overeengekomen bijdrage bestaat (artikel 40 WPO). De financiële bijdrage is alleen verplicht na ondertekening van de overeenkomst.
Overeenkomsten zijn ook ongelding, indien deze niet hebben voorzien in de vermelding dat de ouders de mogelijkheid hebben ervoor te kiezen om de overeenkomst slechts voor bepaalde voorzieningen aan te gaan en ten behoeve daarvan niet een specificatie voor de te onderscheiden voorzieningen in de overeenkomst is opgenomen. Zulke overeenkomsten zijn ook nietig indien geen reductie- en kwijtscheldingsregeling is opgenomen en de inhoud van die regeling niet in de overeenkomst is opgenomen. Een overeenkomst wordt telkens voor de periode van een schooljaar aangegaan.
Wie sluit nu de overeenkomst met de ouders? Indien sprake is van ouderraden met rechtspersoonlijkheid (een stichting of vereniging met eigen statuten en huishoudelijk reglement) wordt ervan uitgegaan dat de aan de school gerelateerde activiteiten (zoals feesten, vieringen, schoolkampen en schoolreisjes) onder verantwoordelijkheid van de ouderraad vallen. Wanneer dat het geval is, wordt in de overeenkomst het bestuur van de stichting ouderraad van de betreffende school genoemd.
Indien geen sprake is van een rechtspersoon wordt ervan uitgegaan dat de activiteiten onder verantwoordelijkheid van het schoolbestuur vallen. In die situatie moet het schoolbestuur de regels in de WMS in acht nemen, dat wil zeggen dat het vaststellen of wijzigen van de hoogte van de ouderbijdrage een instemmingsbevoegdheid is van het ouderdeel van de MR van de betreffende school Degene die de ouderbijdrage int, is partner bij de overeenkomst.
Ouders hebben de mogelijkheid te weigeren de overeenkomst te ondertekenen. Ouders kunnen er ook voor kiezen om voor bepaalde activiteiten wel te betalen. Ouders betalen dan vrijwillig voor activiteiten die buiten het lesprogramma vallen. En zij ondertekenen de overeenkomst eveneens vrijwillig. Het niet intekenen op een dienst of activiteit dan wel niet (tijdige) betaling van de daaraan verbonden kosten betekent echter dat de leerling van de desbetreffende dienst of activiteit wordt uitgesloten. Het is daarom van belang tijdig alle ouders te wijzen op de consequenties van het niet ondertekenen van een overeenkomst en het dientengevolge moeten uitsluiten van hun kind(eren) van de activiteiten.
Het ontwerp van de overeenkomst dient opgenomen te worden in de schoolgids. De ouders/leerlinggeleding van de MR heeft instemmingsbevoegdheid bij het vaststellen/wijzigen van de schoolgids. De personeelsgeleding wordt het voorstel ter kennisneming aangeboden. Hierbij verstrekt het bevoegd gezag onder meer de beweegredenen voor het voorstel (www.minoce.nl/onderwijs/ouderbijdrage).

Ouderlijk gezag

Ouderlijk gezag houdt in dat ouders de zorg dragen voor het levensonderhoud en de opvoeding/ vorming van het kind.

Ouderparticipatie

Actieve deelname van ouders aan activiteiten op school. Te onderscheiden in niet-geïnstitutionaliseerde vormen van ouderparticipatie (bijv. leveren van hand- en spandiensten) en geïnstitutionaliseerde vormen van ouderparticipatie (bijv. zitting hebben in de ouderraad, medezeggenschapsraad of het schoolbestuur). De doelen van ouderparticipatie hebben betrekking op het ouders een bijdrage laten leveren aan het reilen en zeilen van de school (organisatorisch doel) en de ouders mee te laten beslissen over het beleid van de school (democratisch doel; ook wel: politiek-maatschappelijk doel).

Ouderraad

Op de meeste scholen functioneert een ouderraad. Deze raad houdt zich veelal bezig met het organiseren van activiteiten in de uitvoerende sfeer. Dat kan variëren van het verrichten van hand- en spandiensten tot aan het verlenen van leerhulp tijdens de lessen, of het organiseren van sportdagen.
In de WMS zijn geen bepalingen over de ouderraad. Men kan er voor kiezen om de ouderraad of oudervereniging een klankbord te laten zijn voor de oudergeleding van de MR. In het medezeggenschapsreglement dient te worden aangeven hoe alle bij de school betrokkenen (waaronder ouders) worden betrokken bij de werkzaamheden van de MR (artikel 24 lid 1 sub i). Overigens had de ouderraad in de WMO ook al geen juridische positie.

Ouders

Onder ouders worden verstaan de ouders, voogden en verzorgers van leerlingen die aan de school zijn ingeschreven.

 OUDERS&COO

 Ouders&christelijk onderwijs en opvoeding

Ouderstatuut

Het ouderstatuut is een document waarin de rechten en plichten van de ouders en ook de rechten en plichten van andere leden van de schoolgemeenschap jegens de ouders zijn opgenomen. Het ouders-/leerlingendeel van de MR heeft instemmingsbevoegdheid bij de opstelling van het ouderstatuut (artikel 13, sub e en artikel 14, lid 1, sub e, WMS).

OVB Onderwijsvoorrangsbeleid
Overblijven/tussenschoolse opvang

De Wet op het basisonderwijs (artikel 28) bepaalt dat het bevoegd gezag de leerlingen in de gelegenheid stelt onder toezicht de middagpauze op school door te brengen. Op de overgrote meerderheid van de scholen blijven leerlingen tussen de middag over.
Het ouders-/leerlingendeel van de medezeggenschapsraad heeft instemmingsbevoegdheid met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het overblijven/de tussenschoolse opvang (artikel 13, onderdeel f, WMS).

Overdragen van bevoegdheden

De bevoegdheden die in de WMS zijn opgenomen, vormen de basis voor (G)MR en schoolbestuur bij de inrichting van medezeggenschap. Het overdragen van bevoegdheden van de ene geleding naar de (G)MR als geheel kan alleen maar door de geleding zelf die op grond van de wet deze bevoegdheid heeft; het kan dus niet door anderen worden geregeld. Als een geleding het initiatief neemt tot het overdragen van haar bevoegdheden aan de (G)MR als geheel, moet dit voorstel door ten minste twee derden van het aantal (G)MR-leden worden ondersteund. Ook het schoolbestuur moet er vervolgens mee instemmen. De overdracht heeft ook een geldigheidsduur van maximaal twee jaar (art. 24, lid 2 WMS).

Overhevelen

Overhevelen wil zeggen dat een schoolbestuur formatierekeneenheden overdraagt aan een andere, al dan niet onder hetzelfde bevoegd gezag staande school, bijvoorbeeld als die laatste school met een tekort dreigt te komen, terwijl al zeker is, dat deze school in de nabije toekomst een fusie aangaat met een ‘eigen’ school (artikel 8, lid 1, onderdeel j WMO).

Overleg

De waarde van het overleg tussen bestuurder en medezeggenschapsraad schuilt in de uitnodiging richting de direct betrokkenen om zich periodiek tegenover elkaar in een open klimaat te verantwoorden. Een open klimaat van werken is zichtbaar in de besluitvormingsstructuur, de communicatielijnen en de wijze van communiceren.

Overlegvergadering

Hoewel deze term als zodanig niet voorkomt in de WMS mag worden gesteld dat er in de praktijk dikwijls een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen het overleg in de MR – waar de directeur niet bij aanwezig is – en de overlegvergadering waarin de voltallige MR en de directie aanwezig zijn. Het beraad in de MR (of een van de geledingen in de MR) krijgt daarmee het karakter van intern beraad, terwijl in de overlegvergadering meer onderhandeld wordt.

Overlopende posten

Overlopende posten lopen over het jaar heen: het zijn journaalposten waarvan de financiële handeling in een ander jaar plaatsvindt dan de daadwerkelijke boeking. Overlopende posten staan op de balans.

 Pabo

 Pedagogische academie basisonderwijs

Paritaire samenstelling

De WMS schrijft alleen een minimum aantal leden van de medezeggenschapsraad van de school voor. Dat minimum is 4 leden. Men heeft dus de vrijheid in het reglement te bepalen, dat de MR uit een groter aantal leden bestaat. Zo kan men het aantal leden afstemmen op de grootte van de school.
Wat de samenstelling van de MR betreft schrijft de WMS voor (artikel 3, lid 4), dat het aantal door en uit het personeel te kiezen leden van de MR (de personeelsgeleding) gelijk moet zijn aan het aantal uit en door de ouders en/of leerlingen te kiezen leden (de geleding ouders/leerlingen). Dit is de zogenaamde paritaire samenstelling. De mogelijkheid bestaat dat er na de verkiezingen sprake is van een aantal onbezette zetels of dat er nadien vacatures ontstaan. Door tussentijdse verkiezingen kunnen de onbezette zetels alsnog worden ingevuld. Het is niet toegestaan de onvervulde zetels in de ene geleding te laten bezetten door kandidaten van het andere deel van de MR.
De WMS maakt een uitzondering voor de MR van een centrale dienst en een regionaal expertisecentrum. De MR bestaat hier uit ten minste 2 leden, die beiden door en uit het personeel worden gekozen.

Paritaire samenstelling ouder-/leerlinggeleding

In de WMS (artikel 3, lid 4) is vastgelegd dat in het voortgezet onderwijs ouders en leerlingen evenredig, dus aan elkaar gelijk, vertegenwoordigd zijn in de MR. Alleen indien een van beide groepen niet voldoende vertegenwoordigers vindt om de hen toebedeelde plaatsen in de MR te vullen, kan van de evenredige vertegenwoordiging tussen ouders en leerlingen worden afgeweken. In dat geval kunnen ouders de opengebleven zetels van leerlingen vullen, of andersom.
Een paritaire samenstelling ouders en leerlingen is alleen mogelijk indien de helft van de helft van de MR uit een even aantal, dus bij voorbeeld 4, 8, 12 bestaat. Indien de MR uit 6 of 10 leden bestaat, is een paritaire samenstelling tussen ouders en leerlingen (de helft van 3 of 5) onmogelijk.

Particulier onderwijs

Particulier onderwijs is een recht van ouders dat voortvloeit uit artikel 26 van de Universele verklaring van de rechten van de mens. Dit artikel stelt onder meer dat ouders vrij zijn een school van hun keuze te kiezen. Het particulier onderwijs is, alhoewel het niet door de overheid gefinancierd wordt, wel gebonden aan de wet. De ouders betalen zelf voor het onderwijs. Deze scholen kunnen concurreren met de bekostigde scholen op de markt van leerplichtige leerlingen, indien zij aan de wettelijke regels voldoen. Een particuliere school die onderwijs verzorgt moet zijn aangemerkt als ‘school’ in de zin van de Leerplichtwet. Eisen in de Leerplichtwet zijn onder andere het Nederlands als instructietaal, hantering van een systeem van kwaliteitszorg en de vaststelling van een schoolplan. Op particuliere scholen is een medezeggenschapsraad niet verplicht gesteld.

