Afkortingen en begrippen
|
Aandeel |
Een aandeel (enkelvoud van aandelen) wordt ook wel een aandeelbewijs genoemd. Aandelen zijn eigendomsbewijzen van deelneming in een vennootschap. Dit betekent dat iemand die aandelen bezit, mede-eigenaar is van een vennootschap. Iemand die aandelen bezit heet een aandeelhouder is van een vennootschap. Iemand die aandelen bezit heet een aandeelhouder. |
|
Aanschafwaarde |
De waarde van een of meer gebouwen als optelsom van de respectievelijke aanschafprijzen en de bijkomende installatie-uitgaven indien deze op dit moment vervangen zouden worden. |
|
Aansprakelijkheidsverzekering |
Er zijn aansprakelijkheidsverzekeringen voor particulieren (AVP) en voor bedrijven (AVB). Dit is een verzekering tegen de financiële gevolgen van schade aan anderen, die door uw schuld of door uw bedrijf is veroorzaakt en waar u of uw bedrijf voor aansprakelijk wordt gesteld |
|
AB |
Administratiefrechtelijke Beslissingen |
|
ABP |
Het ABP is het pensioenfonds voor werkgevers en werknemers die werken voor de overheid of in het onderwijs |
|
ABRvS |
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State |
|
Absoluut verzuim |
de leerplichtige staat niet ingeschreven bij een onderwijsinstelling |
|
Achterban |
Onder ‘achterban’ wordt verstaan: de groep personen die men vertegenwoordigt of de groep door wie men in de MR is gekozen. Die groepen behoeven niet dezelfde te zijn. Soms kan een achterban vereenzelvigd worden met de groepering van waaruit men is gekozen. Bijvoorbeeld het gehele onderwijsgevende personeel, de totale administratie, de allochtone ouders; soms is het de verzameling kiezers die betrokkene hebben gekozen in de MR. De wet gebruikt de term ‘achterban’ niet. Terecht, omdat de betekenis die de gebruiker eraan beoogt te geven veelal uit de omstandigheden van het geval of de context van het verhaal opgemaakt moet worden. |
|
Actief kiesrecht |
Zelf kunnen kiezen. |
| Actieve kas | Geld dat wordt aangehouden omdat de ontvangsten en uitgaven niet samenvallen. |
|
Activa |
De balansposten op de linkerzijde van de balans: de bezittingen en vorderingen van een onderneming. Gezamenlijke baten van een vermogen, zowel in roerende als in onroerende goederen, waardepapieren, contanten en uitstaande vorderingen. Tegengesteld aan passief of schulden. |
|
Actuele waarde |
Waardering van activa op basis van actuele prijzen. Dit kan gerealiseerd worden door waardestijgingen en -dalingen direct als winst of verlies te boeken of door de waardeveranderingen op een aparte rekening herwaardering te plaatsen en pas bij verkoop door te boeken naar de winst en verliesrekening te boeken. |
|
Administratie |
De boekhouding. De registratie van alle processen in een bedrijf of organisatie. |
|
ADV |
De op jaarbasis overeengekomen (rooster)vrije dagen die op grond van een arbeidsduurverkortingsregeling zijn verleend. |
|
Adviesbevoegdheid |
De bevoegdheid van de (G)MR om het bestuur te adviseren over tal van onderwerpen. |
|
Adviesgeschil |
In een adviesgeschil beoordeelt de geschillencommissie of het bevoegd gezag
bij het niet of niet geheel volgen van het advies van de medezeggenschapsraad,
de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, de deelraad, de
groepsmedezeggenschapsraad, of een geleding van de genoemde raden, of de
themaraad bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot zijn
voorstel heeft kunnen komen. |
|
Adviesprocedure |
Het bevoegd gezag dient het advies vragen op een zodanig tijdstip dat het
advies van wezenlijke invloed kan zijn op de besluitvorming. Het moet uiteraard
mogelijk zijn om overleg te plegen voordat het advies wordt uitgebracht. |
|
Adviesrecht |
Het recht om advies uit te brengen. |
|
Adviesrecht van de medezeggenschapsraad |
Het adviesrecht van de MR kan ongevraagd en gevraagd worden uitgeoefend. De medezeggenschapsraad wordt vooraf in de gelegenheid gesteld om advies uit te brengen over elk door het bevoegd gezag te nemen besluit (artikel 11 WMS). De MR kan ook ongevraagd voorstellen doen en standpunten kenbaar maken (artikel 6 WMS). Adviesrecht van de medezeggenschapsraad betekent dat het bevoegd gezag niet verplicht is om conform het uitgebrachte advies van de medezeggenschapsraad te beslissen. |
|
Afschrijving |
Afschrijvingskosten zijn kosten die de economische waardevermindering weergeven van een goed gedurende de economische levensduur. |
|
Afschrijvingskosten |
Voorbeeld Een onderwijsinstelling koopt op 1 oktober van jaar X een nieuwe lesmethode
voor € 305.000. De vermoedelijke restwaarde na 5 jaar is € 5.000 en de
afschrijving gaat met jaarlijks gelijke bedragen. |
|
Afwijkingsmogelijkheid zwaarte bevoegdheden |
De basisgedachte en -structuur van de WMS dat op iedere school een MR (en bij meer dan een school een GMR) moet worden ingesteld, dient zonder onderscheid voor alle van overheidswege bekostigde scholen te gelden. De WMS bevat een afwijkingsmogelijkheid waardoor het bevoegd gezag onder bepaalde voorwaarden de zwaarte van de bevoegdheden (instemming of advies) van de MR of GMR kan bepalen. Als het wordt ondersteund door tweederde van zowel het personeel als de ouders, respectievelijk de ouders en de leerlingen voor wat betreft het voortgezet onderwijs, kan het bevoegd gezag, in afwijking van de reguliere systematiek voor het wijzigen van bevoegdheden, de bevoegdheden in het reglement op een andere wijze beleggen (artikel 29, lid 1, WMS). |
|
Agenda-overleg (G)MR-vergaderingen |
Voorafgaande aan de (G)MR-vergaderingen vindt doorgaans agenda-overleg plaats
tussen het bevoegd gezag of de schoolleiding/bovenschoolse directie en (leden
van) de (G)MR. |
|
AGRvS |
Afdeling geschillen van bestuur van de Raad van State |
|
Algemeen informatierecht medezeggenschapsraad |
Het, al dan niet gevraagd, tijdig ontvangen van alle inlichtingen van het bevoegd gezag die de medezeggenschapsraad voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijze nodig heeft (artikel 8, lid 1, WMS). |
|
Algemene beginselen van behoorlijk bestuur |
Bij de beleidsvorming en in het bijzonder bij de uitwisseling van informatie en het voeren van overleg met de MR, moet het bevoegd gezag naar redelijkheid en billijkheid omgaan met zijn macht. In dat kader worden wel eens de algemene beginselen van behoorlijk bestuur ter sprake gebracht. Dit zijn in het bestuursrecht ontwikkelde criteria die een rechter vaak hanteert: de rechtsplicht van het bevoegd gezag om een bevoegdheid alleen te gebruiken waartoe het gegeven is (detournement de pouvoir), verbod van willekeur ofwel het gelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het motiveringsbeginsel, en de rechtszekerheid. |
|
Algemene bevoegdheden MR |
De algemene bevoegdheden van de MR zijn vastgelegd in artikel 6 van de WMS en
vormen een basis waarop het werk van de MR kan worden gebouwd. Het gaat om:
|
|
Algemene kosten |
Kosten voor het management van bedrijven. Onderdeel van de overheadkosten. Kosten die samenhangen met het management van bedrijven, maar dan exclusief. Onderdeel van de overheadkosten maar dan exclusief interestkosten. Onderdeel van de verkoopkosten en langs die kant opgenomen in de commerciële kostprijs [euro/periode] |
|
Algemene wet gelijke behandeling |
De Algemene wet gelijke behandeling verbiedt individuen en maatschappelijke organisaties (waaronder onderwijsinstellingen) om onderscheid te maken tussen personen vanwege godsdienst, levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat. Het verbod geldt onder meer bij het aanbieden van een baan of van diensten. Sinds augustus 2009 is in deze wet op grond van handicap en chronische ziekte een nieuwe bepaling van kracht geworden die betrekking heeft op het primair en voortgezet onderwijs. Het artikel bepaalt dat onderscheid verboden is bij het verlenen van toegang tot, het aanbieden van, het afnemen van toetsen tijdens en het afsluiten van onderwijs als bedoeld in de WPO en de WVO. Het gaat hier om onderscheid tussen personen op grond van een handicap of chronische ziekte. Daarnaast is de school verplicht naar gelang de behoefte doeltreffende aanpassingen te verrichten, tenzij deze voor (haar) een onevenredige belasting vormen. Gedacht kan worden aan aanpassingen van meubilair en aanpassingen in de begeleidende sfeer. De MR heeft volgens artikel 7 lid 2 van de WMS de taak om te waken tegen discriminatie en de gelijke behandeling in gelijke gevallen en in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van gehandicapten en allochtone werknemers te bevorderen. |
| Amb |
Algemene maatregel van bestuur (wetgeving) |
|
AMvB |
Algemene maatregel van bestuur |
| AOb |
Algemene onderwijsbond |
|
AOC |
Agrarisch Opleidingen Centrum |
|
AOW |
Afkorting voor de algemene ouderdomswet. Het is een volksverzekering, die
geldt voor alle ingezetenen van Nederland en voor degenen die in dienst zijn van
een Nederlandse werkgever. De AOW voorziet in uitkeringen bij ouderdom. De
uitkeringen gaan in op de eerste dag van de maand waarin de verzekerde 65 jaar
wordt. |
|
Arbeid |
Is de mens als productiefactor. De beloning voor de productiefactor arbeid is loon. |
|
Arbeidsethos |
Is de opvatting dat men pas een volwaardig lid van de samenleving is als men betaald werk heeft. |
|
Arbeidskosten |
Arbeidskosten zijn alle kosten die betrekking hebben op de vergoedingen voor geleverde arbeid. Loon, sociale verzekeringspremies, loonbelasting, bedrijfskleding, reiskostenvergoedingen, opleidingen, cursussen, ziektekostenverzekeringen, eventuele arbeidsongeschiktheidsverzekering. Ook de kosten van ingehuurd personeel, bijvoorbeeld uitzendkrachten e.d. worden in principe als arbeidskosten meegeteld. In de financiële administratie worden kosten van uitzend- en inhuurkrachten wel op aparte grootboeknummers geboekt. |
|
Arbeidsvoorwaarden |
Arbeidsvoorwaarden kunnen worden onderverdeeld in primaire en secundaire
arbeidsvoorwaarden. Primaire arbeidsvoorwaarden zijn salarissen, toelagen en
gratificaties. Secundaire arbeidsvoorwaarden zijn onkostenvergoedingen
(bijvoorbeeld voor gebruik van auto en te volgen scholing). |
|
Arbeidsvoorwaardenoverleg |
Arbeidsvoorwaarden zijn de afspraken over arbeidsvoorwaarden of de rechtspositie die een werknemer en een werkgever maken over het werk. De personeelsleden in het openbaar onderwijs zijn ambtenaar in de zin van de Ambtenarenwet, hebben een eenzijdige aanstelling (in tegenstelling tot de tweezijdige benoeming) en ontlenen hun arbeidsvoorwaarden aan een algemeen geldende rechtspositieregeling, zoals het Rechtspositiebesluit WPO/ WEC. Zij volgen evenwel de voor het personeel in bijzondere scholen geldende en in CAO’s vastgelegde arbeidsvoorwaarden. Werknemers in bijzondere scholen zijn werknemer in de zin van het Burgerlijk Wetboek, hebben een arbeidsovereenkomst en kunnen rechtstreeks rechten ontlenen aan een afgesloten CAO. Overleg over arbeidsvoorwaarden vindt plaats op centraal, landelijk niveau in CAO-overleg. |
| Arbo |
Arbeidsomstandigheden(beleid) |
| Arbodienst |
Instantie voor bedrijfsgezondheidszorg |
|
Arbowet |
De essentie van de Arbowet is dat werkgevers en werknemers zelf
verantwoordelijk zijn voor de arbeidsomstandigheden in hun eigen sector of
branche en afspraken maken over de wijze waarop zij inhoud geven aan de door de
overheid gestelde doelvoorschriften. Werkgevers en werknemers kunnen dus zelf
regelen hoe zij samen de optimale veiligheid en gezondheid in de arbeidssituatie
willen bereiken en hoe deze verbeterd kunnen worden. Deze afspraken en
oplossingen zetten zij vervolgens in een arbocatalogus. Voor 1 januari 2010 moet
deze arbocatalogus zijn opgesteld. |
|
ARRvS |
Afdeling rechtspraak van de Raad van State |
|
Art. |
Artikel |
|
Automatisering |
Houdt in dat niet alleen lichamelijke arbeid wordt vervangen door machines, maar ook niet-lichamelijke arbeid. |
|
Autonomie en medezeggenschap |
De WMS biedt (G)MR’en en directies/besturen een grote vrijheid hoe zij de
medezeggenschap op hun school vorm willen geven. Scholen hebben de vrijheid
binnen de grenzen van de wet daar zelf vorm aan te geven. De betekenis en de
inbreng van de (G)MR is doorgaans groter als de raad eerder door de
(bovenschoolse) directie/het bestuur betrokken wordt bij het beleidsoverleg.
|
|
Autonomievergroting |
Autonomie betekent meer bevoegdheden van het bestuur van de school om – in overleg met de schoolleiding en de medezeggenschapsraad – een eigen beleid te voeren. |
|
AVS |
Algemene vereniging van schoolleiders in het primair onderwijs |
| Avv |
Algemeen verbindend verklaren (van bepalingen van de cao) |
| Awb |
Algemene wet bestuursrecht |
| AWGB |
Algemene wet gelijke behandeling |
|
B&W |
College van Burgemeester en Wethouders |
|
Balanced Score Card |
De balanced scorecard (BSC) is een veelgebruikt beoordelings- en evaluatie-instrument voor het behalen van lange termijndoelstellingen binnen organisaties. Het idee achter de balanced scorecard is dat een manager of organisatie niet alleen is af te rekenen op financiële resultaten, maar dat ook andere prestaties worden meegenomen in de jaarlijkse beoordeling. De term balanced komt van het feit dat verschillende factoren ook verschillend worden gewogen. Robert S. Kaplan en David P. Norton brachten de balanced scorecard onder de aandacht het grote publiek. (bron: Wikipedia) |
|
Balans |
Is een overzicht van alle bezittingen aan de linkerkant (activa of debetzijde) en de schulden plus het eigen vermogen aan de rechter kant (passiva of creditzijde) op een bepaald moment. Ook wordt een balans wel gedefinieerd als een staat, waar links de samenstelling van de bezittingen en rechts de herkomst (de bronnen) van het vermogen staat. |
|
Balanswaarde |
Waarde waarvoor de activa en de passiva op de balans staan. Wat betreft de vaste activa is de balanswaarde gelijk aan de aanschafwaarde minus de afschrijving op de vaste activa tot het moment waarop de balans wordt opgemaakt. |
|
Bank |
Een bank is een dienstverlenende onderneming op financieel gebied. De laatste jaren heeft er branchevervaging plaatsgevonden. Ze doen veel meer dan alleen financiële zaken. Sommige banken zijn complete reisbureaus, andere bieden een uitgebreid verzekeringspakket aan. |
| Bao | Basisonderwijs |
| BAPO |
Bevordering arbeidsparticipatie ouderen |
|
Basisschool |
Een school waar les gegeven wordt aan leerlingen van 4 tot 12 jaar, zoals dat
is geregeld in de Wet op het basisonderwijs. Kinderen zijn echter pas
leerplichtig vanaf de eerste dag van de maand na de vijfde verjaardag. |
|
Basisstructuur medezeggenschap |
De basisstructuur van de medezeggenschap, het uitgangspunt van de WMS, is dat er op elke school een medezeggenschapsraad (MR) is (artikel 3, lid 1 WMS). Naast een MR per school is er bij ieder bestuur met meer scholen een gemeenschappelijke medezeggenschapsraad ingesteld (GMR) (artikel 4, lid 1 WMS). De basisstructuur is de blauwdruk van de inspraak op iedere school. |
| Baten en lasten |
In het onderwijs en het bedrijfsleven administreren we volgens het
factuurstelsel. Dit houdt in dat de datum van de inkoopfactuur bepalend is voor
de maand waarop de kosten drukken. Als de factuur een maand later wordt betaald,
blijven de kosten ten laste komen van een maand eerder. Op het moment dat de
factuur wordt betaald is er sprake van een uitgave; het banksaldo wordt lager.
De factuurdatum geldt echter als boekdatum voor de administratie; op dat moment
stijgen de kosten. Uitgaven en kosten zijn in het factuurstelsel verschillende
begrippen. |
|
Bedrijf |
Organisatie gericht op het leveren van goederen of diensten die aan de afnemers in rekening kunnen worden gebracht. |
| Bedrijfskolom |
Alle opeenvolgende schakels om tot een eindproduct te komen. |
|
Bedrijfskosten |
Alle kosten die een bedrijf bij het produceren van een product maakt en die worden doorberekend in de prijs van het product, zoals bijvoorbeeld personeelskosten en reparatiekosten. |
|
Beginnend verzuim |
ongeoorloofde afwezigheid die zich uit in regelmatig spijbelen, variërend van structureel te laat komen, uren verzuimen, tot regelmatig met vriend(inn)en een dagdeel spijbelen |
|
Begrote kosten |
Kosten zoals die in een begroting zijn opgenomen. Begrote kosten geven enerzijds een verwachting aan, maar tegelijk zijn ze een norm die niet overschreden mag worden. Vaak komen de begrote kosten overeen met de verwachte kosten, maar soms bevatten ze een extra norm. Een voorbeeld hiervan is de berekening van het voorcalculatorische bezettingsresultaat als het verschil tussen de begrote en verwachte constante standaardkosten. |
|
Begroting |
Een begroting is een schriftelijk stuk, dat een inschatting bevat van zowel
de inkomsten als van de uitgaven van het bevoegd gezag in het komende jaar. De
begroting bevat meestal een toelichting op de financiële gevolgen van de
verschillende beleidsvoornemens en omvat daarmee veel waardevolle informatie
voor de MR. Een begroting wordt opgemaakt in opdracht van het bevoegd gezag ten
behoeve van de besluitvorming in het bestuur. |
|
Begrotingscyclus |
Is de tijd die verloopt tussen het voorbereiden en vaststellen van de begroting. |
|
Begrotingsresultaat |
Financieel verschil tussen het bedrag dat in de begroting staat en het bedrag
dat in werkelijkheid tot stand is gekomen. |
|
Bekostingsvoorwaarden |
Subsidievoorwaarden betreffende administratief-organisatorische en financiële aangelegenheden (zoals bouwvoorschriften, beheer, salariëring onderwijzend personeel). |
|
Belangen |
Een belang is iets dat iemand raakt, doordat zijn/haar voordeel, zijn/haar
voorspoed ermee gemoeid is. Personeel, ouders en leerlingen in de MR hebben
verschillende belangen. Het personeel heeft belang bij inspraak bij de
totstandkoming van het ‘product’ onderwijs en uitoefening van invloed op hun
arbeidsvoorwaarden. De personeelsgeleding van de MR heeft in de WMS exclusieve
zelfstandige instemmingsbevoegdheden gekregen bij de vaststelling of wijziging
van het beleid over arbeidsvoorwaardelijke aangelegenheden, zoals: de
verlofregeling, de arbeids- en rusttijdenregeling en de personeelsbeoordeling.
Dit pakket komt vrijwel overeen met de instemmingsrechten in de Wet op de
ondernemingsraden. |
|
Belastingen |
Worden door de overheid opgelegd aan belastingplichtigen, zonder dat daarvoor een directe tegenprestatie van de overheid tegenoverstaat. |
|
Beleggen |
Geld uitzetten tegen een vergoeding, zoals rente of dividend. Aanschaf van aandelen of obligaties met het idee die voor langere tijd vast te houden. |
|
Belegger |
Een persoon of organisatie die effecten aanschaft om zijn geld voor langere tijd uit te zetten. Elke persoon of organisatie die aandelen of obligaties koopt op de beurs. |
|
Beleggingen |
Geld uitzetten tegen een vergoeding, zoals rente of dividend (zie belegde middelen). Aanschaf van aandelen of obligaties met het idee die voor langere tijd vast te houden. |
|
Beleid |
Wanneer besloten wordt dat bepaalde besluiten gelden, kunnen we spreken van
beleid. Bij beleid moet gedacht worden aan een min of meer vastomlijnd geheel
van gedachten over de doelen die men wil nastreven, de prioriteiten die men
daarbij stelt en de wegen die men daartoe wil bewandelen. |
|
Beleidsbeslissing |
Een beleidsbeslissing is een beslissing die voor het functioneren van de school een fundamenteel, verstrekkende of richtinggevende betekenis heeft. Bij de beleidsbeslissing om bijvoorbeeld een veilige school te creëren staat de school als gemeenschap centraal. Het gaat er dan om dat de school door vroegtijdige signalering, preventie en aanpak een veilige leef- en werkomgeving zal moeten weten te scheppen voor alle betrokkenen. De kern van de zaak is dat er een norm gesteld gaat worden: ‘Zo gaan wij hier met elkaar om’. |
|
Beleidsorganen |
De MR en de GMR zijn net als het bevoegd gezag en de directie organen die hun aandacht richten op vooral beleidsmatige vragen. Niet alle beleid komt op eenzelfde punt in de organisatie tot stand. Sommige beleidsbeslissingen komen tot stand op het niveau van het schoolbestuur of het bevoegd gezag, soms ook binnen de werkorganisatie door het management of directie, en soms ook buiten de onderwijsinstellingen door bijvoorbeeld het samenwerkingsverband waarbij de school is aangesloten. De WMS is helder waar precies het zwaartepunt van het overleg van de MR of de GMR ligt. In toenemende mate komt het beleid tot stand op een niveau wat de school ontstijgt. Wanneer meerdere scholen onder eenzelfde bestuur ressorteren, zal daarom de GMR het platform moeten zijn waarin het overleg plaats vindt. |
|
Beleidsplan |
Een beleidsplan geeft antwoord op de vragen: Wat willen we? Wat weten we?