Partnerschap (tussen inspraakorganen en bestuurder)

Onder partnerschap wordt doorgaans verstaan de wijze waarop men een betekenisvolle samenwerkingsrelatie vorm geeft. Voor de ontwikkeling van een partnerschapsrelatie tussen (G)MR en bestuurder is het van groot belang dat de (G)MR zijn focus richt op het optimaliseren van de relatie met de bestuurder en een aantal fundamentele vragen aan de orde stelt bij de invulling van het begrip partnerschap. Wat is de basis voor onze relatie met het bestuur? Wat is het gezamenlijk belang? Wat mogen MR en bestuurder van elkaar verlangen? Is er een ondergrens in het partnerschap, over en weer? Hoe gaan we het begrip partnerschap invullen? Hoe willen we de relatie met het bestuur uitbouwen en onderhouden? Hoe kunnen we ons richten op vragen betreffende de koers van de organisatie in hoofdlijnen? Hoe leggen we aan de achterban verantwoording af?

 Passend onderwijs

 Maatwerk in het onderwijs. Voor elk kind en iedere jongere onderwijs dat aansluit bij zijn of haar mogelijkheden en talenten

Passief kiesrecht

In tegenstelling tot het actief kiesrecht (het recht om anderen te kiezen in de raad) is het passief kiesrecht (het zelf gekozen kunnen worden) aan bepaalde beperkingen onderhevig. In de WMS (artikel 3, lid 7 en 8) staat een aantal functies opgesomd die onverenigbaar zijn met het lidmaatschap van de raad. Ook het medezeggenschapsreglement kan beperkingen voor bepaalde situaties bevatten (zie o.m. WMS artikel 24 lid 4).

Passieve opstelling (G)MR

Een MR met een passieve opstelling maakt louter gebruik van de formele advies- en instemmingsbevoegdheden uit de WMS: adviseren of instemmen met bestuursvoorstellen. Men neemt niet deel aan de beleidsvoorbereiding. De beïnvloeding is gering. De (G)MR heeft een imago als vertrager van het beleidsproces.

 PCL

 Permanente commissie leerlingenzorg

Pedagogisch functie van het primair onderwijs

In het primair onderwijs gaat het om onderwijs aan jonge kinderen in de leeftijd van 4 tot en met 12 jaar. In die leeftijd is het opvoeden, het overdragen van waarden, normen en inzichten van groot belang. Ouders vertrouwen de opvoeding van hun kinderen in deze leeftijd voor een groot deel van de dag toe aan de school. De relatief zware pedagogisch functie van het primair onderwijs vraagt daarom om een relatief grote betrokkenheid van die ouders bij de beslissingen die de school neemt over inhoud, inrichting en organisatie van het onderwijs.

Pensioen

Verzamelnaam voor periodieke uitkeringen (meestal maandelijks), die het vroegere salaris vervangen in geval van ouderdom, overlijden of arbeidsongeschiktheid. Gemeenschappelijk kenmerk is, dat de uitbetaling van het pensioen in elk geval eindigt zodra de rechthebbende is overleden en dat de opbouw ervan plaatsvindt in verband met het verrichten van arbeid. Het begrip ‘pensioen’ dient te worden gereserveerd voor situaties waarin sprake is van periodieke uitkeringen als bovenbedoeld, die voortvloeien uit de verhouding werkgever/ werknemer. Periodieke uitkeringen bij ouderdom, overlijden of arbeidsongeschiktheid, die hun oorsprong vinden in de sociale zekerheidswetgeving en in de privésfeer getroffen voorzieningen, vallen niet onder het pensioenbegrip. De opbouw van pensioenaanspraken vloeit voort uit arbeidsvoorwaarden, het is een vorm van beloning; dit kenmerk onderscheidt pensioen duidelijk van lijfrenten en sociale zekerheidsuitkeringen.

Personeel

Het personeel dat in dienst is dan wel ten minste 6 maanden te werk gesteld is zonder benoeming bij het bevoegd gezag en dat werkzaam is op een van de scholen (artikel 1, lid 2, sub i WMS).

Personeelsbeleid

Het personeelsbeleid is doorgaans gericht op een juiste afstemming tussen de belangen en behoeften van de schoolorganisatie en de belangen en wensen van het personeel; die onderlinge samenhang wordt beklemtoond in de term integraal personeelsbeleid. Het eerste lid van artikel 12 WMS bevat verschillende aangelegenheden die in dit kader aan de personeelsgeleding van de MR moeten worden voorgelegd. Maar ook de onderscheiden CAO’s kunnen bepalingen bevatten over de rol van de PMR in het kader van het te voeren personeelsbeleid.

Personeelsbeoordeling

De personeelsbeoordeling is een instrument voor de uitvoering van het personeelsbeleid. Het gaat daarbij om een beoordeling van het functioneren van individuele personeelsleden waaraan voor hen rechtspositionele consequenties verbonden kunnen zijn, zoals een ontslag of een bevordering. Aan een personeels- of persoonsbeoordeling moeten meerdere functioneringsgesprekken vooraf gaan.

Personeelsraad

De personeelsraad is een geledingenraad van personeelsleden. Ook het begrip ‘team’ komt in dit verband voor.

Personeelvolgsysteem

Het personeelvolgsysteem is een voorziening gericht op of is geschikt voor waarneming van of controle op aanwezigheid, gedrag of prestaties van het personeel. Het kan gaan om voorzieningen die binnen het gezichtsveld van het personeel vallen, zoals een prikklok, een veiligheidspoortje dat gehanteerd wordt om aanwezigheid en afwezigheid van een personeelslid te registreren. Ook het gebruik van videocamera’s valt hieronder. Daarnaast is sprake van voorzieningen die buiten het gezichtsveld vallen zoals e-mail en internetgebruik. Nagegaan kan bijvoorbeeld worden aan wie e-mails verzonden worden, wie opgebeld wordt.
Volgens artikel 12 onder n van de WMS heeft de P(G)MR een instemmingsrecht bij (voorgenomen) het realiseren van een personeelvolgsysteem.

Pf/vf Participatiefonds/vervangingsfonds

 Pgb

 Persoonsgebonden budget

 PGMR

 Personeelsgeleding van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad (GMR)

Planning

Bewust, stelselmatig, expliciet en allesomvattend vaststellen van beleid.

Plichten van ouders

De belangrijkste plichten van ouders ten opzichte van het bevoegd gezag kunnen als volgt worden samengevat. Ouders zijn verplicht zich te gedragen naar de normen van goed ouderschap. Zij moeten ervoor zorgen dat hun leerplichtige zoon of dochter op een school of onderwijsinstelling staat ingeschreven en erop toezien dat hun kind de school geregeld bezoekt. Vanaf 12 jaar is de jongere hier zelf medeverantwoordelijk voor. De ouders hebben de verplichting om relevante informatie over het kind aan het bevoegd gezag van de school te verstrekken. Als ouders hieraan geen gehoor geven, staat het bevoegd gezag echter weinig middelen ter beschikking om hier iets aan te doen.

 PMR

 Personeelsgeleding van de MR

 PO

 Primair onderwijs

 Pop

 Persoonlijk ontwikkelingsplan

 Po-raad

 Participatiefonds/vervangingsfonds

Pres.

President
Prestatie indicatoren

Prestatie indicatoren zijn kengetallen die de huidige of gewenste situatie weergeven. Kengetallen geven de huidige situatie weer en stuurgetallen de gewenste. Prestatie indicatoren kunnen beide weergeven.

Prijs

Een bedrag (of ander ruilobject) dat koper en verkoper overeen gekomen zijn om het eigendom van een product over te dragen. Vraagprijs: het bedrag dat een verkoper vraagt voor een product al voordat het product verkocht is. Biedprijs: het bedrag dat een koper biedt voor een product nog voordat de koop is afgerond.

Primaat van het bevoegd gezag

Met het primaat van het bevoegd gezag wordt gedoeld op de positie van het bevoegd gezag als eerst- en eindverantwoordelijke instantie op school. Dit blijkt onder meer uit het gegeven, dat het adviesrecht en instemmingsrecht van de MR alleen uitgeoefend kan worden als er een min of meer uitgewerkt voorstel ligt van het bevoegd gezag.

Privacyreglement

Leraren, leerlingen, ouders, onderwijsassistenten, vrijwilligers en stagiairs hebben in het onderwijs recht op bescherming van hun persoonlijke gegevens. Privacyreglementen worden opgesteld op basis van de Wet Bescherming Persoonsgegevens. Het beschrijft het doel van registratie, welke gegevens op welke wijze kan worden geregistreerd.

Privacyreglement personeel

Indien het schoolbestuur een privacyreglement wil hanteren voor het personeel voor alle of de meerderheid van de scholen dient te worden overlegd met de personeelsgeleding van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad: P(G)MR. Op grond van artikel 12 onder m WMS dient het schoolbestuur een concept-privacyreglement ter instemming voor te leggen aan het personeelsdeel van de medezeggenschapsraad (PMR) of gemeenschappelijke medezeggenschapsraad (PGMR). De P(G)MR heeft tot taak te oordelen over de vaststelling of verwerking van een regeling over het verwerken van en de bescherming van persoonsgegevens van het personeel. De PGMR treedt – indien het een aangelegenheid betreft die van gemeenschappelijk belang is voor alle of voor de meerderheid van scholen – in de plaats van de PMR van die scholen. Het instemmingsrecht omvat onder andere het doel en de verwerking van de persoonsgegevens, het beheer van – de verwerking van – persoonsgegevens, de verstrekking van en toegang tot gegevens, beveiliging en geheimhouding, de rechten van betrokkene en bewaartermijnen. Het gaat hierbij om het verwerken van persoonsgegevens in de administraties van sollicitanten, personeelsleden, het salaris, de uitkering bij ontslag en het pensioen en vervroegde uittreding.

Proactieve opstelling

De (G)MR stelt zich actief op ten aanzien van het beleid van het bevoegd gezag/management.

Procesbevoegdheid

De MR is weliswaar een algemeen bekend orgaan binnen een onderwijsinstelling maar heeft geen rechtspersoonlijkheid. Artikel 25 bepaalt daarom uitdrukkelijk dat de MR in rechte kan optreden tegen enig handelen of nalaten van het bevoegd gezag wat betreft de naleving van de WMO. In afwijking van artikel 237 van het Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht kan de MR niet in de proceskosten worden veroordeeld.

Professional

(G)MR-leden kunnen zich door middel van scholing ontwikkelen tot ‘professionals’ in de medezeggenschap. Criteria waaraan professionals moeten voldoen om succesvol te kunnen functioneren (Weggeman, 2007):
– Vakinhoudelijke capaciteit. De kennis bezitten om keer op keer een effectieve bijdrage op hoog deskundigheidsniveau te leveren.
– Ontwikkelingspotentie. Het vermogen hebben om zichzelf vakinhoudelijk voortdurend te vernieuwen en de grenzen van de eigen mogelijkheden te verleggen.
– Creativiteit. In staat zijn om problemen creatief te formuleren en met oorspronkelijke en vernieuwende antwoorden en oplossingen te komen.
– Initiatief en ondernemerschap. Bereid en in staat zijn om voorstellen te doen uit eigen beweging en nieuwe ontwikkelingen op gang te brengen (innovatie).
– Samenwerkingsbereidheid. Over het vermogen beschikken om in samenspel met anderen het gezamenlijke resultaat te verbeteren.
– Blijvende betrokkenheid. De neiging hebben om een substantieel deel van de loopbaan te willen realiseren bij dezelfde organisatie, zodat individuele bijdragen ook betekenis kunnen krijgen in de context van een collectieve ambitie.

Professionalisering

Men spreekt van professionalisering van de (G)MR als er een zekere mate van deskundigheid bij de leden verworven moet worden om taken van (G)MR-leden te kunnen uitvoeren. Een deskundigheid die te verwerven is door ervaring en door gerichte scholing van de MR als geheel en van de afzonderlijke leden van de MR.
Een professionele raad benut zijn rechten en bevoegdheden optimaal en doet dat vanuit een eigen visie. Waar nodig neemt de MR zelf initiatieven, hij maakt daarbij gebruik van deskundigen van binnen en van buiten de organisatie.

Professionele leergemeenschap

In een professionele leergemeenschap of beroepsgemeenschap staan de onderwijsprofessionals in de school centraal die het onderwijs willen verbeteren. Kenmerken van professionele leergemeenschappen zijn: een duidelijke, expliciete en gedeelde visie op het leren van leerlingen en op de ondersteuning daarvan door de leraren en school; het leren van leerlingen en hun resultaten in het brandpunt van de aandacht van de leraren; collectieve leerprocessen van betrokken professionals en toepassing van het geleerde in het onderwijs; een reflectieve dialoog tussen de professionals over hun handelen in de klas en hun onderwijs; onderzoek van de onderwijspraktijk dor de onderwijsprofessionals; leraren die beschikken over competenties voor het functioneren in professionele leergemeenschappen; ondersteunend en gedeeld leiderschap dat mogelijkheden schept voor samen leren; ondersteunende structurele condities voor het leren van de leraren.

Provisie

Financiële vergoeding voor een verkoper, die afhankelijk is van de omvang van een transactie of een omzet die voor de werkgever is behaald. Meestal bestaat de vergoeding uit een percentage van de verkoopprijs of de omzet.

Quorum

Het aantal zittende leden dat ten minste aanwezig moet zijn wil er een geldige vergadering gehouden kunnen worden of een rechtsgeldig besluit genomen.

Raad van Toezicht

Een schoolbestuur wordt in toenemende mate voor de taak gesteld om autonoom beleid te voeren op personeel, financieel, onderwijskundig en organisatorisch gebied. Voor deze taken worden in de wat grotere onderwijsinstellingen vaak professionele bestuurders aangetrokken die vervolgens via een directiestatuut of een bestuursreglement bevoegdheden krijgen toebedeeld (gedelegeerd) door het bestuur om deze taken te kunnen uitoefenen.
Hoe meer dit professionele management deze taken uit handen neemt van het bestuur hoe meer dit bestuur wil ‘besturen op afstand’. Het bestuur neemt in deze situatie vaak de positie in van Raad van Toezicht, naar analogie van de Raad van Commissarissen bij bedrijven in het bedrijfsleven. De onderwijswetten kennen de term ‘Raad van Toezicht’ niet. Formeel is er krachtens de Wet medezeggenschap scholen geen relatie tussen medezeggenschapsraad en de Raad van Toezicht. Over zaken waarover de medezeggenschapsraad advies- of instemmingsbevoegdheid heeft, heeft mogelijk de Raad van Toezicht het recht van goedkeuring. Zoals het bestuursreglement, de begroting en het schoolplan. Bij goedkeuring is er volgens de regels sprake van een besluit (van het bestuur) waarvan vervolgens wordt bepaald of het in werking zal treden. De medezeggenschapsraad heeft dan al advies of instemming gegeven over het voornemen van een besluit, voordat de Raad van Toezicht aan zet is. Als de Raad van Toezicht zijn goedkeuring onthoudt aan een besluit, waarover de medezeggenschapsraad positief heeft geadviseerd of waarover hij instemming heeft betuigd, kan dat een geschil opleveren tussen medezeggenschapsraad en bestuur. De Raad van Toezicht valt er formeel buiten.

Rb.

Rechtbank

Rddf

Risicodragend deel van de formatie.
Het RDDF is dat gedeelte van de formatie waarin de betrekkingen vallen die met opheffing bedreigd worden.
In het onderwijs wordt de bevoegdheid tot het geven van ontslag geregeld in de cao. Een tijdelijke benoeming loopt van rechtswege af. Een benoeming in “vaste dienst” (een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd) kan alleen eenzijdig worden beëindigd op een van de in de cao genoemde ontslaggronden. Voorafgaand aan een ontslag vanwege de opheffing van de betrekking moet de werknemer eerst in de RDDF geplaatst worden.
Bijzonder onderwijs
In het bijzonder onderwijs kan tegen dit ontslagbesluit in beroep gegaan worden bij de Commissie van Beroep. Dit geldt zowel voor docenten, groepsleerkrachten als voor onderwijs ondersteunend personeel. Als de werknemer het met de beslissing van de Commissie van Beroep niet eens is, kan hij nog naar de rechtbank sector kanton.
Openbaar onderwijs
Voor het geval de werknemer werkzaam is in het openbaar onderwijs is de beroepsgang anders. Als de vaste aanstelling wordt beëindigd moet de werknemer eerst bezwaar maken bij het bevoegd gezag en als de beslissing op het bezwaarschrift niet bevalt, kan de werknemer tegen dit besluit op bezwaar in beroep bij de rechtbank sector bestuursrecht.

 REC

 Regionaal expertisecentrum

Rechten van ouders

De belangrijkste rechten van ouders ten opzichte van het bevoegd gezag kunnen als volgt worden samengevat.
Ouders hebben het recht op informatie over het kind door het bevoegd gezag van de school. Als het bevoegd gezag deze rechten niet respecteert, kan de ouder een klacht indienen bij de klachtencommissie of bij de rechter. De ouders hebben echter geen ongelimiteerd recht op informatie. Wanneer omstandigheden hiertoe aanleiding geven, kan het bevoegd gezag/de schoolleiding beslissen de directe communicatie tussen de ouders van een leerling en de groepsleerkracht (tijdelijk) te verbreken en eventueel een afkoelingsperiode in te voeren. Onder omstandigheden kan het recht op informatie van de wettelijk vertegenwoordiger in conflict komen met het recht op privacy van het kind. De wettelijk vertegenwoordiger is echter alleen in beeld, wanneer er een ontheffing uit de ouderlijke macht heeft plaatsgevonden. Wanneer recht op informatie in strijd is met de privacy van het kind is moeilijk te bepalen.
Ouders hebben het recht op participatie in schoolaangelegenheden. Dit recht vloeit voort uit de positie van de ouder als uitoefenaar van het ouderlijk gezag over hun kinderen en het democratiebeginsel (democratische legitimatie/draagvlak als voorwaarde).
Ouders hebben het recht te worden gehoord (hoorrecht), in ieder geval wanneer het bevoegd gezag voornemens is ingrijpende maatregelen te nemen ten aanzien van het kind, wanneer zij van oordeel zijn dat dit in het belang is van het welbevinden van hun kind op school en buiten school. Het mag de goede werking van de school echter niet schaden. Ouders hebben het recht op het verrichten van ondersteunende werkzaamheden voor de school. Het bevoegd gezag moet deze gelegenheid bieden. De ouders dienen hierbij de aanwijzingen van de schoolleider en het onderwijzend personeel op te volgen (artikel 44 WPO).
Ouders hebben veelal inspraakmogelijkheden bij het beleid van de school van hun keuze via medebestuur. In het bijzonder onderwijs zijn vele varianten mogelijk, van zelfbestuur door ouders (via een vereniging) tot bestuur geheel buiten het gezichtsveld van de ouders (stichting). Ouders van leerlingen op openbare scholen kunnen via het gemeentebestuur, of een openbare rechtspersoon, voor hun belangen opkomen. Als het gaat om medezeggenschap kunnen ouders zitting nemen in de (G)MR.

Rechtmatigheidstoetsing

Bij een adviesgeschil moet de geschillencommissie beoordelen of het bevoegd gezag bij het niet of niet geheel volgen van het advies van de raad:
a. gehandeld heeft in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet of met het medezeggenschapsreglement;
b. onvoldoende gemotiveerd heeft waarom is afgeweken van het advies van de raad;
c. onzorgvuldig gehandeld heeft ten opzichte van de raad.
Dit geheel wordt de rechtmatigheidtoets genoemd, hoewel er dus meer aan de orde komt dan alleen het reglement of de wet. Vooral de door het bevoegd gezag gegeven motivering om niet het advies van de MR te volgen en de deugdelijkheid van de gegeven motivering staan in het oordeel van de commissies centraal. Uiteraard zijn ook hier de algemene beginselen van behoorlijk bestuur relevant

Rechtsbescherming

De WMS bepaalt in artikel 3, dat MR-leden, voormalige leden en kandidaatleden (ouders, leerlingen of personeelsleden) niet mogen worden benadeeld vanwege hun activiteiten in de MR in hun positie met betrekking tot de school (lid 12). Voor personeelsleden is expliciet bepaald in het negende lid, dat zij niet mogen worden ontslagen vanwege hun MR-lidmaatschap (lid 13). De beëindiging van de betrekking in strijd met het negende lid is nietig, zoals de wetgever het uitdrukt.

Rechtspersoon

Elke school wordt in stand gehouden door een natuurlijk persoon of een rechtspersoon. De meest in het onderwijs voorkomende rechtspersonen zijn de vereniging en de stichting. Maar ook besloten vennootschappen (BV’s) komen steeds meer voor – bijvoorbeeld in het kader van activiteiten ten behoeve van de zogenaamde derde-geldstroom (contractactiviteiten). De gemeente kan sedert enkele jaren het bevoegd gezag over een openbare school – naast de reeds langer aanwezige constructies van bestuurscommissie en gemeenschappelijke regeling – ook overdragen aan een openbare rechtspersoon of een overheidsstichting. Een rechtspersoon kan net als een natuurlijk persoon rechtshandelingen verrichten, zoals kopen, verkopen, huren, verhuren, benoemen en ontslaan van werknemers. De rechtspersoon is verantwoordelijk voor de naleving van wetten en subsidievoorwaarden en is uiteindelijk aansprakelijk voor alle doen en laten van medewerkers, leerlingen en vrijwilligers in de organisatie.
Het bestuur van de rechtspersoon is per definitie het bevoegd gezag van de school. Directiestatuut en bestuursreglement kunnen echter bepalen dat dit bevoegd gezag door andere personen of instanties wordt uitgeoefend door middel van mandaat en, in het bijzonder onderwijs, ook door middel van delegatie.

Rechtspositie

Onder de rechtspositie verstaat men de verzameling van algemene regels betreffende de rechten en plichten van het personeel en het bevoegd gezag ten opzichte van elkaar.

Redelijkheidstoetsing

Een geschillencommissie moet bij de beoordeling van instemminggeschillen en reglementgeschillen het door de WMS voorgeschreven criterium hanteren van de redelijkheid. Zie verder: marginale toetsing.

Reële rente

Werkelijke rente in koopkracht uitgedrukt. Dit is de nominale rente gecorrigeerd voor de prijsinflatie.

Regionaal netwerk

De huidige samenwerkingsverbanden in het primair en voortgezet onderwijs vormen het uitgangspunt voor de te vormen regionale netwerken. Het doel is voor elke leerling een passend onderwijsaanbod te kunnen bieden in de regio waar een kind woont. Hierover, dienen sluitende afspraken te worden gemaakt met alle betrokkenen in elk netwerk: onderwijsinstellingen, regionale expertisecentra (REC’s), regionale en de agrarische opleidingencentra. Een regionaal netwerk bestaat in de regel uit meerdere samenwerkingsverbanden, elk met hun bestuur en schoolbesturen. De schoolbesturen hebben elk een GMR en of een of meerdere MR’en. Elk regionaal netwerk moet de extra zorg voor leerlingen op zijn eigen manier kunnen inrichten. De besturen bepalen in onderling overleg hoe zij de beschikbare middelen – binnen het regionale budgettaire kader – het beste kunnen inzetten.