Welke prioriteiten stellen we? Hoe en wanneer ondernemen we actie? Wanneer
stellen we plannen waar nodig bij? |
|
Beleidsproces |
Het beleidsproces is de geschiedenis van het ontstaan en de groei van het beleid. |
|
Beleidsvorming |
Beleidsvorming is al het werk – zoals studies, overleg, onderhandelingen – dat verricht moet worden om tot beleidsbeslissingen te komen. In dat proces past gezamenlijkheid en gelijkwaardigheid tussen alle betrokkenen op school. |
|
Benchmark |
Een benchmark is een vergelijking met de beste leerling van de klas. Benchmarken worden als stuurgetal gebruikt om naar toe te werken. |
|
Benchmarking |
Het vaststellen van resultaten op een objectieve en verifieerbare wijze. |
|
Benoemingsbeleid |
Het benoemingsbeleid heeft betrekking op het aanstellen of benoemen van
nieuwe werknemers in de school. Bij het benoemingsbeleid gaat het om de
vaststelling van procedureregels, hoe benoemingen tot stand komen, de
vaststelling van de benoemingscriteria en de wijze waarop vacatures worden
bezet. Onderdeel van de procedure kan het advies van een
benoemingsadviescommissie zijn, waarin ook soms (G)MR-leden op persoonlijke
titel zitting hebben. |
|
Beroep van leraar |
Een geheel van met elkaar samenhangende (kern)taken, gemeenschappelijk aanvaarde theoretische en ethische uitgangspunten en beroepsmethodieken voor leraren waarvan de aard en de onderlinge samenhang onafhankelijk zijn van de concrete werksituatie. |
|
BES |
Bonaire, Sint-Eustatius en Saba |
|
Bescherming persoonsgegevens |
Persoonsgegevens zijn alle persoonsgegevens die informatie kunnen verschaffen
over een identificeerbare natuurlijke persoon in de zin van de Wet Bescherming
Persoonsgegevens (WBP). |
|
Besloten Vennootschap |
Juridische rechtsvorm die eigen rechtspersoonlijkheid heeft en waarvan het
eigen vermogen is opgebouwd uit aandelen die in handen zijn van de vennoten
(daarom heten die aandeelhouders). De aandeelhouders kunnen voor niet meer dan
hun aandeel in het eigen vermogen van de vennootschap aansprakelijk gesteld
worden voor de financiële verplichtingen van de onderneming. |
|
Besluitvorming |
De wijze van besluitvorming in de MR kan worden vastgelegd in het MR-reglement. Het nemen van een besluit bij gewone meerderheid betekent dat indien meer dan de helft van het aantal uitgebrachte stemmen zich voor een voorstel uitspreekt, dat voorstel dan is aangenomen. De verschillende stemmogelijkheden kunnen in het MR-reglement worden opgenomen. |
|
Besluitvormingsprocessen binnen de organisatie |
Besluiten zijn de resultante van besluitvorming die zich over de tijd heen voltrekt en dus als processen kunnen worden beschouwd. Betrokkenen, vaak actoren of ‘stakeholders’ genoemd (bijvoorbeeld leden van inspraakorganen), dragen dat proces. Elk proces kent een bepaald verloop, en een bepaalde structuur, bijvoorbeeld omdat er allerlei regels gelden voor wie waarover mag besluiten, hoe stromen lopen, of wanneer en hoe vergaderd wordt. Op die manier ontstaat een spel tussen besluitvormers (leden van bevoegd gezag, directieleden) of ‘stakeholders’ (bijvoorbeeld leden van inspraakorganen). Wanneer besloten wordt dat bepaalde besluiten gelden, kunnen we spreken van beleid. Beleid bevat besluiten, en als beleid wordt vastgesteld – als er over besloten wordt – dan kan gehandeld worden. De (G)MR heeft mogelijkheden om mede sturing te geven aan het beleid van de instelling op basis van de algemene bevoegdheden (artikel 6 WMS), instemmingbevoegdheden (artikel 10 WMS) en adviesbevoegdheden (artikel 11 WMS). |
|
Bestedingen |
Zijn alle uitgaven die gedaan worden om behoeften te bevredigen. |
|
Bestuur |
Het bestuur, het schoolbestuur en het b gezag zijn begrippen die aangeven
welk orgaan binnen de rechtspersoon waaronder een school ressorteert, de hoogste
zeggenschap uitoefent. |
|
Bestuurlijke schaalvergroting |
Bij bestuurlijke schaalvergroting blijven de daarbij betrokken scholen
voortbestaan. De schaalvergroting heeft betrekking op het verrichten van
bestuurs- en beheerstaken voor meer scholen. De voordelen zijn vooral te behalen
in een efficiënt beheer en in een professionalisering daarvan. |
|
Bestuursbenoeming |
Het personeel is in algemene dienst van het bestuur, het bevoegd gezag, voor het verrichten van werkzaamheden aan de door dit bestuur in stand gehouden scholen. |
|
Bestuursformatieplan |
Een bestuursformatieplan beoogt duidelijkheid te verschaffen aan
personeelsleden en ouders over de omvang van de personele formatie voor de
komende jaren en de wijze waarop deze wordt ingezet. De omvang is vooral voor de
personeelsleden van belang om de eigen rechtspositie goed in te kunnen schatten.
Bij een daling van de formatie kan dat immers met gedwongen ontslagen gepaard
gaan. Maar ook van belang is aan welke functies formatie wordt toegekend. Dit
ook weer ter bepaling van de eigen werkgelegenheid maar natuurlijk ook voor de
onderwijsinhoudelijke keuzes die een bestuur kan maken. |
|
Bestuursmodel |
Onder een ‘bestuursmodel’ wordt verstaan de wijze waarop bestuur en
management hun functioneren, de verdeling van taken en bevoegdheden en hun
onderlinge verhouding hebben geregeld. De volgende bestuursmodellen komen voor:
|
|
Bestuursverslag |
Het bestuursverslag is het eerste onderdeel van het jaarverslag van het
bevoegd gezag. Het bestuursverslag geeft informatie over het financiële beleid:
financiële positie op de balansdatum, een analyse op hoofdlijnen, verschillen
tussen begrote en gerealiseerde financiële gegevens, analyse van de kasstromen,
het treasurybeleid (beleggen en belenen) en een toelichting op investeringen en
het financieringsbeleid. |
|
Betaling |
Een betaling is een waarde-overdracht tussen twee partijen. Dit kan de overdracht zijn van geld, maar ook van effecten, obligaties of andere objecten waaraan een waarde in het economisch verkeer wordt toegekend. Onder betaling wordt in het onderwijs doorgaans verstaan: de betaling van een geldbedrag. |
|
Betalingsverkeer |
Alle betalingen, nodig om de gekochte goederen en diensten te kunnen betalen. |
|
Bevoegd gezag |
Het bevoegd gezag is het orgaan of de functionaris binnen de
onderwijsinstelling die de op grond van de wet, de statuten van de
rechtspersoon, bestuurlijke eindverantwoordelijkheid draagt. |
|
Bevoegdheden |
Een bevoegdheid is het recht tot het uitoefenen van bepaalde handelingen. De
bevoegdheden van de MR kunnen worden onderverdeeld in algemene bevoegdheden
(artikel 6 WMS) en bijzondere bevoegdheden (artikelen 10 tot en met 14). |
|
Bezittingen |
Goederen die iemand onder zijn beheer heeft, onafhankelijk van de vraag of die goederen zijn of haar eigendom zijn. |
|
Bezuinigen |
Minder geld uitgeven dan oorspronkelijk het plan was. Het saldo van ontvangsten en uitgaven verkleinen. Meer inkomsten genereren (bijvoorbeeld belastingen innen) om tekorten te verkleinen. |
| BGZ | BGZ |
| BHV |
Bedrijfshulpverlening |
| BHV'er |
Bedrijfshulpverlener |
|
Big Mac-index |
De Big Mac-index, een schepping van het Britse weekblad The Economist, is een informele berekeningswijze van koopkrachtpariteit. De index maakt een vergelijking tussen de verschillende valuta’s ten opzichte van de Amerikaanse dollar. Door de koopkracht van de dollar te vergelijken met die van een andere valuta, kan men zien hoeveel dollars die munt ‘eigenlijk’ waard is en of de wisselkoers te hoog of te laag is. De koopkrachtvergelijking doet men in dit geval heel eenvoudig: door te kijken naar de prijs van een Big Mac bij McDonald’s. Zo kan men een voorspelling maken van de wisselkoersen. De Big Mac-index bestaat sinds 1986 en wordt tweemaal per jaar gepubliceerd. |
|
Bijstellen/bijsturen van beleid |
Toezien op uitvoering van de aanbevelingen van de (G)MR. Daarnaast gaat het om oplossingen voor bij evaluaties geconstateerde tekortkomingen. |
|
Bijzonder onderwijs |
Uit de openbare kas bekostigd bijzonder schoolonderwijs wordt gegeven in
scholen vallend onder een vereniging of stichting, het particulier initiatief
dus. In de praktijk vrijwel altijd geheel (maar wettelijk voor ten minste de
helft) bekostigd door de overheid. Belangrijkste richtingen binnen het bijzonder
onderwijs: algemeen-bijzonder, protestants-christelijk, rooms-katholiek en
islamitisch onderwijs. |
|
Bijzondere bevoegdheden |
De bijzondere bevoegdheden hebben betrekking op aangelegenheden die door het bevoegd gezag worden voorgesteld in de vorm van voorgenomen besluiten. De bijzondere bevoegdheden kunnen onderverdeeld worden in instemmingsbevoegdheden (art. 10 WMS) en adviesbevoegdheden (art. 11 WMS). |
|
BIO (wet) |
Wet op de beroepen in het onderwijs |
|
Boa |
Buitengewoon opsporingsambtenaar |
|
Boekhouding |
Systeem om de financiële feiten te registreren. De administratie, de vastlegging van financiële en niet-financiële feiten. De afdeling die tot taak heeft om de administratie te verzorgen. |
|
Boekhoudkundige voorraad |
Het aantal stuks dat een bedrijf volgens de administratie op een bepaald tijdstip in het magazijn heeft. Dit aantal kan door bederf of diefstal afwijken van de technische voorraad en door koop- en verkooptransacties afwijken van de economische voorraad. De waarde van de goederen die volgens de boekhouding op een bepaald tijdstip aanwezig is in het magazijn. |
|
Boekingspost |
Bedrag dat in de boekhouding staat vermeld. Bedrag dat nog vermeld moet worden in de boekhouding. |
|
Boekjaar |
Periode van 12 maanden die de basis is voor het uitbrengen van een jaarrekening. Deze periode van 12 maanden valt doorgaans samen met een kalenderjaar, maar dat hoeft. Soms zijn er redenen om een boekjaar op een ander tijdstip dan 1 januari te laten beginnen, bijvoorbeeld om het gelijk op te laten lopen met een schooljaar of een academisch jaar. Studentenverenigingen doen dat bijvoorbeeld omdat er per academisch jaar een wisseling van het bestuur is. |
|
Boekwaarde |
De waarde waartegen materiële vaste activa op de balans staan. Deze waarde ontstaat door de aanschafwaarde minus de afschrijvingen. |
|
Bovenbestuurlijke medezeggenschap |
Bevoegde gezagsorganen kunnen een bovenbestuurlijke medezeggenschapsraad inrichten op voorwaarde dat alle aan het samenwerkingsverband (bijvoorbeeld WSNS) deelnemende bevoegde gezagsorganen en alle betrokken (G)MR’en daarmee instemmen. Deze instemming betreft zowel de instelling van de bovenbestuurlijk raad als het pakket van bevoegdheden (artikel 20, lid 5 WMS). |
|
Bovenbestuurlijke samenwerking |
Samenwerking tussen verschillende schoolbesturen. |
|
Bovenschools personeel |
Personeel met taken voor alle onder het schoolbestuur ressorterende scholen. |
|
Break-even-point |
Omvang van de productie waarbij de totale kosten en de totale opbrengsten aan elkaar gelijk zijn. |
|
BRIN-nummer (Basis Registratie Instellingen) |
Nummer waaronder een school bij de overheid geregistreerd staat. Een BRIN-nummer bestaat uit 2 cijfers en 2 letters. Voorbeeld: 24JK |
| BRON | Basisregister Onderwijs Nummer. Elke leerling is met zijn persoonsgebonden nummer geregistreerd in BRON. De bedoeling van het persoonsgebonden nummer is om de administratieve last van scholen te verlichten. Scholen hoeven dan hun gegevens aan steeds minder partijen te leveren, omdat de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) deze gegevens via BRON verstrekt. |
|
Bruidschat |
De bruidsschatregeling maakte het mogelijk het verzelfstandigde openbare schoolbestuur een extra budget voor uitgaven op het terrein van administratie, beheer en bestuur mee te geven. Deze tijdelijke regeling is voor het primair onderwijs op 31 december 2010 aflopen. |
|
Brutowinst |
Het verschil tussen de verkoopprijs en de kostprijs. |
|
Budget |
In het budget vindt de feitelijke vertaling plaats van het financiële
beleidsplan naar de organisatorische schoolonderdelen. Aan de hand van de
budgetten worden de taakopdrachten gegeven en bevoegdheden gedelegeerd. Op grond
van de toegekende budgetten kan iedere budgethouder achteraf rekening en
verantwoording afleggen. |
|
Budgetbeheer |
Instrumenten, zoals kengetallen en begroting, die helpen bij het beheren van de middelen die aan de linkerkant van de balans staan (liquide middelen). |
|
Budgethouder |
Een budgethouder is verantwoordelijk voor de besteding van het budget overeenkomstig de budgetopdracht. Voorbeelden van budgethouders in het onderwijs zijn: schooldirecteuren, locatieleiders, bouwcoördinatoren, IB-ers, ict-coördinatoren. |
|
Budgettering |
Vorm van financiering van (onderdelen van) organisaties door het toekennen van een maximaal bedrag voor een bepaalde periode; met product- en prestatieafspraken wordt overeengekomen welke tegenprestatie de ontvanger moet leveren. |
|
Budgetvergelijkingsoverzicht of uitputtingsoverzicht |
Deze overzichten geven inzicht in de tussentijdse exploitatiecijfers, bijvoorbeeld per maand of per kwartaal. De tussentijdse cijfers worden vergeleken met de begroting of het budget, zodat er gedurende het jaar inzicht is in de uitputting van het budget of begroting. Als de werkelijke baten en/of lasten afwijken van de begroting dan kan de instelling besluiten om het beleid bij te stellen. De realisatie wijkt af van de begroting. |
|
Bufferliquiditeit |
Liquide middelen die gebruikt kunnen worden om financiële tegenvallers van te betalen. |
|
Buitengewone baten |
Baten die ontstaan zijn buiten de gewone bedrijfsuitoefening om, zoals winst bij afstoten van vaste activa (gebouwen, deelnemingen) of een herziening van het boekhoudkundige stelsel. |
|
Buitengewone lasten |
Lasten die ontstaan zijn buiten de gewone bedrijfsuitoefening om, zoals verlies bij afstoten van vaste activa (gebouwen, deelnemingen) of een herziening van het boekhoudkundige stelsel. |
|
Buitengewoon resultaat |
Het saldo van de buitengewone baten en de buitengewone lasten. Doel is om gebruikers van de jaarrekening een juist beeld te laten krijgen van het resultaat uit gewone bedrijfsuitoefening door incidentele posten apart weer te geven in de jaarrekening. |
|
Buitenschoolse opvang |
Buitenschoolse opvang, soms ook naschoolse opvang genoemd, is een verzamelnaam van alle professionele kinderopvang, geregeld voor kinderen tussen de 4 en 13 jaar ‘buiten’ de schooltijden. Dit is per definitie na schooltijd en gedurende hele dagen tijdens de schoolvakanties, en soms ook voordat de school begint en als overblijven tussen de middag. |
| BVE |
Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie |
| BW |
Burgerlijk wetboek |
| BWOO |
Besluit werkloosheid onderwijs- en onderzoekspersoneel |
| BZA |
Besluit ziekte- en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel |
|
Cafetariasysteem (pensioenregeling) |
Systeem binnen de pensioenregeling waarbij werknemers keuzevrijheid hebben met betrekking tot verschillende pensioenvormen en pensioenhoogtes. Het cafetariasysteem wordt ook toegepast op de arbeidsvoorwaarden in ruimere zin dan alleen het pensioen. Werknemers kunnen binnen een cafetariasysteem verschillende beloningscomponenten onderling uitruilen. |
|
Cao |
Een CAO (Collectieve arbeidsovereenkomst) is een overeenkomst die wordt
afgesloten tussen twee partijen: aan de ene kant een werkgever (of meerdere
werkgevers al dan niet verenigd in een werkgeversvereniging) en aan de andere
kant een of meer vakbonden. |
|
Cashflow |
De kasstroom. De betekenis van het woord is afhankelijk van de specifieke situatie. |
|
CBHO |
College van Beroep voor het Hoger Onderwijs |
|
Centrale dienst |
Een centrale dienst is een aparte rechtspersoon waarin ondersteunende activiteiten worden ondergebracht. Het bevoegd gezag kan ten behoeve van de eigen organisatie een centrale stafdienst oprichten bijvoorbeeld voor de uitvoering van de salarisadministratie en/of rechtspositionele regelingen. Een centrale dienst kan tevens worden opgericht ten behoeve van een aantal organisaties die samenwerken in een samenwerkingsverband ten behoeve van de REC-vorming, of WSNS. De MR heeft adviesbevoegdheid bij het oprichten van een centrale dienst (artikel 11, onder m WMS). |
|
Cfi (nu DUO) |
Centrale financieringsinstelling voor het onderwijs. ie DUO |
|
CGB |
Commissie gelijke behandelingen |
|
CGOA |
Centraal georganiseerd overleg in ambtenarenzaken |
|
CITO |
Centraal instituut voor toetsonderzoek |
|
Cluster 1 |
Scholen voor leerlingen met een visuele beperking |
|
Cluster 2 |
Scholen voor dove en slechthorende kinderen en scholen voor kinderen met ernstige spraak- en/of taalmoeilijkheden, mogelijk in combinatie met een andere handicap |
|
Cluster 3 |
Scholen voor leerlingen met een verstandelijke handicap (ZML) en/of lichamelijke beperkingen (LG/MG), leerlingen die langdurig ziek (LZ lichamelijk) zijn. |
|
Cluster 4 |
Scholen voor kinderen met een gedragshandicap (ZMOK) of psychiatrische problemen (PI en LZ–psychische problemen) |
|
CMR |
Centrale medezeggenschapsraad (gelijk aan MR t.o.v. deelraden) |
|
CNVO |
Christelijk nationaal vakverbond onderwijs |
|
Code goed bestuur |
Een lijst met principes voor bestuur en toezicht. |
|
Commissie ex artikel 82 |
Het College van B&W is bevoegd gezag van een school voor openbaar onderwijs. De gemeenteraad kan deze competentie overdragen aan een commissie ex artikel 82 van de gemeentewet. Een commissie ex artikel 82 van de gemeentewet wordt ingesteld om het bestuur van de school op een min of meer grote afstand van het gemeentebestuur te plaatsen. |
|
Commissie ex artikel 83 |
Het College van B&W is bevoegd gezag van een school voor openbaar onderwijs. De gemeenteraad kan deze competentie evenwel ook aan zichzelf toedelen of overdragen aan een commissie ex artikel 83 van de gemeentewet instellen. De gemeenteraad regelt in dat geval de bevoegdheden en de samenstelling van deze commissie. Een commissie ex artikel 83 van de gemeentewet wordt ingesteld om het bestuur van de school op een min of meer grote afstand van het gemeentebestuur te plaatsen. |
|
Communicatie |
Met communicatie wordt in het algemeen bedoeld: uitwisseling van informatie.
Dat kan via de taal (verbaal) of op andere manieren (non-verbaal, bijvoorbeeld
seinen met vlaggen). |
|
Communicatiestromen |
Communicatiestromen zijn de richtingen van communicatie die je binnen een
organisatie kunt onderscheiden. Bij de communicatiestromen wordt onderscheid
gemaakt tussen formele en informele communicatiestromen. Onder de formele
communicatiestromen vallen: |
|
Communicatiestructuur |
De communicatiestructuur op school beschrijft welke personen (groepen) vanwege verantwoordelijkheden en taken met elkaar te maken hebben en op welke wijze deze contacten lopen. |
|
Conflictmodel |
Een visie op medezeggenschap om over in principe over elk agendapunt strijd te voeren en te willen winnen, omdat aan het slot van de onderhandelingen er ‘winnaar’ en ‘verliezers’ moeten zijn (‘win-verliesstrategie’). Hoe kan men winnen zonder de ‘tegenstander’ te laten verliezen? Hoe kan men een koek verdelen en toch meer dan de koek krijgen? Het antwoord op deze vragen biedt de strategie van het onderhandelen, op win-winbasis. Beide partijen krijgen dan de ruimte om resultaat te kunnen boeken. |
|
Confrontatiemodel |
De (G)MR gaat de confrontatie met het bevoegd gezag of de directie aan. Argumenten worden uitgewisseld, met het doel tot overeenstemming te komen. Beide partijen krijgen de ruimte om resultaat te kunnen boeken (‘win-winstrategie’). Vaardigheid in communicatie is een onmisbaar vehikel in dit soort onderhandelingen. Alleen communicatietechnieken en procesbeheersing maken het mogelijk om tegelijk ‘hard’ en ‘zacht’ te kunnen zijn in een onderhandeling en een klimaat op te roepen waarin ruimte is voor meer dan een winnaar en voor meer winst dan die halve die voorkomt uit het compromis. |
|
Consensus |
Overeenstemming van gevoelens; algemene gelijkheid van opvattingen, veelal verkregen door overtuiging op basis van argumenten. |
|
Consument |
Iedereen die goederen koopt om daarmee in behoeften te voorzien |
|
Consumentenbeleid |
Overheidsbeleid dat ten doel heeft de positie van de consument als marktpartij (vrager) te versterken door wetgeving. |
|
Consumeren |
Is het aankopen van goederen door de consument. |
|
Contactouders |
Contactouders zijn groepjes van meestal vier a vijf ouders per groep, die contacten onderhouden met de leerkracht en de overige ouders van de kinderen uit die groep. Zij mobiliseren de betrokkenheid van alle ouders. Zij vervullen een brugfunctie door op te treden als vertegenwoordiger van en naar de ouders van de leerlingen uit de groep van hun kind en mogelijk de ouders in de MR. Het ouders-/leerlingendeel van de MR heeft instemmingsbevoegdheid bij de vaststelling of wijziging van een mogelijk ouderstatuut (artikel 14, onderdeel e, WMS). |
|
Continurooster |
De term continurooster komt niet voor in de formele wet- en regelgeving.