Reglement

Geheel van bepalingen of voorschriften die de leden van de schoolorganisatie in acht moeten nemen.

Regulier onderwijs

Regulier onderwijs is door de overheid bekostigd onderwijs.

Rendement

Bij rendement gaat het altijd om een verhouding tussen een bedrag dat je ergens in belegt en de vergoeding die je voor deze belegging krijgt. De verhouding wordt meestal uitgedrukt in een percentage, waarbij de vergoeding boven de teller staat en het belegde bedrag in de noemer

Rentabiliteit

Winstgevendheid.

Rente

Is de prijs voor krediet: vergoeding voor het lenen van geld gedurende een bepaalde periode Men kan de rente globaal indelen naar geldmarktrente (deze korte rente betreft leningen met een looptijd korter dan een jaar) en kapitaalmarktrente (de lange rente met een looptijd langer dan een jaar).

 RI&E

 Risico-inventarisatie en -evaluatie (Arbobeleid)

R.o.

Rechtsoverweging

ROC

Regionaal opleidingscentrum

Roerende goederen

Goederen die niet spijkervast aan de grond vernageld zitten, c.q. goederen die zichzelf kunnen verplaatsen (zoals vee) of die verplaatst kunnen worden (zoals auto’s). Dit in tegenstelling tot onroerende goederen die wel verbonden zijn aan de grond. Het onderscheid is van belang voor de rechtspraak. Zowel roerende als onroerende goederen kunnen onderdeel zijn van de vaste activa.

RpbO Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel

RSG

Regionale scholen gemeenschap

RT

Remedial teacher

 Rugzak

 Leerling met een leerlinggebonden budget (Rugzak)

 RVC

 Regionale verwijzingscommissie

 RvT

 Raad van toezicht

Samenstelling MR

Het aantal leden dat uit en door het personeel wordt gekozen en het aantal leden dat uit en door de ouders en leerlingen wordt gekozen is even groot. Er is sprake van paritaire samenstelling.
In het basisonderwijs bestaat het ouders-/leerlingendeel uitsluitend uit ouders die kinderen op de betreffende school hebben.
In scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs is een tweedeling aangebracht. Betreft het leerlingen jonger dan 13 jaar dan worden zij uitsluitend door de ouders vertegenwoordigd. Indien de leerlingen ouder dan 13 jaar zijn, kan ook worden gekozen voor een vertegenwoordiging deels door ouders en deels door leerlingen.
In het voortgezet onderwijs wordt het ouders-/leerlingendeel gevormd door zowel ouders als leerlingen (artikel 3, lid 3 WMS).

Samenwerking

Samenwerking is een proces waarin partijen samen hun problemen formuleren en dan gezamenlijk zoeken naar oplossingen. Samenwerking kent daarom oneindig veel varianten. De in artikel 11 onder d van de WMS genoemde aangelegenheid ‘het aangaan, verbreken of belangrijk wijzigen van een duurzame samenwerking met een andere instelling’ is te beschouwen als een van de aangelegenheden, die betrekking hebben op de organisatorische inrichting van de school en de onderwijsorganisatie. Met andere instelling wordt niet alleen gedoeld op bijvoorbeeld welzijnsinstellingen en opleidingsinstituten voor onderwijzend personeel, maar ook op bijvoorbeeld een arbodienst, waarmee een contract wordt afgesloten. Het aangaan van een dergelijke contractuele samenwerking is derhalve een adviesplichtige aangelegenheid.

Samenwerkingsverband

Scholen en hun schoolbesturen kunnen deelnemen aan een samenwerkingsverband. Bijvoorbeeld het samenwerkingsverband Weer Samen Naar School (WSNS). En zo’n samenwerkingsverband kan op zijn beurt weer participeren in een regionaal netwerk. Bijvoorbeeld een regionaal netwerk Passend Onderwijs. Dit regionale verband heeft in de regel een bestuur waarin de besturen van de deelnemende samenwerkingsverbanden in vertegenwoordigd zijn.

Sbo (Sbao)

 Speciale school voor basisonderwijs

Scholenfusie

Bij een scholenfusie worden twee of meer scholen samengevoegd tot een nieuwe school. Een dergelijke fusie is slechts mogelijk indien de scholen onder hetzelfde bevoegd gezag ressorteren. Er behoeft na de fusie niet perse les gevolgd te worden in een gebouw of op een locatie.
Bij een scholenfusie ontstaat er een verplichting een (nieuwe) MR in het leven te roepen. In dit verband is het Besluit medezeggenschap onderwijs van belang.
Een federatieve fusie is een vorm van fusie, waarbij om bepaalde redenen gepoogd wordt om de samenstellende delen niet te laten opgaan in een nieuwe organisatie. Bij een scholenfusie worden twee of meer scholen samengevoegd tot een nieuwe school. Er ontstaat een school, met een bestuur, een directie en een MR. Bij een federatieve scholenfusie is er weliswaar sprake van een formele eenheid, maar is er geen onderlinge versmelting van scholen: de oorspronkelijke scholen blijven als organisatorische eenheden voortbestaan.

Scholing

Scholing is het systematisch verwerven van relevante kennis en/of vaardigheden voor de uitoefening van de taken van een (G)MR-lid. Er is sprake van een vooraf vastgesteld programma waarin is vastgelegd wat wordt geleerd en op welke wijze dit wordt getoetst. Een (G)MR heeft recht op scholing (WMS artikel 28). De (G)MR bepaalt zelf aan welke scholing behoefte bestaat, en bij welk instituut deze scholing zal worden gevolgd. De kosten van de scholing van alle (G)MR-leden zijn voor rekening van het bevoegd gezag, of komen ten laste van het budget dat de (G)MR en het bevoegd gezag hebben afgesproken ten behoeve van de activiteiten in de (G)MR.
Voor scholing wordt door het bevoegd gezag drie dagen in twee jaar per personeelslid in de (G)MR beschikbaar gesteld. Afhankelijk van het rooster van het personeelslid en op het moment waarop de scholing plaatsheeft, kan de scholing mede in lestijd plaatsvinden. Afhankelijk van de omvang van de voorziene werkzaamheden, zoals opgenomen in een activiteitenplan, kan het bevoegd gezag op verzoek van de P(G)MR meer faciliteiten (dan de in de CAO opgesomde) beschikbaar stellen.
Ouders en leerlingen kunnen, al dan niet samen met het personeel, eveneens een activiteitenplan opstellen, waarin scholingsmogelijkheden zijn opgenomen en die met het bevoegd gezag bespreken.

School

De school vormt de verbindingsschakel naar de toekomstige arbeidsparticipatie en maatschappelijke deelname. Het onderwijs bereidt leerlingen voor op hun toekomst: in werk, privéleven en maatschappij. De voorbereiding op arbeid als taak van het onderwijs is zeker wat betreft het overdragen van kennis en vaardigheden (‘kwalificaties’) weinig omstreden. De voorbereiding op het maatschappelijk functioneren is altijd als een taak van het onderwijs opgevat, maar heeft in de loop der jaren wisselende aandacht en een uiteenlopende invulling gekregen. De voorbereiding op werk, privéleven en maatschappij zijn analytisch wel te onderscheiden, maar in de onderwijspraktijk lopen deze domeinen door elkaar.

Schoolbestuur

Het bestuur van een school in het bijzonder onderwijs wordt meestal ‘schoolbestuur’ genoemd. Het kan daarbij gaan om een vereniging of om een stichting. Het schoolbestuur is het bevoegd gezag van deze school zoals het gemeentebestuur het bevoegd gezag is bij het openbaar onderwijs. Ouders kunnen door zitting te nemen in het bestuur van een school directe invloed uitoefenen op het tot stand komen van het beleid.
Taken en bevoegdheden van het schoolbestuur worden geregeld in de statuten van de rechtspersoon. Veel schoolbesturen stellen zich op als een Raad van Toezicht. De afbakening van de taken en verantwoordelijkheden tussen enerzijds het bestuur en anderzijds de directie of de professionele bestuurders in het College van Bestuur is geregeld in het directiestatuut of in het bestuursreglement over de opzet en wijziging waarvan de MR adviesrecht respectievelijk instemmingsrecht heeft.

Schoolgemeente

gemeente waar de school is gevestigd
Schoolgids

Scholen in het primair en voortgezet onderwijs moeten over een schoolgids beschikken. In de schoolgids geeft de school aan (potentiële) ouders informatie over haar doelstellingen, werkwijzen en zorg, de wijze waarop de verplichte onderwijstijd wordt benut, de vrijwillige ouderbijdrage en de rechten en plichten van de ouders, verzorgers en leerlingen en de resultaten. Maar ook waaraan de school het geld uitgeeft dat ze van de overheid krijgt. In het PO/WEC/VO heeft de ouders/leerlingendeel van de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad instemming waar het gaat om het vaststellen van de schoolgids. De personeelsgeleding wordt het voorstel ter kennisneming aangeboden. Hierbij verstrekt het bevoegd gezag onder meer de beweegredenen voor het voorstel. De schoolgids kan ouders behulpzaam zijn bij het maken van een beredeneerde schoolkeuze. Ouders moeten er concrete verwachtingen aan kunnen ontlenen ten aanzien van wat de school hun biedt en de school daarop kunnen aanspreken. Een schoolgids is steeds meer het visitekaartje van de school waarmee zij zich profileert.

Schooljaar

Het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaraanvolgend.

Schoolkosten

Schoolkosten kunnen worden onderscheiden in twee soorten kosten: de noodzakelijke schoolkosten en de vrijwillige ouderbijdrage. De noodzakelijke schoolkosten zijn kosten voor de aanschaf van zaken en vergoeding voor diensten die noodzakelijk zijn voor het volgen van onderwijs, maar waarvoor de school geen bekostiging krijgt. Onder de omschrijving van noodzakelijke schoolkosten (‘gratis lesmateriaal’ voor ouders) vallen schoolboeken: leerboeken, werkboeken, project- en tabellenboeken, examentrainingen/bundels, eigen leermateriaal van de school, bijbehorende cd’s en/of dvd’s die een leerling in dat leerjaar nodig heeft. Daarnaast valt de ontsluiting van digitaal leermateriaal (de kosten van licenties) dat een leerling in dat jaar nodig heeft ook onder noodzakelijke schoolkosten. De vrijwillige ouderbijdrage wordt aan ouders gevraagd voor zaken en diensten waar de ouders voor kunnen kiezen, die niet essentieel zijn voor het volgen van onderwijs en waarvoor de school geen bekostiging ontvangt. Bij deze kosten valt de denken aan een atlas, woordenboek (want die zijn voor meer jaren nodig en niet specifiek voor een bepaald leerjaar), agenda (want die is niet gericht op informatieoverdracht in onderwijsleersituaties) en de kosten van ict-applicaties (zoals bijv. tekstverwerking). Ook laptops, rekenmachines, sportkleding, gereedschap, schriften/multomap, pennen zijn voor rekening van de ouders. Op grond van artikel 14 lid 2 onder d heeft de oudergeleding van de (G)MR instemmingsbevoegdheid waar het gaat om ‘de vaststelling of wijziging van het beleid met betrekking tot het beheersbaar houden van de middelen die van de ouders of de leerlingen worden gevraagd, voor schoolkosten, met uitzondering van lesmateriaal als bedoeld in artikel 6e, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs, die door het bevoegd gezag noodzakelijk worden bevonden’.
In artikel 6e, lid 2, van de Wet op het voortgezet onderwijs staat dat onder lesmateriaal wordt verstaan: lesmateriaal dat naar vorm en inhoud is gericht op informatieoverdracht in onderwijsleersituaties en waarvan het gebruik binnen het onderwijsaanbod door het bevoegd gezag specifiek voor het desbetreffende leerjaar is voorgeschreven.

Schoolleiding

Wie de schoolleiding is staat vermeld in artikel 1 van de WMS: de directeur, de rector, of de leden van de centrale directie, alsmede de adjunct-directeuren of de conrectoren. Een van de leden van de schoolleiding is in de regel de overlegpartner van de MR. Deze functionaris maakt als zodanig geen deel uit van de MR.

Schoolmanagement

Het schoolmanagement van de school wordt gevormd door het schoolbestuur en de schoolleiding.

Schoolplan

Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid met betrekking tot de kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school wordt gevoerd en omvat in elk geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het beleid met betrekking tot de bewaking en verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. Het bevoegd gezag moet een keer in de vier jaar de hoofdlijnen van het eigen beleid beschrijven. Het schoolplan behoort tot de informatie die het bevoegd gezag aan de MR dient te verstrekken. Met het schoolplan legt de school verantwoording af aan de inspectie over het gevoerde beleid en wordt inzicht gegeven in de door de school gemaakte beleidskeuzes.
De MR heeft instemmingbevoegdheid over de vaststelling of wijziging van het schoolplan (artikel 10, sub b WMS).

Schoolveiligheidsplan

In een schoolveiligheidsplan worden veiligheidsdoelen gesteld met betrekking tot thema’s als agressie en geweld, seksuele intimidatie en discriminatie. In een schoolveiligheidsplan kunnen afspraken worden opgenomen over:
– preventieve maatregelen, schoolregels en sancties bij overtreding;
– procedures bij incidenten en registratie van incidenten;
– opvang van slachtoffers en aangifte bij misdrijven;
– aanstelling van een functionaris, bijv. coördinator veiligheid of intermediair agressie & geweld;
– scholing van personeel.
– De MR heeft instemmingsbevoegdheid bij de vaststelling of wijziging van regels op het gebied van het veiligheids-, gezondheids- en welzijnsbeleid, voor zover niet behorend tot de bevoegdheid van de personeelsgeleding (art. 10 sub e WMS). De personeelsgeleding heeft instemmingsbevoegdheid bij de in het plan vast te leggen maatregelen welke betrekking hebben op de arbeidsomstandigheden van het personeel (artikel 12. lid 1, sub k WMS).

Schriftelijke stemming

Bij schriftelijk stemmen krijgen alle aanwezigen een stembriefje; dat kan een blanco briefje zijn waarop iedereen zelf zijn voorkeur moet invullen, of een voorgedrukt briefje waarop de voorkeur alleen maar hoeft te worden aangekruist. Bij een geheime stemming moeten de briefjes worden dichtgevouwen en worden ingeleverd (stemmen met gesloten briefjes). Het stembureau vouwt ze open en telt de stemmen. De geheime stemming vindt altijd plaats als er gestemd wordt over personen. Bij een schriftelijke stemming kunnen blanco en ongeldige stemmen voorkomen. Blanco stemmen zijn briefjes die blanco zijn gebleven, waarop dus niets is ingevuld. Het is vergelijkbaar met de stemonthouding bij het collectief stemmen.
Ongeldige stemmen zijn briefjes waarop iets anders is ingevuld dan is gevraagd. Het reglement moet aangeven wat er met blanco en ongeldige stemmen moet gebeuren.

Seksuele intimidatie

Seksuele intimidatie (ongewenste intimiteiten) is ongewenste, seksueel getinte aandacht, die tot uiting komt in verbaal gedrag (bijvoorbeeld vieze moppen), non-verbaal gedrag (bijvoorbeeld gluren), of fysiek intimiderend optreden (bijvoorbeeld handtastelijkheden). Het bevoegd gezag als werkgever en de MR moeten tezamen binnen het kader van het arbeidsomstandighedenbeleid afspraken maken over preventief beleid met betrekking tot seksuele intimidatie (Arbeidsomstandighedenwet 1998 artikel 4, lid 2). De vertrouwensinspecteurs zijn aanspreekbaar voor ouders, leerlingen en andere betrokkenen op grond van artikel 6 van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT).

Signaal verzuim

ongeoorloofde afwezigheid zich uitend in spijbelgedrag (zonder dat er sprake is van vakantie), maar met veelal problematische achtergrond

 SLO

 Stichting leerplan ontwikkeling

 SO

 Speciaal onderwijs

Sociaal jaarverslag

In het jaarlijkse sociaal jaarverslag van het bevoegd gezag komen ten minste de volgende onderwerpen aan bod: preventie ziekteverzuim, taakbelasting, doelgroepenbeleid (met aandacht voor de positie van vrouwen, allochtonen en arbeidsgehandicapten), incidentele beloning en gebruik van uitzendarbeid.

Sociaal kapitaal van (G)MR-leden

Sociaal kapitaal van (G)MR-leden kan algemeen omschreven worden als de hulpmiddelen die in een schoolgemeenschap aanwezig zijn om de sociale organisatie vorm te geven. Deze hulpmiddelen vinden hun voedingsbodem in gemeenschapsactiviteiten, sociale steun en participatie.
Het sociaal kapitaal van G)MR-leden heeft betrekking op de kwaliteit van sociale relaties, groepslidmaatschappen, formele en informele netwerken, gedeelde normen, vertrouwen, wederkerigheid en bereidheid zich in te zetten voor de gemeenschap. Bevorderlijke factoren voor het activeren van sociaal kapitaal zijn: wederzijdse verwachtingen en verplichtingen, beschikbare informatie, normen van wederkerigheid, doelgerichte samenwerking, burgerlijke inzet, en sociaal vertrouwen. Participatie in sociale netwerken en vertrouwen zijn belangrijke, beslissende factoren voor maatschappelijk engagement en schoolengagement, c.q. participatie van ouders in de (G)MR).

Sociaal netwerk

Een sociaal netwerk, dat in het spraakgebruik als ‘netwerk’ wordt aangeduid, is een netwerk van mensen of groepen mensen. Bijvoorbeeld leraren, ouders en leerlingen die elkaar kennen via een school of de (G)MR en die vaak samenwerken. Daarom kan een schoolnetwerk ook gezien worden als een vorm van sociaal netwerk. Het werkwoord ‘netwerken’ (tijdens een gelegenheid relaties onderhouden en nieuwe relaties opdoen) is hier ook van afgeleid.

Softclosing

Een virtuele afsluiting van een voorgaande periode binnen het boekjaar. Bijvoorbeeld een softclosing per maand, per kwartaal of na een half jaar. Na de softclosing is de administratie weer open om door te gaan met de administratie in het boekjaar.

Solvabiliteit

De solvabiliteit geeft de verhouding aan tussen het eigen en het vreemd vermogen en duidt aan in hoeverre de school in staat is op lange termijn aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Als minimaal percentage wordt doorgaans 35% aangehouden.

Spaarliquiditeit

Liquide middelen die nodig zijn om investeringen van te betalen.

 SPD

 Sociaal pedagogische dienst

Sponsorbeleid

Het sponsorbeleid van de school heeft betrekking op de vaststelling of wijziging van de bestemming in hoofdlijnen van door het bevoegd gezag ontvangen middelen van derden, waaronder zowel sponsorgelden als donaties. De medezeggenschapsraad heeft adviesbevoegdheid met betrekking tot het sponsorbeleid van het bevoegd gezag (artikel 11 WMS). Het bevoegd gezag is verplicht in het schoolplan het beleid op te nemen ten aanzien van de aanvaarding van sponsoring (artikel 12 WPO, artikel 21 WEC, artikel 24 WVO). Daarnaast dient het bevoegd gezag ouders, verzorgers en leerlingen in de schoolgids te informeren over de wijze waarop het bevoegd gezag omgaat met bijdragen die door middel van sponsoring zijn verkregen (artikel 13 WPO, artikel 22 WEC, artikel 24a WVO). Op grond van artikel 10 WMS heeft de medezeggenschapsraad een instemmingsbevoegdheid met betrekking tot het vaststellen of wijzigen van het schoolplan.
Het ouders/leerlingendeel van de medezeggenschapsraad heeft op grond van artikel 13 (PO, WEC) en 14 WMS (VO) instemmingsbevoegdheid waar het gaat om het vaststellen of wijzigen van de schoolgids. Het voorstel over de schoolgids wordt op grond van artikel 8 lid 6 WMS tegelijkertijd ter kennisneming aan de personeelsgeleding van de medezeggenschapsraad gestuurd. Daarbij wordt ook een overzicht verstrekt van de beweegredenen voor het voorstel, de gevolgen die de uitwerking van het voorstel naar verwachting zal hebben voor personeel, ouders, leerlingen en van de naar aanleiding daarvan genomen maatregelen.

Sponsoring

Sponsoring is gebaseerd op het principe dat de sponsor (een bedrijf) geld of diensten/goederen levert waarvoor de ontvangende partij (de school) een tegenprestatie levert. Beide partijen boeken winst.
Scholen doen in toenemende mate een beroep op sponsors om het krappe budget aan te vullen. Steeds meer bedrijven zijn bereid tot het leveren van een prestatie (in de vorm van geld, goederen of diensten) aan scholen, in ruil voor een immateriële tegenprestatie door de school, zoals het opnemen van de naam van het bedrijf in de schoolkrant, de schoolgids en de nieuwsbrief.
Indien dergelijke verplichtingen aan de orde zijn, heeft de MR instemmingsrecht over de aanvaarding van sponsorgelden op grond van artikel 10, sub b, van de WMS.

Sponsorovereenkomst

Met een sponsorovereenkomst wordt de sponsoring van bijvoorbeeld een evenement op een school door de sponsor schriftelijk vastgelegd. De sponsorovereenkomst met het bevoegd gezag bevat onder andere bepalingen over het doel van de sponsoring, de verplichtingen van de school (tonen van logo’s, afspelen van bepaalde muziek, uitdelen van promotionele goederen) en de vergoedingen die de sponsor voor de geleverde diensten betaalt. De medezeggenschapsraad heeft adviesbevoegdheid over een voorgenomen besluit van het bevoegdheid over het aangaan, verbreken of belangrijk wijzigen van een duurzame samenwerking met een andere instelling zoals bij voorbeeld de samenwerking met een sponsor (artikel 11 WMS). Deze samenwerking wordt beklonken via een (sponsor)overeenkomst.

Stakeholder

Engels woord voor belanghebbende, in ruime zin, bij een onderneming: niet alleen een aandeelhouder maar ook bijvoorbeeld een werknemer, een ouder of een leerling, maar ook een organisatie (bijvoorbeeld GGD, peuterspeelzalen, onderwijsbegeleidingsdienst, bibliotheek, bureau Jeugdzorg, en gemeente) die invloed ondervinden (positief of negatief) of zelf invloed kan uitoefenen op het reilen en zeilen van die organisatie.