Veelal wordt er onder verstaan dat leerlingen een ononderbroken schooldag
hebben, dat wil zeggen een schooldag die niet onderbroken wordt om leerlingen in
de gelegenheid te stellen de pauze tussen de middag thuis te kunnen doorbrengen.
|
|
Contract |
Een contract is op een schrift gestelde ondertekende overeenkomst tussen bijvoorbeeld een ouder die als vrijwilliger toezicht houdt bij het overblijven en het bevoegd gezag, waarin de onderlinge afspraken zijn opgenomen. |
|
Control |
Beheersing van een bedrijfskundig proces. Dit betekent dat iemand de verantwoordelijkheid en de zeggenschap heeft om ervoor te zorgen dat een bepaald proces in het bedrijf op correcte wijze wordt uitgevoerd. |
|
Convenant |
Convenant is een ander woord voor overeenkomst. De partijen bij een convenant, de inhoud en de vormgeving van het convenant kunnen per situatie verschillend zijn. Een convenant dat eenmaal is overeengekomen kan niet eenzijdig door een van de partijen worden gewijzigd en schept over en weer verplichtingen die in een uiterst geval via de civiele rechter kunnen worden afgedwongen. |
|
Convenant LeerKracht van Nederland |
Op 1 juli 2008 is het convenant LeerKracht van Nederland PO en VO getekend
door minister Plasterk en de sociale partners in het onderwijs. In dit convenant
staan concrete afspraken om het lerarentekort aan te pakken en de kwaliteit van
onderwijs te waarborgen. Deze richten zich op drie thema’s: een sterkere positie
van de leraar, een betere beloning en een optimale inzetbaarheid. |
|
Credit |
Met credit geven we aan dat een post aan de rechterkant van de balans staat of staat van baten en lasten. Een creditpost op de balans geeft een vorm van financiering aan (eigen vermogen en vreemd vermogen). Een creditpost op de staat van baten en lasten geeft een opbrengst aan. |
|
Credit card |
Uit de VS afkomstige wijze van betalen met behulp van een gewaarborgde identiteitskaart waarmee goederen (ook consumptiegoederen) op krediet gekocht kunnen worden. |
|
Crediteur |
Een crediteur is een schuldeiser. Crediteuren ontstaan op het moment dat er
een verschil ontstaat tussen de factuurdatum en de latere betaling van die
factuur. De hoogte van de gezamenlijke schulden aan crediteuren staan aan de
linkerkant van de balans. Deze kant wordt de creditkant van de balans genoemd.
Vandaar de naam crediteur. |
|
Crediteuren |
De zakenrelaties die nog geld tegoed hebben, zoals de mensen die handelsgoederen, grondstoffen of diensten geleverd hebben (de handelscrediteuren) of de mensen die andere goederen of diensten geleverd hebben. |
|
Creditkant of passivakant |
De creditkant van de balans is de rechterkant van de balans. Een andere naam
is passivakant. Op deze kant van de balans staat het vermogen van een
instelling, verdeeld in eigen vermogen en vreemd vermogen. De creditkant of
passivakant van de balans geeft aan hoe de instelling is gefinancierd. |
|
CRvB |
Centrale Raad van Beroep |
|
Cultuur |
Onder cultuur is te verstaan de wijze waarop men binnen de organisatie met elkaar omgaat. |
|
Current ratio |
Als indicator voor de liquiditeit is de ‘current ratio’ gebruikt. Dit getal geeft aan in hoeverre een instelling op korte termijn voldoende vlottende bezittingen heeft om aan haar korte termijn (financiële) verplichtingen te kunnen voldoen. De current ratio wordt berekend uit de verhouding tussen de vlottende activa en het kort vreemd vermogen (vlottende activa/vreemd vermogen kort). |
|
CvB |
College van bestuur |
|
CvI |
Commissie van indicatiestelling |
|
Dagarrangement |
Onder een dagarrangement voor kinderen van 4-12 jaar wordt gerekend een aaneengesloten aanbod van voorschoolse opvang, onderwijs, opvang tussen de middag en culturele, educatieve en sportieve activiteiten na school. |
| Dagboeken |
De financiële administratie kent vier dagboeken: inkoopboek, verkoopboek, kasboek en bankboek. Deze dagboeken groeperen de verschillende soorten grootboekrekeningen. In het inkoopboek staan de inkoopfacturen, in het verkoopboek de baten, in het kasboek de contante betalingen en in het bankboek de betalingen per bank. |
|
Dagelijks bestuur |
Het dagelijks bestuur (DB) van de (G)MR bestaat doorgaans uit de voorzitter, secretaris, vice-voorzitter en eventueel een MR-lid. De samenstelling, taak en werkwijze van het DB kunnen worden vastgelegd in het (G)MR-reglement. Tot de taken van het DB behoren veelal: het bespreken van de actuele zaken, het bewaken van gemaakte afspraken, en het verzamelen van informatie bij directie en bestuur ter voorbereiding van besprekingen. Het is aan te bevelen met een DB te gaan werken wanneer de omvang van een (G)MR vrij groot zijn. |
|
Debet |
Met debet geven we aan dat een post aan de linkerkant van de balans staat of staat van baten en lasten. Een debetpost op de balans geeft een bezitting aan. Een debetpost op de staat van baten en lasten geeft een kostenpost aan. |
|
Debiteur |
Organisatie of persoon die nog moeten betalen voor geleverde goederen of diensten. |
|
Decentraal Georganiseerd Overleg |
Het Decentraal Georganiseerd Overleg (DGO) is het overleg over de uitvoering van de arbeidsvoorwaarden tussen een afzonderlijk schoolbestuur met de centrales van overheids- en onderwijspersoneel. |
|
Deelraad |
Op verzoek van de MR en met instemming van het bevoegd gezag kan – met
instemming van tweederde van de leden van de MR – een deelraad worden ingesteld
op het niveau van een dislocatie, nevenvestiging of (organisatieonder)deel van
een school. Bijvoorbeeld een deelraad voor vmbo-scholen en vwo-scholen of een
deelraad voor de boven-, middenen onderbouw van de schoolorganisatie. Een
deelraad treedt in dat geval in de hem overgedragen bevoegdheden van de MR voor
zover uitoefening van die bevoegdheden geen betrekking heeft op een ander deel
van de school (artikel 20, lid 1, WMS). De deelraad van de nevenvestiging of het
organisatieonderdeel wordt vervolgens gelijkgesteld aan de MR van de school,
maar alleen voor zover het uitoefenen van de bevoegdheden de andere
nevenvestiging) of het organisatieonderdeel niet raakt. |
|
Deflatie |
Is een situatie waarbij de effectieve vraag afneemt, waardoor het algemeen prijspeil zou kunnen dalen. |
|
Delegatie |
Delegatie is het overdragen door het bestuursorgaan van zijn bevoegdheid tot
het nemen van besluiten aan een ander orgaan of een functionaris die deze
bevoegdheid vervolgens onder eigen verantwoordelijkheid uitoefent. Wezenlijk is
dat degene aan wie is gedelegeerd, de overgedragen bevoegdheid onder eigen
verantwoordelijkheid uitoefent en de macht heeft deze bevoegdheid wederom door
te geven aan een ander. Het is mogelijk dat aan de delegatie voorwaarden voor de
uitoefening van de bevoegdheden worden verbonden. Wel is het orgaan dat
bevoegdheden gedelegeerd heeft gekregen, verplicht inlichtingen te geven aan het
orgaan dat bevoegdheden gedelegeerd heeft over de uitoefening van de
bevoegdheden. |
|
Demotie |
Verplaatsing van een hogere functie naar een lagere (het omgekeerde van promotie dus), wat een verlaging van het salaris met zich meebrengt. Onder voorwaarden is het mogelijk om op basis van het salaris voorafgaande aan de demotie pensioen te blijven opbouwen. |
|
Deregulering |
Is het beleid om het aantal wetten en regels te versoepelen of te verminderen, zodat er meer ruimte is voor particulier initiatief. |
|
Derivaten |
Derivaten zijn afgeleide financiële instrumenten, al dan niet op beurzen verhandelbaar, waarvan de waarde afhankelijk is van de waarde van bepaalde andere financiële producten (aandelen, rente, valuta’s) die op contante markten worden geprijsd. |
| Desinvesteringen |
Bij onderwijsinstellingen gaat het bij desinvesteringen over het verkopen van activa, zoals inventaris. |
|
Detachering |
Het verrichten van tijdelijke werkzaamheden bij een organisatie/onderneming, voor rekening van een andere organisatie/onderneming waardoor de werknemer is uitgezonden. |
|
Deugdelijkheidseisen |
Op grond van artikel 23 van de Grondwet heeft een bevoegd gezag van een bijzondere school de vrijheid om het onderwijs te doen verzorgen, gebaseerd op een zelf te bepalen beginsel van levensbeschouwelijk of wereldbeschouwelijke aard, welke dan ook. De overheid kan daarbij slechts deugdelijkheidseisen stellen betreffende de kwaliteit of inhoud van het onderwijs – niet aan de richting of inrichting van het onderwijs. Dit laatste kan wel in scholen voor openbaar onderwijs. |
|
Diensten |
Diensten zijn niet tastbare zaken. Het kenmerkend verschil tussen een concreet goed en een dienst is dat een dienst niet op voorraad geproduceerd kan worden. Voorbeeld: als een accountant een rapport uitbrengt, verricht hij een dienst. |
|
Dienstjarenstelsel |
Een term die wordt gebruikt bij de nadere typering van een eindloonregeling. Bij salarisverhogingen worden in eindloon-regelingen ook hogere pensioenaanspraken over voorgaande jaren gegeven. In een dienstjarenstelsel worden deze hogere aanspraken alleen verleend over de jaren waarin de werknemer deelnemer was aan de pensioenregeling en dus over de jaren waarin de deelnemer in dienst was van dezelfde werkgever. In een levensjarenstelsel tellen echter alle jaren vanaf een bepaalde leeftijd (meestal 25 jaar) mee, ook de jaren waarin de werknemer geen deelnemer was aan de pensioenregeling. |
|
Differentiële kosten |
Differentiële kosten zijn de extra kosten om een extra partij goederen te maken. De machinekosten en andere vaste kosten zijn dan al gedekt via de normale afzet en een ondernemer kan dan voor die extra partij goederen alleen de variabele kosten berekenen zodat hij met een lagere prijs kan volstaan om toch nog winst te maken. |
|
Directe belastingen |
Directe belastingen zijn belastingen op inkomen en vermogen. Het ‘direct’ betekent dat de belastingbetaler bij de fiscus bekend is. Dat is niet zo bij de indirecte belastingen. |
|
Directe kosten |
Directe kosten zijn productiekosten of verkoopkosten die rechtstreeks doorberekend kunnen worden aan de eenheden product. In de kostenverbijzondering kent men naast de indeling directe / indirecte kosten ook de indeling constante / variabele kosten. |
|
Directe ruil |
Is het tegen elkaar uitwisselen van goederen den diensten zonder gebruik van geld. Dit noemt men ook wel ruil in nature. |
|
Directie |
Met directie wordt bedoeld de volledige schoolleiding: directeuren en
adjunctdirecteuren, rectoren en conrectoren. |
|
Directiestatuut |
Een directiestatuut is een in PO en VO wettelijk voorgeschreven document
waarin de onderlinge afbakening van taken en bevoegdheden van het bevoegd gezag
en de directie wordt geregeld. In toenemende mate worden aan de directie
beleidsvoorbereidende taken en beslissingsbevoegdheden overgedragen in de vorm
van mandaat. |
|
Dislocatie |
Tijdelijke dependance van een school. |
|
Dividend |
Uitkering van een deel van de winst aan de aandeelhouders. |
| Dotatie |
Het opbouwen van een voorziening noemen we een dotatie aan de voorziening. De dotatie is als kostenpost terug te vinden op de staat van baten en lasten. |
|
DUO |
Dienst Uitvoering Onderwijs |
|
Duur volledige leerplicht |
begin: op de eerste schooldag van de maand volgend op die waarin de jongere 5
jaar wordt (artikel 3, eerste lid Leerplichtwet 1969) |
|
Duurzame samenwerking |
Onder het aangaan van een duurzame samenwerking met een of meer andere
instellingen wordt doorgaans verstaan de ontwikkeling van een gemeenschappelijke
visie, een helikopterview, met daarbij aandacht voor competenties, cultuur en
ondersteuning. |
|
Dwingen |
De WMS ‘dwingt’ het bevoegd gezag de MR jaarlijks informatie te verstrekken over het te voeren beleid. De keuzevrijheid van het bevoegd gezag wordt enigszins beperkt door de dwingende keuzes die de WMS gebiedt te maken. Dit betekent dat de MR beleidsprocessen waarschijnlijk beter kan volgen en controleren. |
|
Economische groei |
Als maatstaf voor economische groei neemt men vaak de groei van het reële nationaal inkomen per hoofd van de bevolking. |
|
ECRM |
Europese Commissie voor de Rechten van de Mens |
|
Educatief partnerschap |
Educatief partnerschap is de samenwerking tussen school en ouders om een optimale ontwikkeling van capaciteiten van leerlingen te realiseren. Succesfactoren voor educatief partnerschap zijn onder andere: maatregelen ter verbetering van het contact en het op elkaar afstemmen van de verwachtingen van ouders en school. Ondersteunende ouders en effectieve scholen kunnen elkaar goed versterken. Wederzijds begrip speelt daarbij een belangrijke rol. Het ouders-/leerlingendeel van de MR heeft instemmingsbevoegdheid bij de vaststelling of wijziging van een mogelijk ouderstatuut (artikel 14, onderdeel e, WMS). |
|
Educational (Good) Governance |
Aanbevelingen en afspraken voor bestuur en toezicht in het onderwijs. |
|
Effecten |
Papieren die een waarde vertegenwoordigen en die vrij verhandelbaar zijn, zoals aandelen en obligaties. De belangrijkste plaats voor de handel in effecten is de effectenbeurs. |
|
Effectieve scholen |
Effectieve scholen zijn scholen die het lukt om betere resultaten te bereiken bij leerlingen. Kwaliteit staat dan gelijk aan de toegevoegde waarde die een school bij leerlingen weet te realiseren. Uiteraard moet daarbij rekening worden gehouden met de bijzondere situatie van allochtonen en arbeiderskinderen. Kenmerken van effectieve scholen zijn: een sterk onderwijskundig leiderschap, deskundige leerkrachten en actieve vormen van ouderparticipatie. |
|
Effectiviteit |
Het al dan niet volledig bereiken van de gestelde doelen. Bijvoorbeeld met betrekking tot de begrote en de werkelijke kosten, het geschatte en het werkelijke ziekteverzuim, het beoogde en het werkelijke rendement. |
|
Efficiency |
De zuinigheid bij het gebruik van middelen om de gestelde doelen te bereiken. |
|
EG |
Europese Gemeenschap(pen) |
|
EHRC |
European Human Rights Cases |
|
EHRM |
Europees Hof voor de Rechten van de Mens |
|
Eigen beleidsruimte |
De school heeft een eigen beleidsruimte en kan binnen bepaalde kaders zelf beslissingen over een veelheid van onderwerpen (bijvoorbeeld over de gelden voor nascholing). |
|
Eigen gezicht (G)MR |
Een (G)MR moet niet alleen goed werk leveren, hij moet daarbij ook een gezicht hebben naar buiten toe. Dat is de meerwaarde van bijvoorbeeld een advocatenkantoor boven een verzameling los van elkaar opererende individuele advocaten. Het is met name de taak van de voorzitter dat gezicht van de (G)MR te verwoorden en te verbeelden in zijn optreden naar de achterban, het management en het bestuur. Het (positieve) medezeggenschapsimago wordt natuurlijk niet alleen bepaald door activiteiten van de voorzitter, maar ook door bijvoorbeeld de (positieve) inhoud van de berichtgeving over het functioneren van de raad en vastgelegd in het medezeggenschapsstatuut (artikel 22, onderdeel d, WMS). Het moet ook zichtbaar zijn in de (positieve) wijze waarop de (G)MR-leden hun werk verrichten. Dit betekent dat de (G)MR-leden in hun optreden iets gemeenschappelijks moeten hebben en dat hun activiteiten op elkaar afgestemd zijn. Daarbij zou gebruik gemaakt moeten worden van ieders specifieke kwaliteiten en interessen. Een (G)MR heeft belang bij het goed functioneren van ieder (G)MR-lid afzonderlijk en kan het beste leden die niet optimaal functioneren zonodig steunen en behoeden voor fouten en uitglijders. |
|
Eigen schoolbeleid |
Scholen zijn organisaties met een eigen schoolbeleid dat afhankelijk van de personele mogelijkheden en lokale omstandigheden vorm moet krijgen. Om een eigen schoolbeleid te kunnen ontwikkelen moet de directie een helder beeld hebben van de eigen situatie, vaststellen waar men als school voor staat, wat de mogelijkheden zijn en een weloverwogen keuze voor de noodzakelijke koers maken. |
|
Eigen vermogen |
Is het verschil tussen de bezittingen (activa) en de schulden (vreemd vermogen van de passiva) op de balans. Voor een vennootschap (NV of BV) is dit gelijk aan het door de aandeelhouders ingebrachte aandelenkapitaal plus de winstreserve. |
|
Eindniveau |
Het niveau van het hoogst behaalde diploma. |
|
Eindterm |
Als zodanig omschreven kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden, houdingen voor de doorstroming van leerlingen naar het vervolgonderwijs. |
|
Eindtoets basisonderwijs |
De eindtoets is bestemd voor groep 8 en wordt jaarlijks in februari afgenomen. De eindtoets voorspelt goed hoe een leerling zich in een bepaald schooltype in het voortgezet onderwijs zal kunnen handhaven. |
|
ELenI |
Ministerie van Economische zaken, Landbouw en Innovatie |
|
Emancipatie |
Emancipatie in het onderwijs is niet gericht op gelijkstelling, maar tracht een bijdrage te leveren om verschillen tussen leerlingen te onderkennen en met die verschillen te leren omgaan. |
|
Employability |
Een uit Amerika overgewaaide term, die duidt op een bepaalde instelling van de werknemer die beschikt over voldoende kennis, inzicht en vaardigheden om zich aan te passen aan de zich steeds wijzigende eisen van de arbeidsorganisatie. Het gaat om het vermogen van werknemers om een diversiteit aan werkzaamheden en functies adequaat te willen vervullen, en om nieuwe ontwikkelingen in de gaten te houden, zowel binnen als buiten het eigen functiegebied. Daar staat tegenover de bereidheid van een werkgever om betrokkene alle hulp te bieden bij zijn loopbaanontwikkeling en daarvoor de ruimte, de ondersteuning en de middelen te scheppen. |
|
Empowering |
Het potentieel, het beschikbare vermogen, stimuleren dan wel vrij maken. |
|
Entreetoets |
Een toets die aan het eind van groep 7 of aan het begin van groep 8 wordt afgenomen om te zien of er in de kennis en vaardigheden van leerlingen die een jaar later naar het voortgezet onderwijs gaan nog hiaten zitten. |
|
EU |
Europese Unie |
|
Evaluatie |
Bij evaluatie gaat het om het vergelijken van hetgeen gepland of bedoeld was met hetgeen in feite gedaan of bereikt is. Letterlijk: de waarde bepalen. |
|
Evaluatie van het beleidsproces |
Resultaten van het beleid vaststellen, in kaart brengen, conclusies trekken en beslissingen nemen over eventuele bijstelling van het beleid. |
|
EVRM |
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden |
| EWO | Experimentenwet onderwijs |
|
Exitinterview |
Gesprekken die met vertrekkende medewerkers vlak voor het feitelijke vertrek worden gehouden om nog eens terug te kijken op het werk binnen de organisatie. De gesprekken zijn een goed instrument om informatie te krijgen over hoe, over een langere periode bezien, het werken binnen de organisatie is ervaren door de medewerker. Accent ligt op de ervaringen die voor de organisatie leerzaam zijn om te vernemen. |
|
Exploitatie |
De exploitatie van een school betreft al die aspecten van beleidsvoering die niet te rangschikken zijn onder de verzamelnaam ‘onderwijskundige aangelegenheden’. Veelal gaat het om zaken als gebouwen, onderhoud, schoonmaak, beheer en administratie. De inrichting van deze aangelegenheden werd tot voor kort vrij gedetailleerd voorgeschreven door het ministerie. Nu bestaat hierin een grote mate van autonomie voor de schoolbesturen. In de exploitatiebegroting komen de gemaakte beleidskeuzes naar voren. De exploitatierekening van een school dient een specificatie te geven van het resultaat van de bedrijfsvoering. Baten en lasten bepalen het exploitatieresultaat. Deze baten en lasten worden samen met de balans in de jaarrekening opgenomen. |
|
Exploitatieoverzicht |
Het exploitatieoverzicht geeft inzicht in de ontwikkeling van de baten en de lasten. Het is een overzicht dat de kosten en batensoorten verder groepeert tot grotere gehelen en daarmee inzicht geeft. Evenals de balans kent het exploitatieoverzicht een linker- en een rechterkant of debet- en creditkant. Aan de linkerkant staan de kosten en aan de rechterkant de baten. Het verschil tussen baten en lasten is het resultaat van een periode. |
|
Externe verslaggeving |
Berichtgeving van bedrijven (in het bijzonder naamloze vennootschappen) aan hun aandeelhouders en andere partijen waar zij zaken mee doen (zoals vakbonden, ministeries, publiek). De berichtgeving betreft meestal de jaarrekening en het jaarverslag van de directie. |
|
Faciliteiten |
Onder faciliteiten worden verstaan het gebruik van de voorzieningen waarover
inspraakorganen kunnen beschikken die voor de vervulling van hun taken
redelijkerwijs nodig zijn. De (G)MR zou met het bevoegd gezag kunnen afspreken
dat men gebruik kan maken van voorzieningen waarover het bevoegd gezag beschikt
en die de (G)MR redelijkerwijs nodig heeft voor de vervulling van zijn taak. De
kosten voor de medezeggenschapsactiviteiten met inbegrip van bijwonen van
vergaderingen van de (G)MR zelf, worden gedragen door het bevoegd gezag. Onder
deze activiteiten worden mede begrepen: scholing van de leden van de (G)MR, het
inhuren van deskundigen, het voeren van rechtsgedingen, het informeren en
raadplegen van de achterban. |
|
Faciliteiten (soorten) |
De WMS (artikel 28) onderscheidt enkele soorten faciliteiten die het bevoegd gezag aan de (G)MR ter beschikking moet stellen, zoals: voorzieningen waarover de (G)MR zou moeten kunnen beschikken (vergaderruimte en kopieermogelijkheden), vergoeding van kosten die de (G)MR redelijkerwijs moet maken (scholingskosten, kosten voor deskundigenadvies en eventuele proceskosten), kosten voor tijdsinvestering (vacatievergoedingen voor ouders en leerlingen) en administratieve ondersteuning. |
|
Faciliteitenregeling |
De faciliteitenregeling van de WMS somt de inhoud van de faciliteiten voor de
leden van de (G)MR op (artikel 28 WMS), met uitzondering van de faciliteiten die
in een CAO zijn opgenomen. De volgende onderdelen moeten in elk geval zijn
vastgesteld: |
|
Faciliteitentoekenning |
Op grond van de CAO stellen PMR en PGMR een activiteitenplan op, waarin wordt aangegeven hoe de aan de raden toekomende faciliteiten worden ingezet. De uiteindelijke toekenning van de faciliteiten, vindt na overleg met PMR en PGMR plaats afhankelijk van de daadwerkelijke omvang van de werkzaamheden, zoals vastgelegd in het activiteitenplan. Afhankelijk van de omvang van de voorziene werkzaamheden, zoals opgenomen in het plan, kan het bevoegd gezag op verzoek van de P(G)MR meer faciliteiten (dan de in de CAO opgesomde) beschikbaar stellen. Het ligt overigens voor de hand dat jaarlijks verantwoording wordt afgelegd door de P(G)MR. |
| Faillissement |
Rechterlijke uitspraak dat een ondernemer of onderneming heeft opgehouden te betalen. Vervolgens benoemt de rechter een curator om alle eigendommen (ook wel aangeduid als bezittingen door boekhouders of als vermogen door juristen) te verkopen ten einde de vorderingen op de onderneming (ook wel aangeduid als schulden door boekhouders, terwijl het eigenlijk om vreemd vermogen gaat) te kunnen afbetalen. |
|
Federatie |
Een federatie is een vorm van samenwerking waarbij een belangrijk deel van de eigen bestuurstaak uit handen wordt gegeven en wordt ondergebracht bij een nieuwe overkoepelende organisatie. Vaak is een federatie een aanloop tot een fusie. De afbakening van taken en bevoegdheden tussen de eigen bestuursorganen en het federatiebestuur wordt toegespitst op de gewenste situatie, waardoor er verschillende vormen van federatie kunnen optreden. Zo spreekt men wel over een lichte federatie en zware federatie. Een federatieve fusie is een vorm van fusie en geen federatie. |
|
Financieel beheer |
Het geheel van maatregelen, voorzieningen en regels voor het opstellen, verwerken, vastleggen en controleren van de baten en lasten, inkomsten en uitgaven |
|
Financieel jaarverslag |
Wat een financieel jaarverslag en een jaarrekening moet omvatten is in het onderwijs niet wettelijk voorgeschreven. In enkele uitspraken van de geschillencommissie is bepaald, dat de MR recht heeft op informatie conform het Besluit verstrekking financiële gegevens aan ondernemingsraden 1985. Beide documenten zijn via de Wet invoering lumpsum in het PO voorgeschreven. |
|
Financiële middelen |
De MR heeft adviesrecht over de vaststelling of wijziging van de hoofdlijnen
van het meerjarig financieel beleid voor de school, waaronder de voorgenomen
bestemming van de financiële middelen die door het bevoegd gezag ten behoeve van
de school uit de openbare kas zijn toegekend of van anderen zijn ontvangen, met
uitzondering van de middelen, bedoeld in artikel 13, onderdeel b, en artikel 14,
tweede lid, sub b WMS. |
|
Financieren |
Houdt de manier in waarop een huishouding aan geld komt om de uitgaven te vergroten. Bijvoorbeeld hoe een school aan geld komt voor aanschaf van apparatuur.. Dat kan door een lening (van de bank of derden) of door krediet (van de leverancier) of door zelf geld beschikbaar te stellen in de vorm van eigen vermogen. Deze variant van financieren wordt ook wel ‘passieve financiering’ genoemd. |
| Financieringsstroom |
De financiële administratie bij onderwijsinstellingen is van oorsprong dusdanig ingericht dat de oorsprong van de baten duidelijk blijft. De rijksbekostiging was geheel geoormerkt, waardoor de administratie moest aantonen dat de rijksbekostiging ook daadwerkelijk besteed werd zoals bedoeld. |
|
Flexibele schooltijden |
Met ingang van 1 augustus 2006 hebben scholen meer vrijheid om zelf de
schooltijden vast te stellen. Ouders in de medezeggenschapsraad moeten wel
instemmen met de voorgestelde schooltijden; de personeelsgeleding heeft
adviesrecht. |
|
Flexibiliteit |
Flexibiliteit is het vermogen van organisaties en mensen om te veranderen als
de omstandigheden veranderen. De WMS is een flexibele wet. De keuzen die
bestuur, management en medezeggenschapsorganen gezamenlijk maken over de
inrichting van hun medezeggenschapsstructuur zijn neergelegd in het
medezeggenschapsstatuut. De WMS meldt hierover: ‘Elk schoolbestuur stelt een
medezeggenschapsstatuut op waarin wordt vastgelegd hoe de ‘kaart van
medezeggenschapsorganen’ bij het schoolbestuur eruitziet. In het statuut wordt
beschreven welke medezeggenschapsorganen er zijn en wat hun bevoegdheden zijn;
deze bevoegdheden zelf zijn verankerd in het reglement van het desbetreffende
orgaan’. De kaart van medezeggenschapsorganen zoals opgenomen in het statuut
toont in feite het organigram van medezeggenschapsorganen en beschrijft deze op
een voor een ieder inzichtelijke wijze. |
|
Formatieplan |
De post ‘personeelslasten’ is de grootste kostenpost van een
onderwijsinstelling. De omvang van de personeelsformatie is daarom erg
belangrijk. Bovendien behoeft bijna elke wijziging in het beleid van een
schoolbestuur een vertaling in menskracht – dus in formatieplaatsen. Dit
formatieplan – de WMS gebruikt deze term niet, maar spreekt over vaststelling of
wijziging van de samenstelling van de formatie – regelt de inzet van het
personeel in het komende cursusjaar. Het bevat een lijst met functies en de
omvang waarin de personeelsleden worden ingezet. |
| Fpe-model |
Een begrotingsmodel waarin de budgetten aan de scholen worden berekend op basis van de formatie per leerling. Daarna wordt er een geldbudget aan gekoppeld. Voorbeeld: voor 1 leerling 4 tot en met 7 jaar wordt 0,0595 formatie toegekend. Een school met 100 leerlingen in de leeftijd 4 tot en met 7 jaar ontvangt 5,95 formatieplaatsen. Is de GPL € 60.000,- dan krijgt de school een budget van € 60.000,- x 5,95 = € 357.000,- voor groepsformatie 4- tot en met 7-jarigen. |
| FPU | Flexibel pensioen en uittreden |
| Fre's | Formatierekeneenheden |
| FT | Fulltime (volledige aanstelling) |
| FTE |
Afkorting voor het Engelse full time equivalent, waarmee we de omvang van de dienstbetrekking weergeven. In het onderwijs gebruiken we de term werktijdfactor, afgekort wtf. |
|
Functiebouwwerk |
Een functiebouwwerk is het geheel van functies naar soort, niveau en aantal dat is afgeleid van de missie en visie van de onderwijsorganisatie. Het geeft per school voor de verschillende organisatorische eenheden aan, welke functies er op welk niveau (lees: schaal) worden onderscheiden. |
|
Functiedifferentiatie |
Functiedifferentiatie houdt in dat een schoolbestuur naast de wettelijk
voorgeschreven functies in een school nieuwe functies instelt of erkent. Het
aantrekken van nieuw personeel of het benoemen van zittende mensen voor deze
nieuwe functies kan vergaande invloed hebben op de verantwoordelijkheid en de
taakomvang van de overige leraren, maar ook de lerarenfunctie als zodanig, en
problemen oproepen in verband met de juiste salariëring. CAO-partijen stellen
daarom vaak voorwaarden aan de invoering van nieuwe functies. |
| Functiemix | Een serie beleidsafspraken, gemaakt tussen de minister van onderwijs en de sociale partners, over de verdeling van extra gelden van OCW t.b.v. verdeling van docentenfuncties |
|
Functiewaardering |
Bij functiewaardering wordt op een systematische wijze het ‘gewicht’ van de
functie gemeten met het doel tot een juiste salariëring te komen. De
beschrijving van een functie en de analyse van de bepalende onderdelen daarvan
vormen uitgangspunten voor het bepalen van de zwaarte van de functie. |
|
Functioneringsgesprekken |
Het management voert periodiek functioneringsgesprekken met elke werknemer.
Het voeren van gesprekken over het functioneren van individuele werknemers is
een belangrijk instrument om personeelsbeleid te voeren. |
|
Fusie |
Scholen kunnen alleen fuseren als ze tot hetzelfde bevoegd gezag behoren.
Daarom wordt een scholenfusie vaak vooraf gegaan door een besturenfusie. Een
dergelijke fusie is het juridisch samensmelten van twee of meer rechtspersonen
(vereniging of stichting) tot een nieuwe rechtspersoon die in de rechten treedt
van alle voorgaande organisaties. Een besturenfusie heeft als zodanig geen
gevolgen voor het voortbestaan van de aangesloten scholen. De bestaande scholen
worden in principe overgedragen aan de nieuwe rechtspersoon zonder dat de
richting of de grondslag van die school (scholen) verandert. |
| FUWA | Functiewaardering |
| FUWASYS | Functiewaarderingssysteem, een geautomatiseerd functiewaarderingssysteem, bestaande uit 14 kenmerken en voor elk kenmerk een score op een 5-puntsschaal en met varianten voor onder meer PO, VO en de ector BVE |
|
Garantievermogen |
Vermogen dat garant staat voor de voldoening van de verplichtingen aan de reguliere schuldeisers. Het garantievermogen is opgebouwd uit het aandelenvermogen, de reserves en de achtergestelde leningen. De voorziening vallen er niet onder, want die worden gerekend tot het vreemde vermogen. |
|
GBA |
Gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens |
| Gebruiksgoederen |
Goederen die langer dan één jaar mee gaan. |
|
Gedeelde medezeggenschap |
Medezeggenschap vanuit verschillende organen in een organisatie. |
|
Gedragscode |
Schriftelijk stuk waarin regels en richtlijnen worden gegeven ter voorkoming van belangenconflicten tussen het zakelijk belang en de privé-belangen van betrokkenen en van misbruik van vertrouwelijke informatie. |
|
Gedragsregels |
Afspraken over de wijze van omgang tussen management, leerkrachten, ouders en leerlingen. Gedragsregels kunnen omschreven worden als richtlijnen voor wat een bepaalde school wordt beschouwd als goed/juist gedrag. Gedragsregels bieden houvast in onduidelijke situaties. Als gedragsregels zijn afgesproken en beschreven in een statuut weet men waar men elkaar op kan aanspreken. Het ouders-/leerlingendeel van de MR heeft instemmingsbevoegdheid bij de vaststelling of wijziging van een mogelijk ouderstatuut (artikel 14, lid 2, onderdeel e, WMS) en de vaststelling of wijziging van het leerlingenstatuut (artikel 14, lid 3, onderdeel b, WMS). |
|
Geïnstitutionaliseerde medezeggenschap |
Vormen van zeggenschap die een officiële, vaste status hebben verworven: bijvoorbeeld de instelling van de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad, deelraden en groepsmedezeggenschapsraden op basis van de WMS. Institutionalisering is vooral van belang voor mogelijke blijvende invloed van personeel, ouders en leerlingen in het onderwijs. |
|
Geld |
Geld is alles wat algemeen aanvaard is als ruilmiddel. Geld is ongedifferentieerde koopkracht hetgeen betekent dat geld niet aan bepaalde goederen is gebonden, maar altijd wordt aanvaard. |
|
Geldontwaarding |
Geldontwaarding is de waardevermindering van het geld, die het gevolg is van een algehele prijsstijging van goederen en diensten. |
|
Geldstroom |
Geldstroom is het product (= vermenigvuldiging) van de maatschappelijke geldhoeveelheid (M) en de omloopsnelheid (V) van het geld. In symbolen = > MV. |
|
Geledingen |
Geleding: de afzonderlijke groepen van leden, bedoeld in artikel 3, derde lid van de wet. De (G)MR bestaat enerzijds uit de geledingen personeel en anderzijds uit de geleding ouders en/of leerlingen die uit en door het personeel en uit ouders en/of leerlingen zijn gekozen (artikel 3 WMS). Deze twee geledingen houden elkaar wat betreft het aantal zetels in de (G)MR, in evenwicht. De (G)MR heeft dus een paritaire samenstelling. Indien er een vacature ontstaat in een van de geledingen, dan kan deze alleen door de betreffende geleding worden ingevuld conform de bepalingen in het reglement. |
|
Geledingenraden |
Personeelsleden, ouders en leerlingen kunnen voor de school of voor alle scholen geledingenraden instellen: een personeelsraad,een ouderraad of een leerlingenraad. Deze raden kunnen een klankbord zijn voor de personeels-, ouder- en leerlingengeleding van de MR. In het medezeggenschapsreglement dient te worden aangeven hoe alle bij de school betrokkenen worden betrokken bij de werkzaamheden van de MR (artikel 24 lid 1 sub i WMS). |
|
Gelijke behandeling |
Als een van de taken voor de MR noemt de wet de verplichting in het algemeen te waken tegen discriminatie en in het bijzonder de gelijke behandeling van mannen en vrouwen alsmede de inschakeling van gehandicapten en allochtone werknemers te bevorderen (artikel 7, tweede lid WMS). Discriminatie van personen komt veelal niet expliciet voor, maar uit zich doorgaans in te lage verwachtingen en buitensluiten. Het voorkomen en tegengaan van discriminatie is een onderdeel van het werken aan een veilig schoolklimaat. De MR zou bijvoorbeeld betrokken kunnen worden bij het opstellen van een gedragscode, de opstellen van een klachtenregeling en een (her-)plaatsingsbeleid ten aanzien van gehandicapten en allochtone werknemers in de school. |
|
Gemeenschappelijke medezeggenschapsraad |
De Gemeenschappelijke Medezeggenschapsraad (GMR) is een overkoepelende raad
waar de MR’en van alle scholen onder eenzelfde bevoegd gezag in vertegenwoordigd
zijn. De GMR houdt zich bezig met zaken die alle of een meerderheid van scholen
aangaan onder een bestuur (artikel 4 WMS). |
|
Gemeente |
De gemeente treedt op als bevoegd gezag van openbare, gemeentelijke scholen
op het terrein van het basis- en voortgezet onderwijs. De gemeente heeft
daarnaast ook andere taken en bevoegdheden die soms op gespannen voet kunnen
staan met haar taken als bevoegd gezag. Dit wordt wel de ‘twee petten
problematiek’ genoemd. Omdat bijvoorbeeld de gemeente enerzijds voor voldoende
openbaar onderwijs dient te zorgen en anderzijds verantwoordelijk is voor een
goede verdeling van beschikbare huisvesting voor alle scholen binnen haar
grondgebied (bijzonder en openbaar), kunnen beide taken verstrengeld raken. De
gemeente dient daarom goed te scheiden in welke kwaliteit zij bepaalde besluiten
neemt en aan de MR voorlegt. |
|
Geregistreerd partnerschap |
Op 1 januari 1998 is de Wet geregistreerd partnerschap voor ongehuwden in werking getreden. Deze wet heeft onder meer tot gevolg dat een bij de burgerlijke stand geregistreerde partner voor pensioenrechtelijke zaken wordt gelijkgesteld met een gehuwde. |
|
Geschilbeslechting |
Niet altijd zullen (G)MR en schoolbestuur het met elkaar eens zijn over de
onderwerpen die worden besproken. Als de onenigheid hoog oploopt, is het
mogelijk dat een geschillenprocedure wordt gestart. Daarin wordt aan een derde,
een geschillencommissie, om een oordeel gevraagd. |
|
Geschillen |
De commissie voor medezeggenschapsgeschillen neemt kennis van geschillen
tussen het bevoegd gezag en de medezeggenschapsraad, de gemeenschappelijke
medezeggenschapsraad, de deelraad, de groepsmedezeggenschapsraad, of een
geleding van de genoemde raden, of de themaraad. |
|
Geschillencommissie |
Er is een landelijke geschillencommissie waar alle scholen bij zijn
aangesloten. De commissie heeft tot taak om geschillen tussen het bevoegd gezag
en inspraakorganen op te lossen door middel van een bindende uitspraak.
Afhankelijk van de aard van de geschillen kan de geschillencommissie ook een
bemiddelingsvoorstel voorleggen aan het bevoegd gezag en de
medezeggenschapsraad. |
|
Geschillenregeling: een landelijke geschillencommissie |
Een jaar na inwerkingtreding van de WMS (er wordt uitgegaan van 1 januari 2008) kwam er een landelijke commissie voor geschillen waarbij elke school, regionaal expertisecentrum en centrale dienst is aangesloten. De voormalige geschillencommissies droegen de onder hen berustende dossiers terstond over aan de nieuwe landelijke commissie voor geschillen. Volgens artikel 30 lid 2 WMS bestaat de commissie uit 3 leden en 3 plaatsvervangende leden, van wie een lid en een plaatsvervangend lid worden benoemd op bindende voordracht van de landelijke besturenorganisaties en een lid en een plaatsvervangend lid worden benoemd op voordracht van landelijke personeelsvak- onderscheidenlijk ouder-/leerlingenorganisaties. Deze twee leden doen een bindende voordracht voor de benoeming van het derde lid, tevens voorzitter en diens plaatsvervanger. De benoeming geschiedt door de minister van OCW. |
|
Gespreksonderwerp (G)MR |
Niet ieder onderwerp is even geschikt om te bespreken tijdens (G)MR-vergaderingen. Aan een onderwerp kunnen de volgende eisen gesteld worden. Ten eerste moet een onderwerp als een probleem gesteld kunnen worden. Een probleem is dan te omschrijven als het verschil tussen ‘ideaal’ en ‘werkelijkheid’. Vaak behandelt een nota niet een probleem, maar een complex (geheel) van problemen die op een of andere wijze wat met elkaar hebben te maken. Ten tweede moeten de deelnemers voldoende kennis hebben over het onderwerp om erover te kunnen praten. Het is daarom van groot belang dat de raad zich optimaal door het bevoegd gezag laat informeren. De wijze waarop het bevoegd gezag informatie verschaft aan de medezeggenschapsraad wordt vastgelegd in het medezeggenschapsreglement van de medezeggenschapsraad (artikel 24, lid 1, onderdeel f, WMS). |
|
Geweld |
Onder geweld kan worden verstaan misbruik van macht, toepassing van het recht van de sterkste. Scholen hebben een eigen verantwoordelijkheid waar het gaat om het realiseren van een veilig schoolklimaat. MR-leden kunnen vormen van geweld op scholen (van pesten tot seksueel geweld) aan de orde stellen in het kader van het streven om de school een veilige plaats te maken, waar alle betrokkenen zich thuis voelen. Dat er op school niemand gediscrimineerd wordt op welke grond dan ook (artikel 7, tweede lid, WMS). |
| Gewichtsleerling |
De gewichtenregeling kent 2 gewichten: 0,3 en 1,2. De gewichten zijn
gekoppeld aan opleidingscategorieën van de ouders. De opleidingscategorieën
zijn: |
|
Gezamenlijke medezeggenschap |
De WMS gaat uit van een gezamenlijke verantwoordelijkheid van bestuur, personeel, ouders en leerlingen voor het functioneren van de school via de (G)MR als overlegorgaan in de schoolorganisatie. De WMS biedt ook de mogelijkheid dat de personeels-, ouder- en leerlinggeleding gescheiden kunnen optreden. De geledingen hebben voor een deel eigenstandige bevoegdheden en medezeggenschapsaangelegenheden. De (G)MR kan afzonderlijk overleggen met de geledingen in plaats van met de hele (G)MR (artikel 6, lid 3 WMS). Sommige zaken dienen in bepaalde gevallen specifiek aan de personeelsgeleding en aan de ouder-/leerlingengeleding te worden voorgelegd (artikelen 12 tot en met 14 WMS). |
| GGL |
Gewogen gemiddelde |
|
Giraal geld |
Is een tegoed op een rekening bij een bank, financiële instelling of betalingsverkeerinstelling. |
| GL |
Gemiddelde leeftijd. |
|
GMR |
Gemeenschappelijke medezeggenschapsraad |
|
GOA |
Gemeenschappelijke onderwijsachterstandenbeleid |
|
Goederen |
Zijn alle zaken die nuttig zijn. Hierbij gaat het om zowel tastbare als om niet-tastbare zaken zoals diensten. |
|
Goodwill |
Meerwaarde van een onderneming vanwege de inkomsten die verwacht mogen worden dankzij de klantenbinding die is opgebouwd in de loop van een aantal jaren. Het gaat dus feitelijk om de economische waarde van de reputatie die een bedrijf heeft opgebouwd. |
|
Governance |
Governance is een aanduiding voor, ‘goed besturen’, voor deugdelijk bestuur in brede zin: een raamwerk van afspraken over bestuur, toezicht, verantwoording en transparantie. Dit houdt concreet in dat besturen dienen zorg te dragen voor een optimale onderwijskwaliteit en indien nodig voor het in gang zetten van de nodige verbeteringen. Daarbij gaat het bij governance om de vraag: wie controleert het bestuur met welke controle- en interventiemogelijkheden? |
|
GPL |
Gemiddelde personeelslast. |
| Grijze economie |
Is dat deel van de informele economie, dat legaal is, zoals vrijwilligers werk. |
| Groepsmedezeggenschapsraad |
De (G)MR van een groep scholen met een bepaalde status binnen het totaal van scholen. Op verzoek van de GMR en met instemming van bevoegd gezag kan – met instemming van tweederde van de leden van de GMR – een groepsmedezeggenschapsraad worden verbonden aan een groep van scholen (artikel 20, lid 2, WMS). De groepsmedezeggenschapsraad mag alleen zaken bespreken die van gemeenschappelijk belang zijn voor alle of een deel van de scholen die in een groepsmedezeggenschapsraad zijn vertegenwoordigd |
| Grondslag school |
De grondslag van de school verwijst naar een bepaalde geloofsovertuiging,
levensbeschouwing of identiteit op basis van waarvan onderwijs wordt gegeven. De
belangrijkste stromingen zijn het rooms-katholieke, protestants-christelijke en
algemeen-bijzonder onderwijs, reformatorische scholen en islamitische scholen.