Stb.

Staatsblad

Stcrt.

Staatscourant
Stemmen bij volmacht

Stemmen betekent dat een kiesgerechtigde zijn/haar stem uitbrengt op verkiezingen ten behoeve van de leden van inspraakorganen. Een kiesgerechtigde kan bij schriftelijke volmacht met overgave van zijn stembiljet een ander, die tot dezelfde geleding behoort, zijn stem laten uitbrengen. Een kiesgerechtigde kan voor ten hoogste een andere kiesgerechtigde bij volmacht een stem uitbrengen.

Stichting

Een stichting is een rechtspersoon, welke geen leden kent en die beoogt met behulp van een daartoe bestemd vermogen een in de statuten vermeld doel te verwezenlijken (artikel 285, lid 1, Boek 2 BW).
Het bestuur van een stichting is als enig orgaan volledig verantwoordelijk voor het beleid. Er is geen algemene ledenvergadering, waaraan verantwoording moet worden afgelegd. Het bestuur benoemt zelf nieuwe bestuursleden overeenkomstig de statuten van de stichting. Meestal is er sprake van een systeem van coöptatie, maar ook komen situaties voor waarin kwaliteitszetels worden toegekend aan maatschappelijke groeperingen en andere belanghebbenden. Het komt ook voor dat aan de MR een recht wordt toegekend om kandidaten voor te dragen voor een of meerdere nieuwe bestuursleden.

Stichting Onderwijsgeschillen

Met de oprichting op 1 januari 2009 van de Stichting Onderwijsgeschillen is er een landelijk onafhankelijk loket voor het hele onderwijsveld voor klachten, beroepszaken en medezeggenschapsgeschillen. Een eerste stap op weg naar bundeling van alle geschillencommissies in het onderwijs. Maar zover is het nog niet.
De Stichting Onderwijsgeschillen is een samenvoeging van de Stichting Landelijke Commissie Geschillen WMS met de onafhankelijke SGO en de geschillenafdeling van VOS/ABB (vereniging van openbare en algemeen toegankelijke scholen). SGO en VOS/ABB hebben hun secretariële ondersteuning en de door hen ondersteunde commissies samengevoegd. Niet alleen de medewerkers die voorheen de verschillende geschil-, klacht-, bezwaar- en beroepscommissies bemensten werken nu samen, maar ook de door hen in stand gehouden en ondersteunde commissies zijn samengebracht bij Onderwijsgeschillen. Daarmee kunnen alle scholen voor basis- en voortgezet onderwijs, maar ook MBO, HBO en WO bij een loket terecht voor onafhankelijke geschillenbeslechting (www.onderwijsgeschillen.nl).

Stichtingsnorm

Om een school te kunnen stichten, en opgenomen te worden op het Plan van Scholen, moet een school voldoen aan een aantal voorwaarden. Daarvoor is het volgende nodig op basis van artikel 75, lid 1 WPO:
• een prognose van het te verwachten aantal leerlingen;
• een beschrijving van het voedingsgebied (het gebied, vastgesteld door de prognoseopsteller, waaruit minimaal 70% van de leerlingen van de school afkomstig is);
• een aanduiding van de plaats in de gemeente waar het onderwijs moet worden gegeven;
• datum van ingang van de bekostiging;
• de school moet voldoen aan de stichtingsnorm.
Stichtingsnorm, plaats en behoefte
Om op het Plan van scholen terecht te komen, moet een schoolbestuur aantonen dat voldoende leerlingen de school zullen bezoeken. Dit gebeurt op grond van een leerlingenprognose. Het aantal leerlingen moet minimaal de stichtingsnorm (=10/6 maal de opheffingsnorm) bedragen, waarbij een ondergrens geldt van 200 leerlingen. Dit aantal leerlingen moet binnen vijf jaar op de school aanwezig zijn en dit moet gedurende 15 jaar in elk geval zo blijven.

Subsidie

Is een door de overheid verstrekte inkomens- of (geld)kapitaaloverdracht aan gezinnen of ondernemingen.

SVO

Speciaal voortgezet onderwijs

SWV

Samenwerkingsverband

Taak MR

De taken die de MR moet verrichten staan niet gedetailleerd omschreven in de WMS. Het gaat daarbij allereerst – gelet op het systeem van de WMS en de toegekende bevoegdheden – om het leveren van een bijdrage aan het tot stand komen van het beleid van een onderwijsinstelling. Voorts kan de MR de algemene gang van zaken binnen de school bespreken en terzake voorstellen doen, dus zelf beleid initiëren. Ten slotte geeft de wet een aantal deeltaken, zoals:
– het bevorderen van openheid en onderling overleg (art. 7 lid 1 WMS);
– waken tegen discriminatie en bevordering gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van gehandicapten en allochtone werknemers en inschakeling van gehandicapte en allochtone werknemers (art. 7 lid 2 WMS);
– schriftelijk verslag doen van zijn werkzaamheden aan alle bij de school betrokkenen en de geledingen en de eventuele raden, bedoeld in artikel 20 (themaraden, deelraden, groepsmedezeggenschapsraden) in de gelegenheid stellen om over aangelegenheden die de betrokken geleding of raden in het bijzonder aangaan, met hem overleg te voeren (art. 7 lid 3 WMS).

Taak(belastings)beleid

In taak(belastings)beleid wordt rekening gehouden met de belastbaarheid en ervaring van beginnende werknemers, senioren en minder arbeidsgeschikten. Taakbeleid of taakbelastingsbeleid bestaat uit diverse onderdelen. De bepaling van de omvang van de werkzaamheden op de school – het taakomvangsbeleid – is daarbij het meest bepalend. De taakverdeling op basis van de formeel beschikbare formatie en het feitelijk aanwezige personeel is cruciaal. Daarbij gaat het om een zo evenredig mogelijke spreiding van de werkzaamheden en een zo evenwichtig mogelijke taakbelasting van de individuele personeelsleden.
De werkgever stelt met instemming van de personeelsgeleding van de GMR de kaders van het taakbeleid vast (artikel 16, lid 3 WMS). De werkgever stelt met instemming van de personeelsgeleding van de MR als uitvoering van het taakbeleid alle schooltaken en de normering van deze taken in uren vast (artikel 12, lid 1, sub h WMS).

Taakbelasting

Taakbelasting wordt meestal opgevat als dat onderdeel van het taakbeleid dat gerelateerd is aan de mogelijkheden en de wensen van het individuele personeelslid. Het gaat om de taakvervulling op individueel niveau welke gepaard gaat aan de ervaren stress, die bepaald en beïnvloed wordt door de taaktoedeling door de organisatie enerzijds en de individuele taakopvatting anderzijds.

Taakdifferentiatie

Taakdifferentiatie houdt in dat personeelsleden van het bevoegd gezag de mogelijkheid of opdracht krijgen voor een kortere of langere periode andere taken te verrichten dan in hun functieomschrijving staan vermeld. En dat zonder dat de functie en het daarbij behorende salaris verandert. Taakdifferentiatie of taakroulatie heeft als doel meer variatie in het werk van het onderwijspersoneel aan te brengen.
Wijzigen de taken in omvang en zwaarte, dat er de facto sprake is van een andere functie, dan kan gesproken worden van een functiedifferentiatie en dient er overeenkomstig de bepalingen van de van kracht zijnde CAO functiewaardering te worden toegepast. Dat kan dan aanleiding zijn tot het toekennen van een andere salarisschaal.

Termijn

Een termijn is een bepaalde in een wet, reglement of ander officieel document vastgelegde tijdsduur. Aan een termijn kunnen bepaalde rechtsgevolgen gekoppeld zijn; bijvoorbeeld de WMS bepaalt dat ten minste eenmaal in de twee jaar een statuut wordt vastgesteld, in het (G)MR reglement is bijvoorbeeld bepaald dat de (G)MR vaststelt voor welke datum de verkiezing door de leden van de desbetreffende afzonderlijke medezeggenschapsraden moet hebben plaatsgevonden.
Een termijn kan ook worden afgesproken tussen partijen om elkaar voldoende tijd te geven bepaalde standpunten voor te bereiden of activiteiten uit te voeren. Soms is dat een exact aan te geven tijd.
Vaak is vooraf niet precies aan te geven hoe lang een bepaald proces gaat duren, en moet er van worden uitgegaan, dat de betrokken partijen niet meer tijd nemen of claimen dan absoluut noodzakelijk is zonder eigen belangen te schaden of die van de tegenpartij. Het eenzijdig vaststellen van een termijn, waardoor de andere partij zich onder druk gezet voelt, kan onder omstandigheden onredelijk zijn. De feitelijke gang van zaken kan (meestal pas achteraf) worden beoordeeld door een geschillencommissie of een rechter, die dan zal toetsen of over en weer een redelijke termijn in acht is genomen.
In artikel 22, sub c WMS wordt meerdere malen het woordje ‘tijdig’ gebruikt. Aan te bevelen is, dat steeds een concrete afspraak wordt gemaakt over het minimum aantal dagen dat agenda en stukken voor de vergadering van de raad, en voor de overlegvergadering tussen de raad en het bevoegd gezag aanwezig moeten zijn bij de leden van de raad. Deze afspraak moet in overeenstemming zijn met hetgeen is bepaald in het medezeggenschapsreglement

Termijndeposito

Spaargeld dat voor enige (meestal korte) tijd is vastgezet. Op deze rekening krijgt men een wat hogere rente, dan op de gewone spaarrekening. De kortlopende termijndeposito’s worden tot de secundaire liquiditeiten gerekend.

Themaraad

De (G)MR kan met instemming van het bevoegd gezag en met instemming van tweederde van de leden van de (G)MR een themaraad instellen (artikel 20, lid 4, WMS) voor een of meer van de aangelegenheden, bedoeld in artikel 10 en artikel 11 WMS dan wel artikel 16 WMS die aan de themaraad zijn overgedragen. Themaraden zijn samengesteld uit leden van personeel, ouders, leerlingen (voortgezet onderwijs).
Een themaraad kan ingesteld worden voor thema’s als: veiligheids-, gezondheids- en welzijnsbeleid, organisatie van de school, nieuwbouw of belangrijke verbouwing van de school. De taken van een themaraad kunnen zijn een duidelijke en gedeelde visie op een thema ontwikkelen om de kwaliteit van het onderwijs op dit specifieke thema (in)direct te beïnvloeden.
In de werkwijze het accent leggen op samen leren over afstemming van beleid op de onderwijspraktijk met de expliciete bedoeling deze te verbeteren.

Thuisonderwijs

Artikel 5 van de Leerplichtwet 1969 biedt gronden voor vrijstelling van inschrijving aan een school. Ouders/verzorgers kunnen zich beroepen op vrijstelling van de plicht tot inschrijving op de volgende gronden:
a. lichamelijke of psychische beperkingen van de jongere;
b. overwegende bedenkingen tegen de richting van het onderwijs op alle binnen redelijke afstand van de woning gelegen scholen onderscheidenlijk instellingen;
c. inschrijving aan een inrichting van onderwijs buiten Nederland.

 TL

 Theoretische leerweg

Toezichthoudend bestuur

Een bestuur dat op afstand van de school opereert en zich beperkt tot het bespreken van de algemene beleidslijnen van een onderwijsinstelling wordt wel een Raad van Toezicht genoemd.