Openbare scholen behoren als zodanig niet tot een bepaalde grondslag – ze vinden
hun basis in de wet. |
| Grootboeken, grootboekkaarten, grootboekcode of Grootboekrekening |
De administratie maakt voor de belangrijkste kosten en baten grootboeken of grootboekkaarten aan met daaraan gekoppeld een grootboekcode. De grootboekcodes van de kosten beginnen vaak met 4 en die van de baten met een 8. |
|
Gw |
Grondwet |
|
Hao |
Hoger algemeen vormend onderwijs |
|
Havo |
Hoger algemeen vormend onderwijs |
|
Hbo |
Hoger beroepsonderwijs |
| Hedgefonds |
Risicovol financieel instituut dat long-posities (langlopende leningen) financiert met shortposities (kortlopende leningen) waarbij zij erop speculeren dat er een gunstig hefboomeffect optreedt, omdat de short-posities doorgaans een lagere rente dragen dan de long-posities. |
| Honorarium |
Vergoeding van de diensten van een specialist of deskundige op basis van arbeidstijd. Het bedrag dat in rekening wordt gebracht omvat niet alleen het salaris voor de specialist of deskundige, maar ook een bedrag voor huisvesting, administratie, personele ondersteuning, en dergelijke. |
| Horizontale verantwoordingsplicht |
Horizontale verantwoording is de communicatie van de onderwijsorganisatie met
de maatschappelijke omgeving over de realisatie van doelstellingen van de
organisatie. |
|
HR |
Hoge Raad |
| Huishoudelijk reglement |
Het huishoudelijk reglement omvat allerlei bepalingen van praktische aard, zoals de taakomschrijving van de voorzitter en secretaris, wijze van bijeenroepen van vergaderingen, wijze van opstellen van de agenda, wijze van besluitvorming en het quorum dat vereist is om te kunnen vergaderen. |
| Huurwaarde |
Contante waarde van een gebouw in verhuurde staat op basis van de te verwachten inkomsten aan huur (ingaande kasstroom) en de te verwachten uitgaven voor onderhoud. |
|
IB |
Interne begleider |
|
IBC |
Interne bezwaren commissie |
|
ICT |
Informatie- en communicatietechnologie |
|
ID-banen |
In- en doorstroombanen |
| Identiteit |
De specifieke uitstraling waarmee een school zich onderscheidt van andere scholen met betrekking tot de onderwijsopvatting of zich profileert met andere dan lesgevende activiteiten. Hoewel er vaak een relatie is te leggen met de grondslag van de school heeft identiteit een veel bredere en vooral meer feitelijke betekenis. |
|
IGO |
Institutioneel georganiseerd overleg |
| IHP |
Integraal Huisvestingsplan |
| Immateriële vaste activa |
Immateriële activa zijn vaste activa die niet tastbaar zijn. Het betreft bezittingen die wel een rol spelen in het financiële proces, maar nooit in het fysieke bedrijfsproces. Immateriële activa kunnen alleen dan op de balans opgevoerd worden, wanneer zij een objectief bepaalbare waarde hebben. Over de waardering van immateriële activa zijn per soort verschillende afspraken vastgelegd. Uitgangspunt van de waardering is dat er een inschatting moet zijn van de nuttige gebruiksduur, de afschrijving per jaar is dan het waardeverlies over de totale tijd gedeeld door het aantal jaren nuttig gebruik. Voorbeelden van immateriële activa zijn: goodwill en research-/ontwikkelingskosten. Kosten die gemaakt worden om een product te ontwikkelen kunnen gespreid worden over de levenscyclus van het product. |
| Indexcijfer |
Met behulp van een indexcijfer kan een ontwikkeling of trend in de exploitatie in beeld worden gebracht. Door te starten met ‘basisjaar’ kan voor elk onderdeel van de schoolexploitatie het verloop op een vergelijkbare wijze in beeld worden gebracht. |
| Indirecte belastingen |
Zijn belastingen die geheven worden op het moment van transactie. Voorbeelden zijn BTW en invoerrechten. Het woord ‘‘indirect’’ betekent dat de belastingbetaler niet bij de fiscus bekend is, in tegenstelling tot de directe belastingen. Indirecte belastingen worden ook wel kostprijsverhogende belastingen genoemd. |
| Informatieplicht (G)MR |
In het medezeggenschapsstatuut wordt informatie verstrekt over de wijze waarop de medezeggenschapsraad, de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, de geledingen dan wel de themaraden en groepsmedezeggenschapsraden, elkaar en de geledingen waaruit zij zijn gekozen informatie verstrekken over hun activiteiten (artikel 22, onderdeel d, WMS). |
| Informatieverstrekking bevoegd gezag |
De informatieverstrekking van het bevoegd gezag aan de
medezeggenschapsorganen is omschreven in artikel 8 WMS. De
informatieverstrekking van bevoegd gezag is er op gericht om inspraakorganen in
de gelegenheid te stellen hun taak zo optimaal mogelijk uit te oefenen. Voor de
uitoefening van medezeggenschap is een goed functionerende en tijdige
informatievoorziening in termen van relevantie, toegankelijkheid, helderheid en
begrijpelijkheid essentieel. De WMS schrijft voor dat het statuut bepalingen
bevat over: |
| Informatievoorziening bevoegd gezag |
Voor de uitoefening van medezeggenschap is een goed functionerende
informatievoorziening in termen van relevantie, toegankelijkheid, helderheid en
begrijpelijkheid essentieel. In de WMS komt dit belang tot uitdrukking. Dit
houdt onder andere in dat het bevoegd gezag de plicht heeft de raad jaarlijks
schriftelijk de relevante basisdocumenten beschikbaar te stellen, zoals de
begroting en de bijbehorende beleidsvoornemens op financieel, organisatorisch en
onderwijskundig gebied; (artikel 8, lid 2, WMS). Onder deze basisdocumenten
tevens worden begrepen de uitgangspunten van het bestuurlijk handelen (artikel
8, lid 2, onderdeel d, WMS). |
| Informele circuit/ informele economie |
Betreft alle economische activiteiten die niet in de officiële cijfers tot uitdrukking komen, omdat de gegevens zich niet laten registreren. Het betreft hier niet alleen het ‘zwart en grijs’ werken, maar ook legale activiteiten die aan de waarneming van het CBS voorbij gaat. Men spreekt daarom ook wel van verborgen circuit. |
| Initiatiefrecht |
Dit is het recht van de medezeggenschapsraad en een geleding om alle zaken te bespreken die de school aangaan (artikel 16 WMS). Over die zaken kan de medezeggenschapsraad ook voorstellen aan het bevoegd gezag voorleggen. Het bevoegd gezag moet zo spoedig mogelijk schriftelijk op die initiatiefvoorstellen reageren (artikel 17 WMS). Voordat het bevoegd gezag die reactie geeft, moet het de medezeggenschapsraad in de gelegenheid stellen over dat onderwerp overleg te voeren. Dat overleg kan plaats vinden met de voltallige medezeggenschapsraad of met de afzonderlijke geledingen van de medezeggenschapsraad. |
| INK model |
Het INK-managementmodel is een managementmodel voor organisaties om een zelfevaluatie mee uit te voeren. Met het INK model kan de volwassenheid van de organisatie worden bepaald en kunnen verbeterpunten worden geïdentificeerd. Het model helpt organisaties te focussen op de gebieden, waar verbeteringen mogelijk zijn. (bron: Wikipedia) |
| Inkomen |
Vergoeding die een persoon ontvangt voor geleverde arbeid of beschikbaar gestelde goederen, land of vermogen. De naam van de vergoeding varieert van loon (of salaris) tot huur, pacht of rente. Ook winst valt onder inkomen indien het ter beschikking van die persoon staat. Opvallend is dat de term inkomen wel gebruikt wordt bij natuurlijke personen en stichtingen, maar niet bij BV’s of NV’s. |
| Inkomsten |
Bedrag dat daadwerkelijk ontvangen is om een overeenkomst af te wikkelen. |
| Innovatie |
Betekent het invoeren van nieuwe technieken in het productieproces of het voortbrengen van nieuwe of verbeterde producten. Hierdoor kunnen innovaties een stimulans betekenen voor de economische groei. |
| Instelling |
De wetgever heeft het begrip ‘instelling’ niet nader omschreven. Wat dient
onder het begrip ‘instelling’ te worden verstaan? Uit jurisprudentie van de
Landelijke geschillencommissie kan worden begrepen dat het in de rede ligt om
instellingen die het onderwijs of de school begeleiden of ondersteunen, dan wel
een inhoudelijk deel daarvan verzorgen (bijvoorbeeld godsdienstonderwijs) onder
het begrip ‘instelling’ te scharen. |
| Instellingskapitalisatiefactor |
De benodigde kapitalisatiefactor van een onderwijsinstelling, berekend aan de hand van de boekwaarde van de materiële vaste activa en de benodigde liquiditeit (spaarliquiditeit, bufferliquiditeit, transactieliquiditeit). |
| Instemmingsbevoegdheid van de medezeggenschapsraad |
De WMS bepaalt dat het bevoegd gezag over in de wet omschreven
aangelegenheden de instemming van de raad behoeft (artikel 10 WMS). Geeft de MR
de gevraagde instemming niet dan moet uitvoering van het voorgenomen besluit
worden opgeschort. Het bevoegd gezag kan in dat geval alleen verder door een
instemmingsgeschil aanhangig te maken bij de geschillencommissie (artikel 32
WMS). Het weigeren van instemming kan dus grote procedurele gevolgen hebben.
|
| Instemmingsgeschil |
Bij een instemmingsgeschil (artikel 32 WMS) beoordeelt de geschillencommissie
of de medezeggenschapsraad, de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, de
deelraad, de groepsmedezeggenschapsraad, of een geleding van de genoemde raden,
of de themaraad in redelijkheid tot het onthouden van instemming heeft kunnen
komen of dat er sprake is van bepaalde zwaarwegende omstandigheden die het
voorstel van het bevoegd gezag rechtvaardigen. |
| Integraal personeelsbeleid (IPB) |
De term integraal personeelsbeleid (IPB) duidt op het streven van alle betrokken partijen (bestuur, directie) om de verwachtingen van de afzonderlijke werknemers over hun eigen ontwikkeling in een onderwijsinstelling te laten sporen met de inhoudelijke en organisatorische doelstellingen van de school. Het gaat daarbij tevens om een afstemming van verschillende instrumenten om IPB te voeren, zoals functiedifferentiatie en beloningsdifferentiatie. Het schoolbudget kan worden gebruikt voor het invoeren van een IPB. Uiteindelijk is het doel dat het realiseren van betere ontplooiingsmogelijkheden voor het individu een versterking van de motivatie zal betekenen en meer arbeidssatisfactie zal bewerken, waardoor de werkdruk zal afnemen en de animo om in het onderwijs te gaan en te blijven werken toeneemt. |
| Interestkosten |
Zijn de kosten die betaald worden om over een bepaald kapitaal te beschikken waarmee een product betaald wordt. |
| Interpretatiegeschil |
Bij een interpretatiegeschil beoordeelt de geschillencommissie welke uitleg
aan het bepaalde bij of krachtens de WMS dan wel het bepaalde in het
medezeggenschapsreglement en het medezeggenschapsstatuut dient te worden gegeven
(artikel 35 WMS). |
| Inventaris |
Waarde van alle kapitaalgoederen, inclusief debiteuren, voorraden, machines en de aparte post inventaris die op de balans staat. |
| Inventariseren |
Minutieus vastleggen van alle voorraden, auto’s, machines en andere kapitaalgoederen waarover een onderneming het eigendomsrecht kan uitoefenen. |
| Investeringen |
Kapitaal vastleggen in een project of een onderneming, om die te steunen of om winst te maken. |
| Investeringsruimte | Financiële ruimte om te investeren. In het onderwijs wordt bedoeld om extra te investeren in het onderwijs, boven de bekostiging uit, waardoor een tekort op de exploitatie ontstaat en de reserve lager wordt. |
|
ISBO |
Islamitische schoolbesturen organisatie |
|
ISK |
Internationale schakelklas |
|
IVESC |
Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele rechten |
|
IVRK |
Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind |
| Jaaragenda (van de school) |
Wordt gevormd door vergaderrooster en activiteitenrooster samen. |
| Jaarplanning |
Alle activiteiten in een school die telkens voor de duur van een schooljaar
in tijd en ruimte worden vastgelegd. De componenten van jaarplanning zijn:
lesrooster, vergaderrooster en activiteitenrooster. |
| Jaarrekening |
Een jaarlijks door het bevoegd gezag op te maken overzicht van de inkomsten
en uitgaven, en de daarbij behorende balans. |
| Jaarrekening bevoegd gezag |
In het jaarverslag van het bestuur dient een jaarrekening te worden
opgenomen. De jaarrekening dient gescheiden te worden gehouden van het
bestuursverslag. Beide kunnen in een document worden gepresenteerd. |
| Jaarverslag |
De (G)MR ontvangt jaarlijks vóór 1 juli een jaarverslag ( bestaande uit een
bestuursverslag, jaarrekening en overige gegevens zoals de
accountantsverklaring) en het oordeel van de klachtencommissie indien de klacht
geheel of gedeeltelijk gegrond is. |
| Jaarverslag bevoegd gezag |
Het bevoegd gezag stelt jaarlijks een jaarverslag over het voorafgaande
kalenderjaar vast. Het jaarverslag heeft niet alleen betrekking op de financiële
cijfers. In de wettekst wordt uitdrukkelijk verwezen naar artikelen in de
onderwijswetten waarin het jaarverslag wordt gedefinieerd. Een jaarverslag
bestaat ten minste uit |
| Jaarverslag medezeggenschapsraad |
De wijze waarop een inspraakorgaan informatie verstrekt aan zijn achterban kan in de vorm van een jaarverslag. Dit verslag kan ter kennisneming aan het bevoegd gezag, de schoolleiding, het personeel, de ouders en leerlingen (VO) gezonden. |
|
JDZ |
(centrum) jeugd gezondheid |
| Journaalposten |
Met een journaalpost boeken we een financieel feit in de administratie. De journaalpost bestaat uit een grootboekrekening, een omschrijving en een bedrag. Een journaalpost bestaat altijd uit twee regels. Met de eerste regel wordt een grootboekrekening debet geboekt en met de tweede journaalpost wordt een grootboekrekening credit geboekt. De beide bedragen moeten gelijk zijn. |
| Kaderbesluit rechtspositie |
Het Kaderbesluit rechtspositie PO bevat de primaire arbeidsvoorwaarden voor
de scholen uit het primair onderwijs.
|
| Kaderwet |
Een kaderwet regelt alleen de algemene kaders en schrijft niet alles in detail voor. De WMS is meer dan een kaderwet. Binnen een kader voor de uitoefening van de bevoegdheden wordt ruimte voor flexibiliteit geboden op het gebied van overdracht en omzetting van bevoegdheden (artikel 24, lid 2 WMS) en het kunnen toevoegen van bevoegdheden (artikel 24, lid 3 WMS). |
| Kapitaal |
Het totale bedrag van de posten aan de debetzijde van de balans. |
| Kapitaalgoederen |
Middelen zoals gebouwen, machines, voorraden en vorderingen die de ondernemer heeft aangeschaft om de onderneming te kunnen voeren. De kapitaalgoederen maken een belangrijk deel uit van het kapitaal. Liquide middelen maken geen deel uit van de kapitaalgoederen, maar wel van het kapitaal. |
| Kapitaalinvestering |
Bij een kapitaalinvestering gaat het erom dat iemand geld stopt in een zaak, dus eigenlijk gaat het om het beleggen van vermogen in een onderneming. Dat zal waarschijnlijk gaan in de vorm van deelname aan het eigen vermogen. In feite gaat het dus om een financiering. Het kan ook zijn dat iemand geld nodig heeft voor uitbreiding van zijn activa (kapitaalgoederen) en op zoek is naar iemand die dat wil financieren. |
| Kapitaalmarkt |
De markt waar leningen met een looptijd van langer dan 10 jaar verhandeld worden. De kapitaalmarkt is een onderdeel van de vermogensmarkt, die ook de geldmarkt en de markt voor middellang krediet omvat. |
| Kapitaalverwerving |
Aantrekken van vermogen om te kunnen investeren. |
| Kapitalisatiefactor |
De kapitalisatiefactor geeft een indruk van de doelmatigheid van het
vermogensbeheer van een onderwijsinstelling. De formule van kapitalisatiefactor
is: |
| Kas |
Voorraad in bankbiljetten en munten. |
| Kasbeheer |
Beheer van de kas in de betekenis van de kasvoorraad en de belegde middelen, alsmede de verzorging van een kastekort. |
| Kasmutatie |
Wijziging in de kas, d.w.z. een toename of afname van contant geld. |
| Kasreserves |
Geld dat op een bepaald tijdtip nog in de kas zit. Saldo van de kas als alle verwachte ontvangsten binnen zijn en alle verwachte betalingen gedaan zijn. Verwacht saldo van de liquide middelen (kas en bank) als alle verwachte ontvangsten binnen zijn en alle verwachte betalingen gedaan zijn. |
| Kasstroomoverzicht |
Een overzicht van de geldmiddelen die in een verslagperiode beschikbaar zijn gekomen en van het gebruik dat van deze geldmiddelen is gemaakt. |
| Kastekort |
Verschil tussen wat er in kas moet zijn en wat er werkelijk in zit. Verwacht negatief saldo aan contante middelen. |
| Kasvoorraad |
Totale hoeveelheid chartaal geld dat in voorraad is. |
| KB |
Koninklijk besluit |
| Kengetallen |
In cijfers gevatte kennis om beleid mee te sturen. Kengetallen meten de gesteldheid van de huidige (of eventueel historische situatie. Voorbeelden van kengetallen: het percentage leerlingen dat een basisschool jaarlijks verwijst naar het speciale basisonderwijs, de slaagpercentages voor een examen. |
| Kennismanagement |
Vergaren, vastleggen en doorgeven van kennis binnen een organisatie. |
| Kerndoelen |
Kerndoelen geven een beschrijving van kwaliteiten van leerlingen op schoolniveau op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden. Scholen hanteren kerndoelen als aan het eind van het aangeboden onderwijs te bereiken doelstellingen. |
|
KG |
Kort Geding |
| Kiesdeler |
Het aantal geldig uitgebrachte stemmen gedeeld door het aantal vacante zetels. |
| Kiesgerechtigd en verkiesbaar |
Zij die op de dag van de kandidaatstelling deel uitmaken van het personeel of
ouder dan wel leerling zijn (VO), zijn kiesgerechtigd en verkiesbaar tot lid van
de medezeggenschapsraad. |
| Kiesrecht |
Het kiesrecht bestaat uit twee elementen: – het recht om zelf een stem uit te brengen (het actieve kiesrecht); – het recht om in de medezeggenschapsraad gekozen te worden (passieve kiesrecht). |
| Kiesstelsel |
De wijze waarop het kiezen geregeld is. |
| Klachtencommissie |
Leerlingen, ouders en personeelsleden kunnen een klacht indienen bij de klachtencommissie. Schoolbesturen zijn verplicht een eigen klachtencommissie in te stellen of zich aan te sluiten bij een regionale of landelijke klachtencommissie. De klachtencommissie bestaat uit minimaal drie leden, onder wie een voorzitter die geen deel uitmaakt van het schoolbestuur of van het team van de school. De klachtencommissie moet de klacht van de klager altijd vertrouwelijk behandelen en binnen vier weken reageren. Als de klachtencommissie de klacht na onderzoek gegrond verklaart, volgt rapportage en advies naar het schoolbestuur. Het bestuur dient de klachtencommissie binnen vier weken na ontvangst van het oordeel mede te delen of hij het oordeelt deelt en of hij maatregelen zal nemen, en zo ja, welke. Sinds 1 januari 2007 is het bevoegd gezag verplicht om informatie te verschaffen over elk oordeel van de klachtencommissie, waarbij de commissie een klacht gegrond verklaard heeft. Indien de klacht gegrond verklaard is, moet het bevoegd gezag op grond van het informatierecht van de MR onmiddellijk de MR informeren. Hierbij geeft het bevoegd gezag ook aan welke eventuele maatregelen genomen zullen worden. De regels over het verwerken van de bescherming van persoonsgegevens worden hierbij in acht genomen. |
| Klachtenprocedure |
Een klachtenprocedure beschrijft wie welke taken en bevoegdheden heeft en welke stappen gezet dienen te worden bij een klacht. |
| Klachtenregeling |
De klachtenregeling beschrijft in een protocol of een stappenplan welke
stappen gezet dienen te worden bij het indienen van een klacht door de klager en
het afhandelen van een klacht door een klachtencommissie. Een klachtenregeling
is op elke school voor basisonderwijs en voortgezet onderwijs verplicht. Deze
regeling garandeert een zorgvuldige behandeling van klachten en geeft informatie
over de klachtenprocedure. Hiermee wordt het belang van de betrokkenen gediend.
Daarnaast is een zorgvuldige behandeling van klachten bevorderlijk voor een
veilig schoolklimaat. Scholen zijn verplicht om over de klachtenprocedure
informatie op te nemen in de schoolgids, zodat alle belanghebbenden op de hoogte
zijn. In de klachtenregeling is onder andere opgenomen binnen welke termijn de
school op een klacht reageert. |
| Klokkenluider |
Deze plastische benaming wordt gebruikt voor een werknemer, die grote
gewetensbezwaren heeft over handelingen van de organisatie waarbij hij werkzaam
is of over het beleid dat zijn werkgever voert, daarvoor intern in de eigen
organisatie en bij bestaande commissies onvoldoende gehoor vindt en daarom met
die problematiek naar buiten treedt. Hij loopt daarmee het risico om
arbeidsrechtelijk gestraft te worden, omdat hij ‘de vuile was buiten hangt’.
|
| Koers |
De beurskoers van een aandeel. De richting waarin het beleid van een onderneming gaat. |
| Koerswaarde |
Waarde van een beleggingsobject als het op dit moment zou worden verkocht. |
| Koerswinst/ koersverlies |
Stijging of daling van de beurskoers op de effectenmarkt. De term winst en verlies worden hier op ongebruikelijke wijze gehanteerd, omdat bij valuta en andere prijzen niet over winst en verlies gesproken wordt, maar over stijging en daling. |
| Koper |
Er zijn drie typen van kopers van immateriële activa. 1. Strategische koper: (rechts)persoon die streeft naar maximale zeggenschap teneinde het integratieproces met eigen bedrijfsonderdelen optimaal te maken. 2. Financiële koper: (rechts)persoon die streeft naar zeggenschap zonder uit te zijn op het gebruik van de activa. 3. Industriële koper: (rechts)persoon die streeft naar het integreren van de activa, de locatie, de klanten of het marktaandeel. |
| Kosten |
Zijn alle op geld gewaardeerde offers die gebracht zijn bij de productie. Bijvoorbeeld: grondstofkosten, afschrijvingskosten, vermogenskosten en loonkosten. |
| Kostenplaatsen |
Bij de inrichting van de administratie definiëren we onderdelen van de organisatie als kostenplaatsen. In deze onderdelen worden bepaalde kosten gemaakt en opbrengsten gerealiseerd. Hierdoor is duidelijk welke bijdrage kostenplaatsen leveren aan het resultaat. Bij een éénpitter zien we de school als geheel vaak als kostenplaats en het bestuur als tweede kostenplaats. Bij een onderwijsinstelling met meer scholen, vormen de scholen elk een kostenplaats, het stafbureau en bovenschools. |
|
Kostensoort |
Een kostensoort of kostencategorie is een verzameling van kosten die bij elkaar horen, omdat ze dezelfde oorsprong hebben. |
|
Ktg |
Kantongerecht |
|
KW |
Kwaliteitswet (invoeringswet m.b.t. schoolplan, schoolgids en klachtenregeling) |
| Kwalificatie-eisen |
Deze eisen hebben betrekking op de eisen die vanuit de schoolorganisatie worden gesteld aan het vervullen van een bepaalde functie dan wel aan taken binnen een organisatie. |
|
Kwalificatieplicht |
de verplichting om een startkwalificatie te behalen, te weten een havo-, vwo- of mbo 2-diploma |
| Kwalitatieve personeelsplanning |
Bepaling van de personeelsbehoefte in kwalitatieve zin, bijvoorbeeld de behoefte aan personeel met een bepaalde opleiding of vaardigheid of de behoefte aan een meer evenredige getalsverhouding tussen mannen en vrouwen. |
| Kwaliteit |
Onderwijs heeft kwaliteit als de school haar beloftes waar maakt. De meningen verschillen over vragen wat goed onderwijs is, wie dat moet bepalen en op welke wijze dat bepaald moet worden. De vraag wat goed onderwijs is, heeft betrekking op de doelstellingen die gerealiseerd moeten worden. Te denken valt aan: leerlingen basisvaardigheden aanleren, de individuele ontplooiing van leerlingen stimuleren, maatschappelijke waarden overdragen, de maatschappelijke gelijkheid bevorderen enzovoort. Je zou kunnen zeggen dat ‘goed’ onderwijs dan leerlingen aflevert die de beoogde vaardigheden en attitudes hebben aangeleerd zoals vastgelegd in de kerndoelen. |
| Kwaliteit medezeggenschap |
De WMS gaat uit van een gezamenlijke verantwoordelijkheid van bestuur en
personeel, ouders en leerlingen voor het functioneren van de school en de
kwaliteit van de (G)MR als overlegorgaan. Voorwaarden voor kwaliteitsverbetering
van de medezeggenschap binnen de organisatie zijn: |
| Kwaliteitsbewaking |
Met kwaliteitsbewaking meet men de afstand tussen de door de school
geformuleerde missie (uitgangspunten, doelstellingen, eindtermen, operationele
doelen) en de onderwijsrealiteit. |
| Kwaliteitsmanagement |
Kwaliteitsmanagement is een strategie van het management die gericht is op het systematisch inrichten en voortdurend verbeteren van de werkprocessen in de schoolorganisatie. Het doel is het realiseren van een evenwicht in de verschillende motieven van betrokkenen: het personeel in het onderwijs (vindt het uitdagend om tegen betaling zo goed mogelijk les te geven aan bepaalde groepen leerlingen), de leerlingen en ouders (die willen dat er goed onderwijs wordt geboden in een prettige sfeer) en de het management (wil dat de organisatie excellent functioneert). |
| Kwaliteitsverbetering |
Met kwaliteitsverbetering probeert men de geconstateerde afstand tussen de actuele situatie en de gewenste doelen te verkleinen door het onderwijs te veranderen of door de doelen aan te passen. De MR zou zich sterk kunnen maken dat de schoolleiding verantwoording aflegt wat zij precies onder kwaliteit verstaat, op welke wijze dit gerealiseerd kan gaan worden en op welke wijze de directie wil gaan controleren of de gestelde doelen gerealiseerd zijn. |
| Lagere overheden |
Zijn de gemeenten, provincies en waterschappen. |
|
LAKS |
Landelijke aktie komiteescholieren |
| Last en ruggespraak |
De gekozen leden in de (G)MR zitten in de raad zonder last of ruggespraak.
Dit betekent dat de achterban een (G)MR-lid niet tot een bepaald stemgedrag kan
dwingen. Elk lid van de (G)MR heeft een eigen verantwoordelijkheid. Wel staat
het een MR-lid vrij zich vrijwillig te conformeren aan een meerderheidsstandpunt
van zijn of haar achterban, los van het eigen standpunt. |
| Lasten |
Alle bedragen die in de loop van het jaar leiden tot een afname van het eigen vermogen van een niet-commerciële organisatie. De lasten staan credit in de boekhouding, net zoals de betalingen per kas of giro. |
|
LBF-FUWA |
Landelijke bezwarencommissie functiewaardering |
| LBK | Landelijk Beleidskader |
|
LBS |
Landelijke bezwarencommissie schoolbestuurbeslissingen |
|
LCG-WMS |
Landelijke commissie voor geschillen WMS |
| Leeftijdsdiscriminatie |
Op 1 mei 2004 is de ‘Wet gelijke behandeling op grond van de leeftijd bij de arbeid’ in werking getreden. Vanaf deze datum is leeftijdsdiscriminatie bij arbeidsvoorwaarden verboden, tenzij sprake is van een wettelijke uitzonderingsgrond of dit onderscheid objectief kan worden gerechtvaardigd. Omdat pensioen een arbeidsvoorwaarde is, geldt dit verbod ook voor pensioenregelingen. |
| Leerlingbegeleiding |
Het geheel van activiteiten dat er op gericht is de onderwijskundige en pedagogische doelstellingen van een school te realiseren binnen een daarvoor opgezet systeem. |
| Leerlingen |
Leerlingen als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de
expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs (artikel 1, lid 3, onder
f, WMS). |
| Leerlingenparticipatie |
Leerlingenparticipatie is te beschouwen als een onderdeel van de medezeggenschapscultuur waarin er formele en informele wegen zijn naar meedenken, meepraten en meebeslissen van leerlingen over die zaken die zij van belang vinden voor de kwaliteit van hun leren. De WMS biedt de leerlingengeleding instemmingsbevoegdheid over een aantal onderwerpen die hen in het bijzonder aangaat zoals: voorzieningen in de school voor leerlingen en het leerlingenstatuut. De leerlinggeleding kan daarover apart, dus los van ouders en docenten, vergaderen en daarbij andere leerlingen in adviserende zin betrekken (dit kan bijvoorbeeld in de vorm van een leerlingenraad of leerlingenparlement). |
| Leerlingenraad |
Op de meeste scholen voor voortgezet onderwijs functioneert een
leerlingenraad. De leerlingenraad houdt zich veelal bezig met het organiseren
van activiteiten in de uitvoerende sfeer. Dat kan variëren van het verrichten
van hand- en spandiensten tot aan het verlenen van leerhulp tijdens de lessen,
of het organiseren van sportdagen. |
| Leerlingenstatuut |
Een leerlingenstatuut is het geheel van regels, dat de rechtspositie van een
leerling op een VO-school bepaalt. Het geeft de rechten en de plichten van de
leerling weer en – mutatis mutandis – ook de rechten en plichten van andere
leden van de schoolgemeenschap jegens de leerling. Sedert 1993 is het opstellen
van een leerlingenstatuut wettelijk verplicht. |
| Leerplan |
Het leerplan omvat de omschrijving van de concrete onderwijsdoelstellingen en een systematische beschrijving van de onderwijsactiviteiten, de leerstof en de onderwijsleermiddelen die worden gebruikt om deze doelstellingen te bereiken, en de wijze waarop de evaluatie plaatsvindt. De MR heeft instemmingsbevoegdheid bij de vaststelling of wijziging van het schoolplan dan wel het leerplan of de onderwijs- en examenregeling en het zorgplan (artikel 10, onderdeel b, WMS). |
|
Leerplichtwet |
Leerplichtwet 1969 |
| Legitimering |
Wettelijke en sociaal-politieke acceptatie. |
| Leiderschap |
Het proces van beïnvloeding van de activiteiten van een individu of groep bij
het streven naar het bereiken van een doel in een gegeven situatie. |
| Leidinggeven (in enge zin) |
Het beïnvloeden van het gedrag van de medewerkers binnen de
schoolorganisatie, opdat de doeleinden van de organisatie zo goed mogelijk
worden bereikt. |
| Leidinggeven (in ruime zin) |
Het vervullen van een voortrekkersrol of van een andere bijzondere positie
bij: |
| Lenen |
Wanneer er te weinig geld beschikbaar is om een bepaalde droom te
verwezenlijken of om iets wat hard nodig is te kunnen aanschaffen, is lenen een
oplossing. De meest voorkomende leenvormen zijn lenen op onderpand, persoonlijke
lening, doorlopend krediet, koop op afbetaling, huurkoop en lease. |
| Leren |
Leren is een sociaal proces en valt samen met de taal, de waarden, opvattingen en gebruiken in de groep of de samenleving waarvan men deel uitmaakt. Leren is ingebed in het handelen en de sociale relaties. Opvattingen over de pedagogische relatie tussen leraar en leerling zijn terug te voeren op drie onderliggende onderwijsideologieën, namelijk: een leerstofgerichte ideologie (overdrachtsmodel), een leerlinggerichte ideologie (cognitief-lerenmodel) en een ideologie van een gemeenschap van lerenden (interactie-lerenmodel). In een leerstofgerichte school staat de leerstof centraal en de docent stuurt het leerstofproces, terwijl in een leerlinggerichte school van de leerling een meer actieve houding word verwacht en een grotere mate van zelfstandigheid in het leren. Binnen een gemeenschap van lerenden worden leerlingen gezien als personen die actief zelf in interactie met elkaar kennis construeren in gevarieerde arrangementen en met een variëteit aan (zelf)sturingsmogelijkheden naar inhoud, vorm en tijdstip. |
| Lerende schoolorganisatie |
Een lerende schoolorganisatie is een organisatie die zich voortdurend en in
hoog tempo |
| Lesrooster |
Het begrip ‘lesrooster’ staat vermeld in artikel 11, onderdeel a waar sprake
is van adviesbevoegdheid van de gehele MR. Dit onderdeel is alleen van
toepassing voor het voortgezet onderwijs. In het primair onderwijs maakt het
lesrooster deel uit van de aangelegenheid schoolplan (artikel 10, onderdeel b
WMS) en het is daarmee onderhevig aan het instemmingsrecht van de MR. |
| Levensloopregeling |
Met ingang van 1 januari 2006 dient iedere werknemer in staat te worden gesteld te sparen voor een levensloopverloftegoed. Dit tegoed kan worden aangewend voor de financiering van perioden van extra verlof. De eigen bijdrage aan de levensloopregeling dient te worden ingehouden op het bruto loon en bedraagt maximaal 12% van het bruto loon. In een kalenderjaar mag niet meer worden gespaard indien het levenslooptegoed (inclusief rendement) 210% of meer bedraagt van het bruto loon in het voorafgaande kalenderjaar. Een levensloopregeling kan worden uitgevoerd door een bank, verzekeraar of een beleggingsinstelling. |
| LGF |
Leerling gebonden financiering. |
| Lijstenstelsel |
Er zijn verschillende manieren om personen in een vertegenwoordigend overleg
te kiezen. De meest voorkomende systemen zijn het lijstenstelsel en het
personenstelsel. Bij een lijstenstelsel bepaalt een min of meer vast omlijnde
groepering, dat er een kandidatenlijst wordt opgesteld, wie op deze
kandidatenlijst komt te staan en of deze kandidaten zich op een bepaalde wijze
dienen te profileren; de kiezer brengt een stem uit op de lijst. De stem valt
toe aan die lijst en in principe aan de kandidaat die als eerste niet gekozen
kandidaat bovenaan staat op de lijst. |
|
LIO |
Leraar in opleiding |
| Liquidatie |
Verrekening of afwikkeling van een transactie die is afgesloten (o.a. termijnmarkt). Opheffing van een zaak door deze liquide te maken, dat wil zeggen om te zetten in liquide middelen. |
| Liquide |
Contant, opvorderbaar. In staat om direct aan betalings- en aflossingsverplichtingen te voldoen. |
| Liquide middelen |
Betalingsmiddelen, zoals contant geld (kas) of giraal tegoed (banktegoed) die onder de activa op de balans staan. Bij de Externe Verslaggeving vallen de liquide middelen onder de vlottende activa. |
| Liquiditeit |
Financieel kengetal dat aangeeft in welke mate de organisatie aan haar kortlopende verplichtingen kan voldoen. |
|
LOBO |
Landelijke Oudervereniging Bijzonder Onderwijs op algemene grondslag |
|
LOM |
Leer- en opvoedingsmoeilijkheden |
| Londo |
In 1976 werd Gerard Londo aangezocht als voorzitter van een landelijke
commissie die orde moest scheppen op onderwijs-financieel gebied. Deze
Commissie-Londo is een begrip geworden. Nog elk jaar verschijnt de
Londo-jaargids, over personele en materiële vraagstukken ten behoeve van het
schoolmanagement in het primair onderwijs. |
| Loon |
Is de beloning voor de productiefactor arbeid. |
|
Lpw |
Leerplichtwet |
| Lumpsum |
Het begrip lumpsum houdt in dat het bestuur voor al zijn scholen een geldbedrag krijgt en waaruit alle kosten van het bestuur, personeel, gebouw, inrichting en onderwijs betaald moeten worden. |
|
Lumpsum financiering |
Bekostiging van scholen op basis van één totaalbedrag |
|
Luxe verzuim |
ongeoorloofde afwezigheid (door ouders veroorzaakt) doordat de leerplichtige buiten de schoolvakanties om op vakantie (met de ouders) gaat |
|
LVLA |
Landelijke Vereniging van Leerplichtambtenaren, thans Ingrado |
| Maatwerk medezeggenschap |
Scholen kunnen sinds de invoering van de WMS op initiatief van de (G)MR de medezeggenschap inrichten op basis van lokale behoeften, wensen, ambities en mogelijkheden binnen de door de wetgever gestelde kaders. Concreet gaat het om het instellen van mogelijke varianten zoals: de themaraad, deelraad, groepsmedezeggenschapsraad en bovenbestuurlijke medezeggenschapsraad. De wetgever heeft ervoor gekozen af te zien van veel aanvullende inrichtingsvoorschriften voor deze organen. |
| Macht |
De mogelijkheid van personen of groepen om de gevoelens, opvattingen en gedragingen van andere personen of groepen te beïnvloeden. Het is de feitelijke capaciteit van MR-leden of de gehele MR om in de school bepaalde doeleinden te bereiken. |
| Mainstreamscholen |
Mainstreamscholen zijn scholen met een traditioneel klassikaal onderwijsaanbod. |
| Management |
De onderscheiden betekenissen van management: management als de activiteit van het nemen van beslissingen, inclusief het nemen van de ter uitvoering daarvan benodigde stappen. Management als team: al degenen tezamen die de bovengenoemde beslissingen nemen. |
| Management Control |
Bij Management Control gaat het om meer dan controleren alleen. In feite gaat het erom economische processen te beheersen, dus te zorgen dat ze tot het beoogde resultaat leiden. De activiteiten die behoren tot control omvatten: planning van activiteiten, communicatie naar en informatie van de betrokkenen, motivering van de medewerkers om de taken succesvol uit te voeren, vormgeven van de verantwoordelijkheidsstructuur, coördinatie van de verschillende afdelingen, evaluatie van de economische processen, besluitvorming over acties om al dan niet in te grijpen, beïnvloeding van de personen om gedrag te veranderen en bijstelling van de planning voor de volgende periode. |
| Managementstatuut |
In het managementstatuut, worden de bestuurlijke verhoudingen, rollen, taken en bevoegdheden helder aangegeven. Het managementstatuut regelt op de eerste plaats de bevoegdheden van de directeur (en bovenschools management) met betrekking tot de toedeling, bestemming en aanwending van de bekostiging. Op de tweede plaats geeft het managementstatuut het mandaat weer van de overige bestuurlijke taken en bevoegdheden dat het bevoegd gezag aan respectievelijk de directeur en het bovenschools management toekent. |
| Manager |
Een lid van het managementteam met aandacht voor de meer zakelijke, bedrijfsmatige leiding van de school. |
| Mandaat |
De term ‘mandaat’ wordt gebruikt om aan te geven dat bepaalde organen of functionarissen taken en bevoegdheden hebben overgedragen aan andere, ‘lagere’ organen of personen. Zo kan een schoolbestuur het voorbereiden van een bepaalde beleidsvorming of het nemen van een besluit opdragen aan een directie. Het kan daarbij ook voorwaarden stellen. Impliciet houdt een mandaat altijd in, dat deze opdracht (desnoods eenzijdig) kan worden teruggenomen. |
| Mandateren |
Mandateren is het overdragen van een taak inclusief de verantwoordelijkheid deze taak goed uit te voeren. In het geval van een mandaat met een budget moet de budgethouder de taak uitvoeren binnen het budget. |
| Marginale toetsing |
De wet schrijft het criterium voor dat een geschillencommissie moet hanteren bij de beoordeling van een geschil. Bij een instemmingsgeschil en een geschil over het reglement moet de commissie oordelen of het bevoegd gezag bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen. Deze redelijkheidstoetsing wordt ook wel marginale toetsing genoemd. De inhoud van het geschil wordt beoordeeld: acht de geschillencommissie de gemaakte afweging onredelijk dan mag het bevoegd gezag het voorgenomen besluit niet in een definitief besluit omzetten. |
| Markt |
Alle vragers naar een product; het geheel van vraag en aanbod. De plaats waar kopers en verkopers samen komen. |
| Marktwaarde |
Waarde van een beleggingsobject als het op dit moment zou worden verkocht. |
| Materiële vaste activa |
Bezittingen van een organisatie, zoals gebouwen, terreinen, meubilair, ict, leermiddelen, apparaten die langer dan een jaar meegaan. Het vermogen dat nodig is voor de aanschaf van materiële vaste activa ligt langer dan een jaar vast. |
|
Mavo |
Middelbaar algemeen vormend onderwijs |
|
Mbo |
Middelbaar beroepsonderwijs |
| Medezeggenschap |
Alle formele mogelijkheden die ouders, leerlingen en personeel ter beschikking staan om invloed uit te oefenen op het beleid van het bestuur/de directie van de desbetreffende school. |
| Medezeggenschapsbereidheid |
Onder medezeggenschapsbereidheid is te verstaan de mate waarin betrokkenen bereid zijn het proces van medezeggenschap gezamenlijk aan te gaan. Voor succesvolle veranderingen van de medezeggenschap in het onderwijs zijn betrokkenheid en draagvlak nodig. Scholen in het VO bieden leerlingen via de MR doorgaans mogelijkheden tot actieve betrokkenheid bij de besluitvorming ten aanzien van hun eigen leefomgeving op school: lessen, leerstof, rooster en leeromstandigheden. Van leerlingen wordt op scholen in toenemende mate verwacht dat zij actief en zelfstandig leren en een bijdrage leveren aan de school als gemeenschap. |
| Medezeggenschapscultuur |
De wijze waarop bestuur/directie, vertegenwoordigers van personeel en ouders/leerlingen op school met elkaar omgaan in het in het kader van de medezeggenschap. Cultuur is zichtbaar in denken en handelen van mensen. De ongeschreven regels, de wijze van omgaan met elkaar staat niet meer ter discussie: ‘Zo doen we dat bij ons op school met medezeggenschap’, of: ‘Neen, zo doe je dat niet, wij zijn dat zo niet gewend’. Willen (G)MR- leden een cultuur veranderen dan moet er invloed worden uitgeoefend op het gedrag van bestuur/directie en andere betrokkenen. Sturen op gedrag kan op vele manieren: complimenten geven, coachen, stimuleren, corrigeren, confronteren. Kortom ruimte geven en eisen stellen. |
| Medezeggenschapscursus |
Een reeks van bijscholingsactiviteiten die elkaar volgens een zeker plan
opvolgen en een afgesloten geheel vormen. Vaak wordt het woord cursus ook voor
eenmalige bijscholingsactiviteiten gebruikt. Om als (G)MR goed te gaan
functioneren is het volgen van een scholingscursus noodzakelijk. Het is nogal
lastig een prijs- kwaliteitsvergelijking te maken tussen de organisaties die
cursussen aanbieden, omdat het nogal eens onduidelijk is wat het aanbod precies
inhoudt. |
| Medezeggenschapsorganen |
De WMS maakt verschillende medezeggenschapsorganen mogelijk (artikel 20 WMS). Deze moeten vermeld staan in het statuut. De volgende organen kunnen worden opgenomen in het statuut: gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, medezeggenschapsraad, themaraad, deelraad, groepsdeelraad en bovenbestuurlijke medezeggenschapsraad. |
| Medezeggenschapsraad |
Aan de school is een medezeggenschapsraad verbonden (artikel 3 WMS). Deze
raad wordt rechtstreeks door en uit de ouders, leerlingen (VO) en het personeel
gekozen volgens de bepalingen van het reglement. In de MR zitten
vertegenwoordigers van groepen die bij de school zijn betrokken. In het
basisonderwijs en speciaal basisonderwijs zijn dit vertegenwoordigers van
personeel en ouders. De ouder- en de personeelsgeleding zijn even groot. In het
voortgezet onderwijs maken leerlingen ook deel uit van de MR. Zij vormen samen
met de ouders een geleding. Binnen die geleding is het aantal ouders en
leerlingen in principe gelijk (artikel 3, lid 4 WMS). |
| Medezeggenschapsreglement |
Elke (G)MR dient een eigen reglement te hebben. Het bevoegd gezag stelt een medezeggenschapsreglement vast voor de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad voor zover het voorstel de instemming van twee derde van het aantal leden van de medezeggenschapsraad onderscheidenlijk van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad heeft verworven. In het reglement wordt in ieder geval geregeld (artikel 23 WMS): het aantal leden van de medezeggenschapsraad; de aantallen ouders en leerlingen (voortgezet onderwijs) die zitting nemen in de raad; de wijze en organisatie van de verkiezingen van de leden van de medezeggenschapsraad; de zittingsduur van de leden van de medezeggenschapsraad; wie als gesprekspartner van de MR optreedt van de schoolleiding/bevoegd gezag; wijze waarop het bevoegd gezag informatie verschaft aan de medezeggenschapsraad; de termijnen binnen welke tot instemming of onthouding van instemming dient te worden besloten; de termijnen binnen welke advies dient te worden uitgebracht (indien ook van toepassing als bevoegdheden zijn overgedragen aan themaraden en/of deelraden); in welke gevallen en op welke wijze de medezeggenschapsraad alle bij de school betrokkenen betrekt bij de werkzaamheden van de medezeggenschapsraad; in welke gevallen geheimhouding wordt betracht; de procedure voor de beslechting van die geschillen tussen het bevoegd gezag en de medezeggenschapsraad waarvoor deze wet niet in een geschillenregeling voorziet. |
| Medezeggenschapsreglement (geschil) |
Bij een geschil over het medezeggenschapsreglement beoordeelt de
geschillencommissie of het bevoegd gezag bij afweging van de betrokken belangen
in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen. |
| Medezeggenschapsstatuut |
De ruimte die de WMS geeft op het punt van de toedeling van bevoegdheden en de inrichting van de medezeggenschapsstructuur, maakt het noodzakelijk dat het voor alle betrokkenen inzichtelijk is welke keuzes zijn gemaakt. Daartoe heeft de WMS het instrument van het medezeggenschapsstatuut geïntroduceerd. Elk schoolbestuur stelt een medezeggenschapsstatuut op waarin wordt vastgelegd hoe de ‘kaart van medezeggenschapsorganen’ bij het schoolbestuur eruit ziet. In het statuut wordt beschreven welke medezeggenschapsorganen er zijn en wat hun bevoegdheden zijn; deze bevoegdheden zelf zijn verankerd in het reglement van het desbetreffende orgaan. De bevoegdheden zijn met andere woorden in regulerende zin vervat in het reglement van het medezeggenschapsorgaan; in informatieve zin worden ze ook opgenomen in het medezeggenschapsstatuut. De kaart van medezeggenschapsorganen zoals opgenomen in het statuut toont in feite het organogram van medezeggenschapsorganen en beschrijft deze op een voor een ieder inzichtelijke wijze. De GMR heeft instemmingsrecht over het medezeggenschapsstatuut. Bij eenpitters heeft de MR dat. Het bevoegd gezag legt formeel een voorstel voor het reglement en het statuut ter instemming voor aan de medezeggenschapsraden (artikel 21 lid 2 en artikel 23, onder c WMS). |
| Medezeggenschapsstatuut (geschil) |
Bij een geschil over het medezeggenschapsstatuut beoordeelt de
geschillencommissie of het bevoegd gezag bij afweging van de betrokken belangen
in redelijkheid tot zijn voorstel heeft kunnen komen. |
| Medezeggenschapsstrategie |
Onder de medezeggenschapsstrategie van de (G)MR kan worden verstaan de
gehanteerde methoden en middelen om de gestelde doelstellingen van de
medezeggenschapsraden te realiseren. De aanpak kan erop gericht zijn om stap
voor stap of juist met spoed de gewenste doelen te realiseren. Inspraakorganen
kunnen kiezen uit een veelheid van aanpakken: een formele of informele aanpak,
meningen peilen bij de achterban, bondgenoten zoeken, als geleding apart
vergaderen, stimuleren van onderling overleg en als een klankbord van de
directie opstellen. |
| Medezeggenschapsstructuur |
De mate waarin voor betrokkenen bij de medezeggenschap afspraken, procedures, overlegstructuren en verantwoordelijkheden duidelijk zijn. De ruimte die de WMS geeft op het punt van de toedeling van bevoegdheden en de inrichting van de medezeggenschapsstructuur, maakt het noodzakelijk dat het voor alle betrokkenen inzichtelijk is welke keuzes zijn gemaakt. Daartoe heeft de WMS het instrument van het medezeggenschapsstatuut geïntroduceerd. Elk schoolbestuur stelt een medezeggenschapsstatuut op waarin wordt vastgelegd hoe de ‘kaart van medezeggenschapsorganen’ bij het schoolbestuur eruit ziet. De GMR heeft instemmingsrecht over het medezeggenschapsstatuut. Bij besturen met een school onder hun gezag – eenpitters – heeft de MR dat. |
| Medezeggenschapsvaardigheid |
De vaardigheid waarmee de betrokkenen met elkaar omgaan in het kader van de medezeggenschap. Het gaat daarbij vooral om de wijze waarop men omgaat met tegengestelde belangen, vertrouwenskwesties, conflicten en zaken die emotioneel liggen. Belangrijk is dat MR-leden nadenken over de essentie van hun werk en hoe ze met elkaar willen omgaan en elkaar daarop aanspreken (bijvoorbeeld afspraken nakomen, niet wegblijven zonder af te zeggen). |
| Mediation |
Bij mediation gaat het om de oplossing van een geschil door partijen zelf, onder leiding van een onafhankelijke derde. Mediation kan dienen ter vervanging van de behandeling door de commissie als de partijen bij willen dragen aan een snelle oplossing van hun conflict. Mediation is dan te verkiezen boven een procedure (actieve rol van partijen, goedkoper, sneller, win-win, er zijn geen verliezers). Mediation kan ieder geval bijdragen aan het scheppen van een ‘werkbare sfeer’. |
| Middelen |
Goederen en diensten. |
| MIP |
Meerjareninvesteringsplan |
| Missie |
De specifieke doelen (onderwijsvisie, centrale waarden, scholingsconcept) van
een school die in relaties staan tot overtuigingen, attitudes en activiteiten.