 TOM

 Team onderwijs op maat

Traditionele vernieuwingsscholen

Traditionele vernieuwingsscholen zijn onder andere Montessorischolen, Daltonscholen, Freinetscholen, Jenaplanscholen en Vrije scholen.

Transactieliquiditeit

Liquide middelen die nodig zijn om de dagelijkse transacties van te betalen.

Trb.

Tractatenblad
Treasury

Het beheren van het geld van de organisatie.

Uitbreidingsinvesteringen

Aanschaffen van materiële vaste activa die langer dan één jaar meegaan, waardoor deze toenemen.

Uitgaven

In de financiële gang van zaken binnen de school vormen de uitgaven de basis voor de exploitatie. De uitgaven of de kasbasis vormen de kern van de schoolexploitatie.

 UWV

 Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen

Vacatieregeling

Een vacatieregeling is een vergoeding toegekend voor geleverde inspanningen. Het bevoegd gezag kan een vacatievergoeding toekennen aan ouders en leerlingen die lid zijn van de (G)MR. Hierbij kan gedacht worden aan de landelijke fiscale vrijwilligersvergoeding. De fiscaal onbelaste vrijwilligersvergoeding bedraagt maximaal € 1.500 per jaar. Per maand mag maximaal € 150 worden vergoed. De maximale uurvergoeding is € 4,50. Voor vrijwilligers jonger dan 23 jaar (leerlingen in het VO) geldt een maximum vergoeding per uur van € 2,50.

Vakbond

Is een organisatie van werknemers van één of meer bedrijfstakken of beroepsgroepen.

Vakcentrale

Is een overkoepelende organisatie van vakbonden

Variaties basisstructuur medezeggenschap

De WMS biedt mogelijkheden voor variaties op de basisstructuur van de medezeggenschap. De basisstructuur is dat er op elke school een medezeggenschapsraad (MR) is (artikel 3, lid 1 WMS). De WMS biedt keuzemogelijkheden om de medezeggenschap vorm te geven op een manier die het beste bij de organisatie past. In de wijze waarop binnen het geheel van de onderwijsorganisatie de medezeggenschapsstructuur wordt ingericht, zijn mogelijkheden voor het instellen van een deelraad, een themaraad, een groepsmedezeggenschapsraad en een bovenbestuurlijke medezeggenschapsraad (artikel 20 WMS). Het initiatief ligt bij de (G)MR maar de ‘afwerking’ bij het bestuur. Dat betekent dat als het bestuur het voorstel niet overneemt, gaat het instellen van een deelraad of themaraad niet door.

Vaste activa

Vaste activa of duurzame bezittingen. Een school heeft de beschikking over bezittingen met een duurzaam karakter. Deze vaste activa verminderen geleidelijk in waarde. Hierdoor moet jaarlijks de waarde op de balans worden aangepast. Het bedrag van de jaarlijkse aanpassing of waardevermindering vormt de afschrijving.

Vaste lasten

Regelmatig terugkerende betalingen die men als verplichting is aangegaan.

Vbo

Voorbereidend beroepsonderwijs
Verantwoording afleggen bestuur

Onderscheiden kunnen worden verticale en horizontale verantwoording afleggen van het bestuur:
– verticale verantwoording: verantwoording aan de overheid, over de onderwijskwaliteit ten overstaan van de Inspectie en over de besteding van gelden ten overstaan van Cfi en de Auditdienst;
– horizontale verantwoording: verantwoording aan andere belanghebbenden, relevante stakeholders in en rondom de schoolorganisatie; in dat verband worden ook wel drie typen ‘stakeholders’ onderscheiden:
1. stakeholders die belang hebben bij de bedrijfsvoering en bedrijfsprocessen, bijvoorbeeld het personeel;
2. stakeholders die belang hebben bij de realisatie van productie- en servicedoelstellingen van de instelling, bijvoorbeeld ouders en leerlingen;
3. stakeholders die primair belang hebben bij de maatschappelijke effecten of outcomes, bijvoorbeeld een lokale overheid of het welzijnswerk in de buurt.

Verbruiksgoederen

Goederen die korter dan één jaar meegaan.

Vereniging

De vereniging is een rechtspersoon, bestaande uit leden die volgens door henzelf te stellen regels willen samenwerken om een bepaald doel te bereiken, bijvoorbeeld het in stand houden van een of meer scholen, of het bevorderen van een bepaald soort onderwijs. In tegenstelling tot een stichting kent een vereniging leden. De algemene ledenvergadering heeft alle bevoegdheden, die niet door de wet of statuten aan andere organen zijn opgedragen (artikel 40, lid 1 Boek 2 BW). Het bestuur wordt gekozen door de ledenvergadering volgens de regels in de statuten bepaald.

Verkiezingen

De leden van een (G)MR worden gekozen door middel van verkiezingen. Deze verkiezingen moeten geheim zijn en de stemming dient schriftelijk plaats te vinden (artikel 3, lid 3 WMS. De WMS schrijft niet voor hoeveel leden een MR mag hebben. De raad kan dat zelf in zijn reglement vaststellen. De wet schrijft wel een minimum voor: er moeten minimaal vier leden zijn en wanneer er geen ouders en/of leerlingen zijn, bijvoorbeeld bij een centrale dienst, zijn het er minimaal twee. Verder moet de oudergeleding van een medezeggenschapsraad op een school voor voortgezet onderwijs net zo groot zijn als de leerlingengeleding. De wet schrijft dus ook voor welke geledingen er in de MR zitten, wie zich kandidaat mogen stellen en wie een stem uit mogen brengen. Verder geeft de wet aan wie geen lid van de raad kunnen zijn. Tot slot bepaalt de wet dat de verkiezing bij geheime schriftelijke stemming moet geschieden. Overige bepalingen omtrent de verkiezingen staan in het medezeggenschapsreglement.

Verkiezingscommissie

Een door de (G)MR ingestelde commissie die de verkiezingen organiseert.

Vermogen

Is het verschil tussen bezittingen en schulden.

Vermogensbeheer

Instrumenten, zoals kengetallen en begroting, die helpen bij het beheren van het vermogen. Het vermogen staat aan de rechterkant van de balans. Vermogensbeheer heeft te maken met de behoefte aan het financieren van de linkerkant van de balans: hoeveel kapitaal of vermogen heeft de onderwijsinstelling nodig en hoe financiert de onderwijsinstelling dit: met eigen vermogen of ook met vreemd vermogen

Vermogenskosten

Bestaan uit afschrijvingskosten en rente.

Verslag

Een verslag van een MR-vergadering bevat doorgaans de volgende kenmerken:
– per onderwerp een afgerond relaas: wat is er besproken in de vergadering, wat is er besloten en wat gaat er nog gebeuren;
– zo min mogelijk verwijzingen naar eerdere verslagen; – het verslag is leesbaar: korte zinnen, geen moeilijke woorden of vakjargon en geen afkortingen.
Een verslag leent zich doorgaans beter voor publicatie dan de notulen van een vergadering. Alle betrokkenen op school kunnen op een vrij eenvoudige en goedkope manier via het verslag op de hoogte gebracht worden wat er tijdens een vergadering aan de orde is geweest (zie ook artikel 22, sub d WMS).

Verticale verantwoordingsplicht

Het bevoegd gezag heeft een ‘verticale verantwoordingsplicht’ aan de overheid; over de onderwijskwaliteit verantwoordt men zich aan de Inspectie van het Onderwijs en over de besteding van gelden aan het Cfi en de Auditdienst.

Vertrouwensbeginsel

Een van de algemene beginselen van behoorlijke bestuur is het vertrouwensbeginsel: gewekte verwachtingen moeten zo mogelijk worden gehonoreerd.

Vervangende leerplicht

in bepaalde gevallen kan de jongere van 14 jaar of ouder onder verantwoordelijkheid van de school een programma volgen waarin arbeid van lichte aard is opgenomen; in het laatste schooljaar van de volledige leerplicht kan een leerling in bepaalde gevallen ingeschreven worden bij een instelling voor deeltijdonderwijs en daarnaast arbeid van lichte aard verrichten. Regulier dagonderwijs wordt gecombineerd met “praktijkleren” (artikel 3a Leerplichtwet 1969)
Vervangingsinvesteringen

Het aanschaffen van materiële vaste activa die langer dan één jaar meegaan, ter vervanging van afgeschreven spullen. De post materiële vaste activa neemt hierdoor niet toe.

Vervangingswaarde

De waarde van materiële vaste activa op basis van de actuele aanschafprijs.

Visie

Een visie is een beeld van de gewenste toekomst. Hoe uitvoeriger en duidelijker dat beeld is, des te dwingender het wordt ervaren. Een visie geeft vorm en richting aan de toekomst van de organisatie en helpt medewerkers en hun vertegenwoordigers deze toekomst waar te maken. Een visie is onontbeerlijk voor het ontwikkelen van een strategie, voor beleidsontwikkeling in de fase van oordeelsvorming bij besluitvormingsprocessen.

Vlottende activa

Buiten de vaste activa heeft de school bezittingen in de vorm van voorraden, of in de vorm van vorderingen aan derden. Deze beide zaken worden ‘vlottende activa of ‘vlottende bezittingen’ genoemd.
De liquide middelen worden doorgaans onder de vlottende activa opgenomen en vormen het geld in de vorm van banktegoeden, banktegoeden en kasgelden.

 Vmbo

 Voorbereidend middelbaar onderwijs

Vmbo-bbl Basisberoepsgerichte leerweg binnen het vmbo

 Vmbo-gemengd

 Gemengde leerweg binnen het vmbo

 Vmbo-kbl

 Kader beroepsgerichte leerweg binnen het vmbo

Vmbo-t

Theoretische leerweg binnen het vmbo

Volatiliteit

Maatstaf voor de dagelijkse, wekelijkse, maandelijkse of jaarlijkse afwijking naar boven of naar beneden van een berekende prijs- dan wel koersreeks ten opzichte van het gemiddelde. Bij beleggers is volatiliteit een maatstaf voor het risico dat gelopen wordt.

Volledig leerplichtig

de leerling moet door de ouders zijn ingeschreven bij een school en gedurende 5 dagen per week volledig dagonderwijs volgen (de school geregeld bezoeken)

 VOO

 Vereniging voor openbaar onderwijs

Voorlopige medezeggenschapsraad (VMR)

Een voorlopige medezeggenschapsraad (VMR) moet worden ingesteld bij de oprichting van een (geheel) nieuwe school (artikel 44 WMS). De VMR heeft tot taak om het door het bevoegd gezag voor te leggen medezeggenschapsreglement te beoordelen en verkiezingen voor de nieuwe MR voor te bereiden. Omdat het de bedoeling is zo snel mogelijk een reglementaire MR in het leven te roepen heeft de VMR in principe geen andere taken en bevoegdheden.
Bij een scholenfusie ontstaat ook een nieuwe school, maar dan kunnen de bestaande raden dikwijls in elkaar worden geschoven dan wel enige tijd gezamenlijk blijven voortbestaan tot aan de nieuwe verkiezingen. Bepalend zijn daarbij de artikelen F4 en F5 van het Besluit medezeggenschap onderwijs. Binnen drie maanden na de fusie wordt een medezeggenschapsraad gekozen aan de school op basis van een nieuw medezeggenschapsreglement.