Een missie van school kan bijvoorbeeld zijn: een veilige school waar iedereen
elkaar helpt. Op een dergelijke school is het ideaal dat leerlingen en docenten
zich veilig voelen en men het in ieders belang vindt dat er wordt samengewerkt.
|
|
MLK |
Moeilijk lerende kinderen |
|
m.nt. |
Met noot |
| MOP |
Meerjarenonderhoudsplan |
| Motiveringsbeginsel |
Het motiveringsbeginsel is een van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Hiermee wordt het volgende bedoeld: een beleidsorgaan moet zijn beslissing motiveren, het moet een deugdelijke motivering zijn, de motivering moet de beslissing ook dragen en de motivering moet berusten op feitelijk juiste gegevens of veronderstellingen. De motivering wordt door de geschillencommissie op grond van de wet expliciet getoetst in adviesgeschillen. |
| MR | Medezeggenschapsraad |
|
MR-reglement |
Medezeggenschapsreglement |
| MT | Managementteam |
|
MvT |
Memorie van toelichting |
| Naamloze Vennootschap (NV) |
Juridische rechtsvorm die eigen rechtspersoonlijkheidheeft en waarvan het eigen vermogen is opgebouwd uit aandelen die in handen zijn van de vennoten (daarom heten die aandeelhouders). De aandeelhouders kunnen voor niet meer dan hun aandeel in het eigen vermogen van de vennootschap aansprakelijk gesteld worden voor de financiële verplichtingen van de onderneming. De aandelen van een NV zijn gestandaardiseerd in omvang en gesteld aan ‘toonder’ (dus degene die ze tonen kan, wordt als aandeelhouder aangemerkt). Zodoende zijn zij vrij verhandelbaar op de effectenbeurs. Dit in tegenstelling tot de BV waar de aandelen op naam staan, zodat ze niet vrij verhandelbaar zijn. |
| Nadere geschillen |
Geschillen over bepaalde aangelegenheden waarvoor de WMS niet in een geschillenregeling voorziet. Het staat de geschillencommissie vrij om ook deze ‘andere’ geschillen, dan de in de wet uitdrukkelijk genoemde geschillen, te beslechten. |
| Netto-omzet |
Omzet exclusief BTW en na aftrek van eventuele kortingen. |
| Netwerk |
Een netwerk is te omschrijven als een groep mensen die een zeker belang hebben en zich op vrijwillige basis met elkaar verbinden. Iedereen heeft een netwerk van familie, vrienden, buren en collega’s. Onder netwerken wordt veelal verstaan het (doelbewust) leggen en onderhouden van contacten die je verder kunnen helpen in je werk, je carrière en je privé - leven. Het principe van netwerken is geven en nemen van informatie: voor wat, hoort wat. Bij netwerken moet duidelijk zijn dat je naar bepaalde informatie op zoek bent, dat je niet van je gesprekspartner verwacht dat hij al die informatie voor je heeft of voor je weet. Je wilt immers contact maken, niet bedreigend zijn, enthousiasmeren en iemand laten meedenken. |
| Nevenvestiging |
Permanente dislocatie van een school met huisvestings- en bekostigingsaanspraken. |
|
NJ |
Nederlandse Jurisprudentie |
|
NKO |
Nederlandse katholieke vereniging van ouders |
| Nominale rente |
Rente waarbij geen rekening is gehouden met het prijspeil. |
| Nominale waarde |
Waarde die op een aandeel of obligatie staat vermeld. Het is het bedrag waarvoor deze stukken in de boekhouding van de onderneming zijn opgenomen. |
| Non-directief leiderschap | Uitoefenen van leiderschap kan grofweg op twee manieren: directief en non-directief. Bij directief denkt men meestal aan richtlijnen geven die vervolgens als dan niet bespreekbaar zijn. Non-directief slaat meestal op: de inhoudelijke uitkomst zo vergaande mogelijk overlaten aan de groepsleden. Een non-directieve houding van de directie betekent voor de MR dat men mede gedwongen wordt tot het voor hun rekening nemen van de uitkomsten van het overleg. |
| Notulen |
Met notulen worden meestal bedoeld de uitgebreide weergave van het besprokene
tijdens een vergadering. Niet alleen de besluiten zijn daarin terug te vinden,
maar ook met name de motiveringen en de gevoerde discussies. Notulen kunnen
daarom goed dienst doen als geheugensteuntje voor deelnemers of als een
richtlijn voor te ondernemen acties. |
|
NT1 |
Nederlands als moedertaal |
|
NT2 |
Nederlands als tweede taal |
|
NTOR |
Nederlands Tijdschrift voor Onderwijsrecht en Onderwijsbeleid |
|
NVOR |
Nederlandse Vereniging voor Onderwijsrecht |
|
Oalt |
Onderwijs in allochtone levende talen |
|
OBD |
Onderwijs begeleidingsdienst |
| Obligatie |
Bewijs van deelname aan een langlopende lening (met een vaste looptijd en vaste rente). |
| Obligaties |
Certificaten die aangeven werk bedrag geleend is aan een onderneming. Deze certificaten zijn overdraagbaar zodat degene die het geld heeft uitgeleend aan een onderneming de stukken kan verkopen aan derden. Op het certificaat staat het interestpercentage vermeld en de wijze van aflossen van de lening. |
| OBP | Onderwijsondersteunend en beheerpersoneel |
| Octrooi |
Een recht dat door de overheid is toegekend aan een natuurlijk persoon of een rechtspersoon is toegekend om met uitsluiting van andere personen of rechtspersonen een artikel te maken of te verkopen. |
|
OCW |
Ministerie van onderwijs, cultuur en wetenschap |
| Omzetting (karakterverandering) van de school |
Van omzetting is sprake wanneer een openbare school een bijzondere school wordt of omgekeerd. In feite wordt de ene school opgeheven en gelijktijdig een nieuwe bijzondere of openbare school opgericht. Bij omzetting is altijd sprake van een principiële karakterverandering van de school. Aan de nieuwe school moet eerst weer een voorlopige medezeggenschapsraad worden gekozen, waarna een reglement dient te worden vastgesteld (paragraaf H van het Besluit medezeggenschap onderwijs). |
|
Omzetting van bevoegdheden |
Omzetting van bevoegdheden wil zeggen dat een instemmings- of adviesbevoegdheid wordt omgezet in respectievelijk een advies- of instemmingsbevoegdheid (artikel 24, lid 2 WMS). Deze flexibiliteit behoorde in de WMO ook tot de mogelijkheden. |
| Onderhandelende MR |
Een onderhandelende MR is een typering voor een raad die graag over de schouder van de directie en bestuur meekijkt. Men probeert greep en invloed te krijgen op de keuzemomenten en beslissingsmomenten van directie/bestuur. Daar waar mogelijk zal de MR zijn initiatiefrecht gebruiken. De MR zal proberen in een zo vroeg mogelijk stadium van de besluitvorming zijn ideeën duidelijk te maken en profileert zich als ‘proactief en koploper’. Een onderhandelende MR heeft doorgaans veel deskundigheid in huis en heeft voor de directie/ het bestuur een meerwaarde. Zij kunnen als stevige ‘counterparts’ van de directie optreden, omdat ze intern goed georganiseerd zijn en een stevig netwerk hebben binnen en buiten de school. Directieleden zien deze MR, soms noodgedwongen, als krachtige vertegenwoordigers van personeel ouders en leerlingen. Aan de andere kant is men ook bereid de raad te betrekken bij de beleidsvorming in verband met draagvlak voor uitvoering van besluiten. |
| Ondersteunende werkzaamheden door ouders |
In veel basisscholen verrichten ouders van de leerlingen ondersteunende
werkzaamheden ten behoeve van de school. De ouders moeten de aanwijzingen van
het schoolteam opvolgen, dat – samen met de directie – verantwoordelijk blijft
voor de gang van zaken. Voor toepassing van de Arbeidsomstandighedenwet worden
zij op de momenten dat zij die werkzaamheden verrichten gelijkgesteld met een
werknemer. De school dient te zorgen voor een goede
aansprakelijkheidsverzekering voor deze ouders. |
| Onderwijs op maat |
Onderwijs dat rekening houdt met de diversiteit in de leerlingenpopulatie wat betreft sekseverschillen en verschillen in achtergrond. |
| Onderwijskundig leiderschap |
De rol van de directie bij het verbeteren, veranderen en vernieuwen van de kwaliteit van het onderwijs. |
| Ongedeelde medezeggenschap |
Medezeggenschap vanuit een orgaan in een organisatie. |
| Onkosten |
Onkosten zijn geen kosten, maar uitgaven. Het zijn uitgaven door werknemers of particulieren die in principe voor vergoeding in aanmerking komen. De werkgever of de organisatie die de vergoeding zou moeten geven toetst eerst of de uitgaven voldoen aan de regels die zij voor vergoeding hebben geformuleerd. |
| Onkostenvergoeding |
Vergoeding door een werkgever of organisatie van uitgaven die werkelijk gedaan zijn door werknemers of particulieren. Vooraf vastgesteld bedrag ter compensatie van uitgaven die werknemers of particulieren later zullen gaan doen. |
| Ontheffing |
In beginsel is aan elke school een medezeggenschapsraad verbonden. De minister kan tot 1 augustus 2009 (artikel 42 WMS) ontheffing van deze verplichting verlenen, maar uitsluitend op gronden die verband houden met godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging. Een ontheffing moet ten minste op tweederde meerderheid van personeel en ouders kunnen rekenen, en is in principe slechts vijf jaar geldig. |
| Ontpotting |
Is geld ‘overhevelen’ van de inactieve kas naar de actieve kas. Of eenvoudiger gezegd: geld dat men in reserve heeft gehouden weer gaat besteden. Het gevolg is dat de omloopsnelheid van het geld toeneemt. |
| Ontslag |
Beëindiging van het dienstverband met de werkgever anders dan door overlijden of pensionering, waardoor het deelnemerschap aan de pensioenregeling wordt beëindigd. |
| Onverenigbaarheden |
Bepaalde functies zijn niet te verenigen bij de medezeggenschap. Personen die deel uitmaken van het bevoegd gezag kunnen geen zitting nemen in de medezeggenschapsraad. En een personeelslid dat is opgedragen om namens het bevoegd gezag op te treden in besprekingen met de medezeggenschapsraad kan niet tevens lid zijn van de medezeggenschapsraad. |
| OOP |
Onderwijsondersteunend personeel |
|
OP |
Onderwijsgevend personeel |
|
Openbaar onderwijs |
Ingevolge artikel 23 van de Grondwet moet in elke gemeente voldoende openbaar
onderwijs aanwezig zijn. Het onderwijs verzorgd aan openbare scholen moet worden
geregeld bij wet. |
| Openbaarheid |
Omdat de medezeggenschapsraad de wettelijke opdracht heeft openheid en onderling overleg te bevorderen, zal in het reglement doorgaans gekozen worden voor het principe dat de vergaderingen van de raad openbaar zijn. De medezeggenschapsraad kan echter besluiten om achter gesloten deuren te vergaderen. In het reglement kan worden aangegeven, dat de raad dit kan doen als er over individuen wordt gesproken of het karakter van onderwerp aanleiding vormt de zaak vertrouwelijk te behandelen. |
| Opheffingsnorm |
De opheffingsnorm van basisscholen wordt per gemeente vastgesteld door de landelijke overheid. Deze norm is gebaseerd op het aantal inwoners per vierkante kilometer in een gemeente. |
| OR | Ondernemingsraad of ouderraad |
| Organisatie |
Onder de organisatie van een school of instelling kan worden verstaan al die afspraken en maatregelen die gemaakt zijn, respectievelijk genomen worden, om het onderwijs op school of instelling mogelijk te maken. |
| Organisatiecultuur |
Gedeelde waarden, normen, verwachtingen en doeleinden binnen een organisatie. |
| Oriëntatiefase besluitvorming |
Het begin van een besluitvormingsproces wordt gekenmerkt door een min of meer voorzichtige verkenning van het onderwerp: de oriëntatiefase. Men tast af welke informatie beschikbaar is en welke opvattingen de deelnemers er op na houden. Er heerst onzekerheid over wat een ‘passende’ mening zal blijken te zijn. Gaandeweg wordt duidelijk hoe de opvattingen verdeeld liggen en welke voorstellen de meeste bijval oogsten. |
| Ouderbijdrage (vrijwillig) |
De ouderbijdrage is een vrijwillige bijdrage die wordt gevraagd van de ouders
die een kind op de betreffende school hebben, en die in principe bedoeld is voor
dat deel van de activiteiten van de school dat niet door de overheid wordt
bekostigd. Deze vrijwillige bijdragen worden veelal besteed aan activiteiten die
de leerling zelf kan ondernemen (bijvoorbeeld deelname aan toneelavonden) of aan
de financiering van bijzondere uitgaven van de school (bijvoorbeeld het houden
van dieren in of bij de school). |
| Ouderbijdrage primair onderwijs (verplicht) |
De geldelijke ouderbijdrage kan verplicht zijn op een school voor primair
onderwijs voor dat deel van de activiteiten van de school dat niet door de
overheid wordt bekostigd. De beslissing over toelating en verwijdering van
leerlingen berust bij het bevoegd gezag. De toelating mag niet afhankelijk
worden gesteld van een geldelijke bijdrage van de ouders. Overeenkomsten waarbij
ouders worden verplicht tot het betalen van een geldelijke bijdrage zijn nietig,
behalve voor zover zij na de toelating van de leerling tot de school
schriftelijk zijn aangegaan en in het desbetreffende schriftelijke stuk aan de
ouders kenbaar is gemaakt dat het een vrijwillige bijdrage betreft waarvoor de
overeenkomst niet behoeft te worden aangegaan, maar waarvoor geldt dat na de
ondertekening wel een verplichting tot betaling van de overeengekomen bijdrage
bestaat (artikel 40 WPO). De financiële bijdrage is alleen verplicht na
ondertekening van de overeenkomst. |
| Ouderlijk gezag |
Ouderlijk gezag houdt in dat ouders de zorg dragen voor het levensonderhoud en de opvoeding/ vorming van het kind. |
| Ouderparticipatie |
Actieve deelname van ouders aan activiteiten op school. Te onderscheiden in niet-geïnstitutionaliseerde vormen van ouderparticipatie (bijv. leveren van hand- en spandiensten) en geïnstitutionaliseerde vormen van ouderparticipatie (bijv. zitting hebben in de ouderraad, medezeggenschapsraad of het schoolbestuur). De doelen van ouderparticipatie hebben betrekking op het ouders een bijdrage laten leveren aan het reilen en zeilen van de school (organisatorisch doel) en de ouders mee te laten beslissen over het beleid van de school (democratisch doel; ook wel: politiek-maatschappelijk doel). |
| Ouderraad |
Op de meeste scholen functioneert een ouderraad. Deze raad houdt zich veelal
bezig met het organiseren van activiteiten in de uitvoerende sfeer. Dat kan
variëren van het verrichten van hand- en spandiensten tot aan het verlenen van
leerhulp tijdens de lessen, of het organiseren van sportdagen. |
| Ouders |
Onder ouders worden verstaan de ouders, voogden en verzorgers van leerlingen die aan de school zijn ingeschreven. |
|
OUDERS&COO |
Ouders&christelijk onderwijs en opvoeding |
| Ouderstatuut |
Het ouderstatuut is een document waarin de rechten en plichten van de ouders en ook de rechten en plichten van andere leden van de schoolgemeenschap jegens de ouders zijn opgenomen. Het ouders-/leerlingendeel van de MR heeft instemmingsbevoegdheid bij de opstelling van het ouderstatuut (artikel 13, sub e en artikel 14, lid 1, sub e, WMS). |
| OVB | Onderwijsvoorrangsbeleid |
| Overblijven/tussenschoolse opvang |
De Wet op het basisonderwijs (artikel 28) bepaalt dat het bevoegd gezag de
leerlingen in de gelegenheid stelt onder toezicht de middagpauze op school door
te brengen. Op de overgrote meerderheid van de scholen blijven leerlingen tussen
de middag over. |
| Overdragen van bevoegdheden |
De bevoegdheden die in de WMS zijn opgenomen, vormen de basis voor (G)MR en schoolbestuur bij de inrichting van medezeggenschap. Het overdragen van bevoegdheden van de ene geleding naar de (G)MR als geheel kan alleen maar door de geleding zelf die op grond van de wet deze bevoegdheid heeft; het kan dus niet door anderen worden geregeld. Als een geleding het initiatief neemt tot het overdragen van haar bevoegdheden aan de (G)MR als geheel, moet dit voorstel door ten minste twee derden van het aantal (G)MR-leden worden ondersteund. Ook het schoolbestuur moet er vervolgens mee instemmen. De overdracht heeft ook een geldigheidsduur van maximaal twee jaar (art. 24, lid 2 WMS). |
| Overhevelen |
Overhevelen wil zeggen dat een schoolbestuur formatierekeneenheden overdraagt aan een andere, al dan niet onder hetzelfde bevoegd gezag staande school, bijvoorbeeld als die laatste school met een tekort dreigt te komen, terwijl al zeker is, dat deze school in de nabije toekomst een fusie aangaat met een ‘eigen’ school (artikel 8, lid 1, onderdeel j WMO). |
| Overleg |
De waarde van het overleg tussen bestuurder en medezeggenschapsraad schuilt in de uitnodiging richting de direct betrokkenen om zich periodiek tegenover elkaar in een open klimaat te verantwoorden. Een open klimaat van werken is zichtbaar in de besluitvormingsstructuur, de communicatielijnen en de wijze van communiceren. |
| Overlegvergadering |
Hoewel deze term als zodanig niet voorkomt in de WMS mag worden gesteld dat er in de praktijk dikwijls een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen het overleg in de MR – waar de directeur niet bij aanwezig is – en de overlegvergadering waarin de voltallige MR en de directie aanwezig zijn. Het beraad in de MR (of een van de geledingen in de MR) krijgt daarmee het karakter van intern beraad, terwijl in de overlegvergadering meer onderhandeld wordt. |
| Overlopende posten |
Overlopende posten lopen over het jaar heen: het zijn journaalposten waarvan de financiële handeling in een ander jaar plaatsvindt dan de daadwerkelijke boeking. Overlopende posten staan op de balans. |
|
Pabo |
Pedagogische academie basisonderwijs |
| Paritaire samenstelling |
De WMS schrijft alleen een minimum aantal leden van de medezeggenschapsraad
van de school voor. Dat minimum is 4 leden. Men heeft dus de vrijheid in het
reglement te bepalen, dat de MR uit een groter aantal leden bestaat. Zo kan men
het aantal leden afstemmen op de grootte van de school. |
| Paritaire samenstelling ouder-/leerlinggeleding |
In de WMS (artikel 3, lid 4) is vastgelegd dat in het voortgezet onderwijs
ouders en leerlingen evenredig, dus aan elkaar gelijk, vertegenwoordigd zijn in
de MR. Alleen indien een van beide groepen niet voldoende vertegenwoordigers
vindt om de hen toebedeelde plaatsen in de MR te vullen, kan van de evenredige
vertegenwoordiging tussen ouders en leerlingen worden afgeweken. In dat geval
kunnen ouders de opengebleven zetels van leerlingen vullen, of andersom. |
| Particulier onderwijs |