Voorwaardenscheppende wet

De WMS is een voorwaardenscheppende wet. De WMS stelt de condities vast waarbinnen de medezeggenschap kan worden vorm gegeven.

Voorzieningen

Artikel 28 van de WMS brengt tot uitdrukking dat de medezeggenschap binnen de scholen niet goed kan worden gerealiseerd, indien medezeggenschapsorganen niet kunnen beschikken over de nodige middelen en voorzieningen. Het bevoegd gezag is verplicht de MR, de geledingenraden, de deelraden, de gemeenschappelijke medezeggenschapsraden en de gemeenschappelijke geledingenraden voorzieningen ter beschikking te stellen die het redelijkerwijs nodig heeft. Dit moeten voorzieningen zijn waarover het bevoegd gezag zelf kan beschikken, zoals vergaderruimten, kopieerapparatuur, telefoon en computers, maar ook binnen redelijke termen budgetten voor externe advisering en juridische ondersteuning. Hiernaast heeft de MR recht op faciliteiten in de vorm van tijd.

 VO-raad

 Brancheorganisatie voor het voortgezet onderwijs

Vrijstelling inschrijving

ouders kunnen onder bepaalde voorwaarden worden vrijgesteld van de verplichting hun kind in te schrijven bij een school of instelling (artt. 5 t/m 9 en art. 15 Leerplichtwet 1969)

Vrijstelling schoolbezoek

ouders of jongeren kunnen onder in de Leerplichtwet 1969 genoemde omstandigheden worden vrijgesteld van de plicht de school of instelling te bezoeken
Vrijwilligerswerk

Een vrijwilliger is iemand die regelmatig voor een instelling werkzaam is en niet voorkomt in de loon- en salarisadministratie, hoewel er van een (geringe) onkostenvergoeding sprake kan zijn. Voorwaarden waaraan werkzaamheden moeten voldoen voordat het vrijwilligerswerk mag heten. Vrijwilligerswerk is: werk waarvoor niet betaald wordt; werk dat niet beroepshalve wordt verricht; werk dat geen vaste arbeidsplaats inneemt; werk dat niet concurrerend is met betaald werk; werk dat niet meer dan 20 uur per week inneemt. Vrijwilligerswerk is wel vrijwillig maar niet vrijblijvend (www.vrijwilligerswerk.nl).

VSO

Voortgezet speciaal onderwijs

VwEU

Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

Vwo

Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs

Vz

Voorzitter

Vzngr.

Voorzieningenrechter

 Wajong

 Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten

 WAO (nu WIA)

 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (nu WIA)

 WAZO

 Wet arbeid en zorg

WBO

Wet op het Basisonderwijs

Wbp

Wet bescherming persoonsgegevens

 WEB

 Wet educatie en beroepsonderwijs

 WEC

 Wet op de expertisecentra

Weerstandscapaciteit

De mogelijkheid van organisaties om financiële tegenvallers op te vangen. De weerstandscapaciteit wordt bepaald door de bufferliquiditeit en de mogelijkheid om de kosten tijdig aan te passen aan de baten.

Werkgever

Is een bedrijf of organisatie die mensen in dienst neemt om tegen betaling werk te verrichten. Sinds de invoering van de verplichte bestuursaanstelling gebruikt men steeds meer de term werkgever in plaats van bevoegd gezag of bestuur van een school. De werkgever is de rechtspersoon waarbij de werknemers (personeelsleden) in dienst zijn.
Die werkgevers zijn veelal aangesloten bij een ‘werkgeversvereniging’ die statutair bevoegd is of gemandateerd is tot het sluiten van CAO’s.

Werkgeverscentrale

Is een overkoepelende organisatie van werkgeversverenigingen.

Werkgeversorganisatie

Is een vereniging van werkgevers om de belangen van (meestal) een bedrijfstak te behartigen.

Werkgeverspremies

Is de premies die de werkgever moet betalen voor de sociale verzekeringen van zijn werknemers. Hierdoor zijn de loonkosten hoger dan het brutoloon van de werknemers.

Werknemersverzekering

Sociale verzekering die geldt voor alle werknemers in Nederland. Voorbeelden van werknemersverzekeringen zijn de WAO en de Werkloosheidswet.

Werkoverleg

Werkoverleg is een min of meer geformaliseerd overleg tussen personeelsleden en hun leidinggevende, dat regelmatig en volgens een vast patroon plaatsvindt. Het werkoverleg is een goed moment om de meningen op de werkvloer over een bepaald onderwerp eens te peilen of om van collega’s een standpunt over een bepaalde zaak te vragen. De opzet en de inrichting van het werkoverleg vallen onder het instemmingsrecht van de PMR (artikel 12, lid 1, sub d WMS).

Werkplan

Een werkplan van MR of geledingenraden heeft de volgende functies: het maakt de doelstellingen van het orgaan duidelijk, het kan een middel zijn om de achterban bij het werk te betrekken, het structureert het werk en het kan als houvast dienen bij een evaluatie.
De MR kan in een bijlage bij het medezeggenschapsreglement zijn werkplan vastleggen (artikel 16, lid 1 WMO).

Wet goed onderwijs
goed bestuur PO/VO

De wet stelt eisen op het terrein van goed bestuur. Met deze nieuwe wet kan de overheid slagvaardiger en doelgerichter optreden als er sprake is van slecht onderwijs of zwak bestuur

Wetgever

Regering en parlement.

Wettelijk verzuim

het verzuim waarvan het schoolhoofd verplicht is het te melden aan de leerplichtambtenaar, te weten ongeoorloofd verzuim van drie achtereenvolgende schooldagen, dan wel verzuim van meer dan 1/8 deel van het aantal uren gedurende een periode van vier weken
WGA Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten

Wgr

Wet gemeenschappelijke regelingen

Whw

Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

 WIA

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

Winst

Het is het verschil tussen de opbrengsten en kosten in een bepaalde periode. Het is de beloning voor het ondernemersrisico.

Wmo

Wet medezeggenschap onderwijs 1992

Wms

Wet medezeggenschap op scholen

 WO

 Wetenschappelijk onderwijs

Wob Wet openbaarheid van bestuur

Woongemeente

gemeente waar de leerling woont; normaliter de gemeente waar de leerling ingeschreven is in de basisadministratie persoonsgegevens
(zie artt. 3a, 3b, 6, 7 en 19 Leerplichtwet 1969)

 WOR

 Wet op de ondernemingsraden

 WOT

 Wet op het onderwijstoezicht

 WPO

 Wet op het primair onderwijs

WRR

Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid

 WSNS

 Weer samen naar school

 WVO

 Wet op het voortgezet onderwijs

 WW

 Werkloosheidswet

 ZAVO

 Ziekte- en arbeidsongeschiktheidsregeling voortgezet onderwijs

Zelfstandige bevoegdheden geledingen

Een nieuw element in de WMS is dat de ouders-, leerling- en personeelsgeledingen zelfstandige instemmingsbevoegdheden krijgen. Bij de bepaling van die eigenstandige bevoegdheden zijn die onderwerpen gekozen die de betrokken geleding in het bijzonder raken. Deze mogelijkheid om in de eigen geleding het instemmingsrecht uit te oefenen ten aanzien van onderwerpen die voor betrokkenen direct van belang zijn, kan bijdragen aan meer betrokkenheid en inzet voor de MR en benadrukt het belang dat daaraan wordt gehecht. Met name voor de leerlinggeleding biedt het hebben van eigenstandige bevoegdheden de mogelijkheid om zich zelfstandig, zonder de ouders, te beraden en zich daarmee als een serieuze partij te manifesteren. Bovendien kan dit een uitnodiging zijn om zich actief in te zetten voor medezeggenschap en daarmee verantwoordelijkheid te nemen voor aangelegenheden met betrekking tot het onderwijs. Overigens kan een geleding besluiten af te zien van de eigenstandige bevoegdheid en deze te laten uitoefenen door de gezamenlijke geleding.

Zelfstandigheid van de school

Scholen ontwikkelen een eigen beleid binnen de kaders die de wetgever aangeeft. De WMO biedt de MR de mogelijkheden nauw bij de gang van zaken betrokken te zijn. MR-leden kunnen meebeslissen over ‘ontwikkelingsplannen’, de prioriteiten die men stelt en het gebruik van instrumenten om de problemen op adequate wijze te kunnen oplossen.

Ziekteverzuimbeleid

Vele factoren dragen bij tot stress en een hoog ziekteverzuim in het onderwijs. Het ziekteverzuim in het onderwijs is hoog. Dit komt onder andere door de continue eis om de positie ten opzichte van de groep leerlingen, maar ook collega’s te handhaven, de geringe invloed op de eigen arbeidsomstandigheden, de starre structuur van de onderwijsorganisatie, het ontbreken van kennis en bereidheid om stresssignalen op te vangen en er iets mee te doen en de hoge verzuimdrempel die op termijn verandert in een hoge terugkeerdrempel.
Heel wat scholen staan voor de opgave een personeelsbeleid te realiseren waarin mobiliteit, een aanvaardbare werkbelasting en goede werkomstandigheden gewaarborgd zijn. Ziekteverzuimbeleid en -preventie zijn reële opties en maken een noodzakelijk onderdeel uit van het personeelsbeleid van een school.
De Arbowet schrijft in artikel 4 voor dat de werkgever in overleg met vertegenwoordigers van de werknemers beleid moet formuleren op het gebied van gezondheid en ziekte. De werkgever is op grond van artikel 4a verplicht zijn algemeen beleid mede te richten op het zo veel mogelijk voorkomen of beperken van het ziekteverzuimbeleid van zijn werknemers. Ook het begeleiden van zieke werknemers en het herplaatsen van werknemers op een school onder hetzelfde bestuur is een taak van de werkgever, waarbij hij zich moet laten bijstaan door een gecertificeerde arbodienst.
Bij de vaststelling of regeling van het ziekteverzuim of het reïntegratiebeleid heeft het personeelsdeel van de MR instemmingsbevoegdheid (artikel 12, lid 1, sub k). Medezeggenschapsraden hebben instemmingsbevoegdheid bij het beleid op het gebied van gezondheid en welzijn, en ziekte (artikel 10, sub e WMS). Ziekteverzuimbeleid heeft dus geen zin als het niet op een breed draagvlak kan rekenen.

 ZKOO

 Besluit tegemoetkoming ziektekosten en inkomenstoeslag onderwijs- en onderzoekspersoneel

 ZMLK

 Zeer moeilijk lerende kinderen

 ZMOK

 Zeer moeilijk opvoedbare kinderen

Zorgbreedte

Bij zorgbreedte gaat het er om dat scholen een aanbod weten te creëren waarmee zij maatwerk in de klas kunnen leveren. Dat wil zeggen: instructie, leerstof en opdrachten aanpassen aan de begaafdheden van de individuele leerlingen.

Zorgplan

Een zorgplan bevat de uitwerking van maatregelen die moeten worden getroffen om leerlingen met onderwijsproblemen zoveel mogelijk binnen de basisschool te houden. Het opstellen van een zorgplan is wettelijk voorgeschreven voor scholen die aan een samenwerkingsverband deelnemen en dat in dat kader wel bestuurlijke sancties mogelijk zijn wanneer scholen niet meewerken aan de totstandkoming daarvan.
Op grond van artikel 10, lid b WMS heeft de (G)MR instemmingsbevoegdheid bij het vaststellen of wijzigen van het zorgplan.

 ZZP

 Zelfstandig zonder personeel