Particulier onderwijs is een recht van ouders dat voortvloeit uit artikel 26 van de Universele verklaring van de rechten van de mens. Dit artikel stelt onder meer dat ouders vrij zijn een school van hun keuze te kiezen. Het particulier onderwijs is, alhoewel het niet door de overheid gefinancierd wordt, wel gebonden aan de wet. De ouders betalen zelf voor het onderwijs. Deze scholen kunnen concurreren met de bekostigde scholen op de markt van leerplichtige leerlingen, indien zij aan de wettelijke regels voldoen. Een particuliere school die onderwijs verzorgt moet zijn aangemerkt als ‘school’ in de zin van de Leerplichtwet. Eisen in de Leerplichtwet zijn onder andere het Nederlands als instructietaal, hantering van een systeem van kwaliteitszorg en de vaststelling van een schoolplan. Op particuliere scholen is een medezeggenschapsraad niet verplicht gesteld. |
| Partnerschap (tussen inspraakorganen en bestuurder) |
Onder partnerschap wordt doorgaans verstaan de wijze waarop men een betekenisvolle samenwerkingsrelatie vorm geeft. Voor de ontwikkeling van een partnerschapsrelatie tussen (G)MR en bestuurder is het van groot belang dat de (G)MR zijn focus richt op het optimaliseren van de relatie met de bestuurder en een aantal fundamentele vragen aan de orde stelt bij de invulling van het begrip partnerschap. Wat is de basis voor onze relatie met het bestuur? Wat is het gezamenlijk belang? Wat mogen MR en bestuurder van elkaar verlangen? Is er een ondergrens in het partnerschap, over en weer? Hoe gaan we het begrip partnerschap invullen? Hoe willen we de relatie met het bestuur uitbouwen en onderhouden? Hoe kunnen we ons richten op vragen betreffende de koers van de organisatie in hoofdlijnen? Hoe leggen we aan de achterban verantwoording af? |
|
Passend onderwijs |
Maatwerk in het onderwijs. Voor elk kind en iedere jongere onderwijs dat aansluit bij zijn of haar mogelijkheden en talenten |
| Passief kiesrecht |
In tegenstelling tot het actief kiesrecht (het recht om anderen te kiezen in de raad) is het passief kiesrecht (het zelf gekozen kunnen worden) aan bepaalde beperkingen onderhevig. In de WMS (artikel 3, lid 7 en 8) staat een aantal functies opgesomd die onverenigbaar zijn met het lidmaatschap van de raad. Ook het medezeggenschapsreglement kan beperkingen voor bepaalde situaties bevatten (zie o.m. WMS artikel 24 lid 4). |
| Passieve opstelling (G)MR |
Een MR met een passieve opstelling maakt louter gebruik van de formele advies- en instemmingsbevoegdheden uit de WMS: adviseren of instemmen met bestuursvoorstellen. Men neemt niet deel aan de beleidsvoorbereiding. De beïnvloeding is gering. De (G)MR heeft een imago als vertrager van het beleidsproces. |
|
PCL |
Permanente commissie leerlingenzorg |
| Pedagogisch functie van het primair onderwijs |
In het primair onderwijs gaat het om onderwijs aan jonge kinderen in de leeftijd van 4 tot en met 12 jaar. In die leeftijd is het opvoeden, het overdragen van waarden, normen en inzichten van groot belang. Ouders vertrouwen de opvoeding van hun kinderen in deze leeftijd voor een groot deel van de dag toe aan de school. De relatief zware pedagogisch functie van het primair onderwijs vraagt daarom om een relatief grote betrokkenheid van die ouders bij de beslissingen die de school neemt over inhoud, inrichting en organisatie van het onderwijs. |
| Pensioen |
Verzamelnaam voor periodieke uitkeringen (meestal maandelijks), die het vroegere salaris vervangen in geval van ouderdom, overlijden of arbeidsongeschiktheid. Gemeenschappelijk kenmerk is, dat de uitbetaling van het pensioen in elk geval eindigt zodra de rechthebbende is overleden en dat de opbouw ervan plaatsvindt in verband met het verrichten van arbeid. Het begrip ‘pensioen’ dient te worden gereserveerd voor situaties waarin sprake is van periodieke uitkeringen als bovenbedoeld, die voortvloeien uit de verhouding werkgever/ werknemer. Periodieke uitkeringen bij ouderdom, overlijden of arbeidsongeschiktheid, die hun oorsprong vinden in de sociale zekerheidswetgeving en in de privésfeer getroffen voorzieningen, vallen niet onder het pensioenbegrip. De opbouw van pensioenaanspraken vloeit voort uit arbeidsvoorwaarden, het is een vorm van beloning; dit kenmerk onderscheidt pensioen duidelijk van lijfrenten en sociale zekerheidsuitkeringen. |
| Personeel |
Het personeel dat in dienst is dan wel ten minste 6 maanden te werk gesteld is zonder benoeming bij het bevoegd gezag en dat werkzaam is op een van de scholen (artikel 1, lid 2, sub i WMS). |
| Personeelsbeleid |
Het personeelsbeleid is doorgaans gericht op een juiste afstemming tussen de belangen en behoeften van de schoolorganisatie en de belangen en wensen van het personeel; die onderlinge samenhang wordt beklemtoond in de term integraal personeelsbeleid. Het eerste lid van artikel 12 WMS bevat verschillende aangelegenheden die in dit kader aan de personeelsgeleding van de MR moeten worden voorgelegd. Maar ook de onderscheiden CAO’s kunnen bepalingen bevatten over de rol van de PMR in het kader van het te voeren personeelsbeleid. |
| Personeelsbeoordeling |
De personeelsbeoordeling is een instrument voor de uitvoering van het personeelsbeleid. Het gaat daarbij om een beoordeling van het functioneren van individuele personeelsleden waaraan voor hen rechtspositionele consequenties verbonden kunnen zijn, zoals een ontslag of een bevordering. Aan een personeels- of persoonsbeoordeling moeten meerdere functioneringsgesprekken vooraf gaan. |
| Personeelsraad |
De personeelsraad is een geledingenraad van personeelsleden. Ook het begrip ‘team’ komt in dit verband voor. |
| Personeelvolgsysteem |
Het personeelvolgsysteem is een voorziening gericht op of is geschikt voor
waarneming van of controle op aanwezigheid, gedrag of prestaties van het
personeel. Het kan gaan om voorzieningen die binnen het gezichtsveld van het
personeel vallen, zoals een prikklok, een veiligheidspoortje dat gehanteerd
wordt om aanwezigheid en afwezigheid van een personeelslid te registreren. Ook
het gebruik van videocamera’s valt hieronder. Daarnaast is sprake van
voorzieningen die buiten het gezichtsveld vallen zoals e-mail en
internetgebruik. Nagegaan kan bijvoorbeeld worden aan wie e-mails verzonden
worden, wie opgebeld wordt. |
| Pf/vf | Participatiefonds/vervangingsfonds |
|
Pgb |
Persoonsgebonden budget |
|
PGMR |
Personeelsgeleding van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad (GMR) |
| Planning |
Bewust, stelselmatig, expliciet en allesomvattend vaststellen van beleid. |
| Plichten van ouders |
De belangrijkste plichten van ouders ten opzichte van het bevoegd gezag kunnen als volgt worden samengevat. Ouders zijn verplicht zich te gedragen naar de normen van goed ouderschap. Zij moeten ervoor zorgen dat hun leerplichtige zoon of dochter op een school of onderwijsinstelling staat ingeschreven en erop toezien dat hun kind de school geregeld bezoekt. Vanaf 12 jaar is de jongere hier zelf medeverantwoordelijk voor. De ouders hebben de verplichting om relevante informatie over het kind aan het bevoegd gezag van de school te verstrekken. Als ouders hieraan geen gehoor geven, staat het bevoegd gezag echter weinig middelen ter beschikking om hier iets aan te doen. |
|
PMR |
Personeelsgeleding van de MR |
|
PO |
Primair onderwijs |
|
Pop |
Persoonlijk ontwikkelingsplan |
|
Po-raad |
Participatiefonds/vervangingsfonds |
|
Pres. |
President |
| Prestatie indicatoren |
Prestatie indicatoren zijn kengetallen die de huidige of gewenste situatie weergeven. Kengetallen geven de huidige situatie weer en stuurgetallen de gewenste. Prestatie indicatoren kunnen beide weergeven. |
| Prijs |
Een bedrag (of ander ruilobject) dat koper en verkoper overeen gekomen zijn om het eigendom van een product over te dragen. Vraagprijs: het bedrag dat een verkoper vraagt voor een product al voordat het product verkocht is. Biedprijs: het bedrag dat een koper biedt voor een product nog voordat de koop is afgerond. |
| Primaat van het bevoegd gezag |
Met het primaat van het bevoegd gezag wordt gedoeld op de positie van het bevoegd gezag als eerst- en eindverantwoordelijke instantie op school. Dit blijkt onder meer uit het gegeven, dat het adviesrecht en instemmingsrecht van de MR alleen uitgeoefend kan worden als er een min of meer uitgewerkt voorstel ligt van het bevoegd gezag. |
| Privacyreglement |
Leraren, leerlingen, ouders, onderwijsassistenten, vrijwilligers en stagiairs hebben in het onderwijs recht op bescherming van hun persoonlijke gegevens. Privacyreglementen worden opgesteld op basis van de Wet Bescherming Persoonsgegevens. Het beschrijft het doel van registratie, welke gegevens op welke wijze kan worden geregistreerd. |
| Privacyreglement personeel |
Indien het schoolbestuur een privacyreglement wil hanteren voor het personeel voor alle of de meerderheid van de scholen dient te worden overlegd met de personeelsgeleding van de gemeenschappelijke medezeggenschapsraad: P(G)MR. Op grond van artikel 12 onder m WMS dient het schoolbestuur een concept-privacyreglement ter instemming voor te leggen aan het personeelsdeel van de medezeggenschapsraad (PMR) of gemeenschappelijke medezeggenschapsraad (PGMR). De P(G)MR heeft tot taak te oordelen over de vaststelling of verwerking van een regeling over het verwerken van en de bescherming van persoonsgegevens van het personeel. De PGMR treedt – indien het een aangelegenheid betreft die van gemeenschappelijk belang is voor alle of voor de meerderheid van scholen – in de plaats van de PMR van die scholen. Het instemmingsrecht omvat onder andere het doel en de verwerking van de persoonsgegevens, het beheer van – de verwerking van – persoonsgegevens, de verstrekking van en toegang tot gegevens, beveiliging en geheimhouding, de rechten van betrokkene en bewaartermijnen. Het gaat hierbij om het verwerken van persoonsgegevens in de administraties van sollicitanten, personeelsleden, het salaris, de uitkering bij ontslag en het pensioen en vervroegde uittreding. |
| Proactieve opstelling |
De (G)MR stelt zich actief op ten aanzien van het beleid van het bevoegd gezag/management. |
| Procesbevoegdheid |
De MR is weliswaar een algemeen bekend orgaan binnen een onderwijsinstelling maar heeft geen rechtspersoonlijkheid. Artikel 25 bepaalt daarom uitdrukkelijk dat de MR in rechte kan optreden tegen enig handelen of nalaten van het bevoegd gezag wat betreft de naleving van de WMO. In afwijking van artikel 237 van het Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht kan de MR niet in de proceskosten worden veroordeeld. |
| Professional |
(G)MR-leden kunnen zich door middel van scholing ontwikkelen tot
‘professionals’ in de medezeggenschap. Criteria waaraan professionals moeten
voldoen om succesvol te kunnen functioneren (Weggeman, 2007): |
| Professionalisering |
Men spreekt van professionalisering van de (G)MR als er een zekere mate van
deskundigheid bij de leden verworven moet worden om taken van (G)MR-leden te
kunnen uitvoeren. Een deskundigheid die te verwerven is door ervaring en door
gerichte scholing van de MR als geheel en van de afzonderlijke leden van de MR.
|
| Professionele leergemeenschap |
In een professionele leergemeenschap of beroepsgemeenschap staan de onderwijsprofessionals in de school centraal die het onderwijs willen verbeteren. Kenmerken van professionele leergemeenschappen zijn: een duidelijke, expliciete en gedeelde visie op het leren van leerlingen en op de ondersteuning daarvan door de leraren en school; het leren van leerlingen en hun resultaten in het brandpunt van de aandacht van de leraren; collectieve leerprocessen van betrokken professionals en toepassing van het geleerde in het onderwijs; een reflectieve dialoog tussen de professionals over hun handelen in de klas en hun onderwijs; onderzoek van de onderwijspraktijk dor de onderwijsprofessionals; leraren die beschikken over competenties voor het functioneren in professionele leergemeenschappen; ondersteunend en gedeeld leiderschap dat mogelijkheden schept voor samen leren; ondersteunende structurele condities voor het leren van de leraren. |
| Provisie |
Financiële vergoeding voor een verkoper, die afhankelijk is van de omvang van een transactie of een omzet die voor de werkgever is behaald. Meestal bestaat de vergoeding uit een percentage van de verkoopprijs of de omzet. |
| Quorum |
Het aantal zittende leden dat ten minste aanwezig moet zijn wil er een geldige vergadering gehouden kunnen worden of een rechtsgeldig besluit genomen. |
| Raad van Toezicht |
Een schoolbestuur wordt in toenemende mate voor de taak gesteld om autonoom
beleid te voeren op personeel, financieel, onderwijskundig en organisatorisch
gebied. Voor deze taken worden in de wat grotere onderwijsinstellingen vaak
professionele bestuurders aangetrokken die vervolgens via een directiestatuut of
een bestuursreglement bevoegdheden krijgen toebedeeld (gedelegeerd) door het
bestuur om deze taken te kunnen uitoefenen. |
|
Rb. |
Rechtbank |
|
Rddf |
Risicodragend deel van de formatie. |
|
REC |
Regionaal expertisecentrum |
| Rechten van ouders |
De belangrijkste rechten van ouders ten opzichte van het bevoegd gezag kunnen
als volgt worden samengevat. |
| Rechtmatigheidstoetsing |
Bij een adviesgeschil moet de geschillencommissie beoordelen of het bevoegd
gezag bij het niet of niet geheel volgen van het advies van de raad: |
| Rechtsbescherming |
De WMS bepaalt in artikel 3, dat MR-leden, voormalige leden en kandidaatleden (ouders, leerlingen of personeelsleden) niet mogen worden benadeeld vanwege hun activiteiten in de MR in hun positie met betrekking tot de school (lid 12). Voor personeelsleden is expliciet bepaald in het negende lid, dat zij niet mogen worden ontslagen vanwege hun MR-lidmaatschap (lid 13). De beëindiging van de betrekking in strijd met het negende lid is nietig, zoals de wetgever het uitdrukt. |
| Rechtspersoon |
Elke school wordt in stand gehouden door een natuurlijk persoon of een
rechtspersoon. De meest in het onderwijs voorkomende rechtspersonen zijn de
vereniging en de stichting. Maar ook besloten vennootschappen (BV’s) komen
steeds meer voor – bijvoorbeeld in het kader van activiteiten ten behoeve van de
zogenaamde derde-geldstroom (contractactiviteiten). De gemeente kan sedert
enkele jaren het bevoegd gezag over een openbare school – naast de reeds langer
aanwezige constructies van bestuurscommissie en gemeenschappelijke regeling –
ook overdragen aan een openbare rechtspersoon of een overheidsstichting. Een
rechtspersoon kan net als een natuurlijk persoon rechtshandelingen verrichten,
zoals kopen, verkopen, huren, verhuren, benoemen en ontslaan van werknemers. De
rechtspersoon is verantwoordelijk voor de naleving van wetten en
subsidievoorwaarden en is uiteindelijk aansprakelijk voor alle doen en laten van
medewerkers, leerlingen en vrijwilligers in de organisatie. |
| Rechtspositie |
Onder de rechtspositie verstaat men de verzameling van algemene regels betreffende de rechten en plichten van het personeel en het bevoegd gezag ten opzichte van elkaar. |
| Redelijkheidstoetsing |
Een geschillencommissie moet bij de beoordeling van instemminggeschillen en reglementgeschillen het door de WMS voorgeschreven criterium hanteren van de redelijkheid. Zie verder: marginale toetsing. |
| Reële rente |
Werkelijke rente in koopkracht uitgedrukt. Dit is de nominale rente gecorrigeerd voor de prijsinflatie. |
| Regionaal netwerk |
De huidige samenwerkingsverbanden in het primair en voortgezet onderwijs vormen het uitgangspunt voor de te vormen regionale netwerken. Het doel is voor elke leerling een passend onderwijsaanbod te kunnen bieden in de regio waar een kind woont. Hierover, dienen sluitende afspraken te worden gemaakt met alle betrokkenen in elk netwerk: onderwijsinstellingen, regionale expertisecentra (REC’s), regionale en de agrarische opleidingencentra. Een regionaal netwerk bestaat in de regel uit meerdere samenwerkingsverbanden, elk met hun bestuur en schoolbesturen. De schoolbesturen hebben elk een GMR en of een of meerdere MR’en. Elk regionaal netwerk moet de extra zorg voor leerlingen op zijn eigen manier kunnen inrichten. De besturen bepalen in onderling overleg hoe zij de beschikbare middelen – binnen het regionale budgettaire kader – het beste kunnen inzetten. |
| Reglement |
Geheel van bepalingen of voorschriften die de leden van de schoolorganisatie in acht moeten nemen. |
| Regulier onderwijs |
Regulier onderwijs is door de overheid bekostigd onderwijs. |
| Rendement |
Bij rendement gaat het altijd om een verhouding tussen een bedrag dat je ergens in belegt en de vergoeding die je voor deze belegging krijgt. De verhouding wordt meestal uitgedrukt in een percentage, waarbij de vergoeding boven de teller staat en het belegde bedrag in de noemer |
| Rentabiliteit |
Winstgevendheid. |
| Rente |
Is de prijs voor krediet: vergoeding voor het lenen van geld gedurende een bepaalde periode Men kan de rente globaal indelen naar geldmarktrente (deze korte rente betreft leningen met een looptijd korter dan een jaar) en kapitaalmarktrente (de lange rente met een looptijd langer dan een jaar). |
|
RI&E |
Risico-inventarisatie en -evaluatie (Arbobeleid) |
|
R.o. |
Rechtsoverweging |
|
ROC |
Regionaal opleidingscentrum |
| Roerende goederen |
Goederen die niet spijkervast aan de grond vernageld zitten, c.q. goederen die zichzelf kunnen verplaatsen (zoals vee) of die verplaatst kunnen worden (zoals auto’s). Dit in tegenstelling tot onroerende goederen die wel verbonden zijn aan de grond. Het onderscheid is van belang voor de rechtspraak. Zowel roerende als onroerende goederen kunnen onderdeel zijn van de vaste activa. |
| RpbO | Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel |
|
RSG |
Regionale scholen gemeenschap |
|
RT |
Remedial teacher |
|
Rugzak |
Leerling met een leerlinggebonden budget (Rugzak) |
|
RVC |
Regionale verwijzingscommissie |
|
RvT |
Raad van toezicht |
| Samenstelling MR |
Het aantal leden dat uit en door het personeel wordt gekozen en het aantal
leden dat uit en door de ouders en leerlingen wordt gekozen is even groot. Er is
sprake van paritaire samenstelling. |
| Samenwerking |
Samenwerking is een proces waarin partijen samen hun problemen formuleren en dan gezamenlijk zoeken naar oplossingen. Samenwerking kent daarom oneindig veel varianten. De in artikel 11 onder d van de WMS genoemde aangelegenheid ‘het aangaan, verbreken of belangrijk wijzigen van een duurzame samenwerking met een andere instelling’ is te beschouwen als een van de aangelegenheden, die betrekking hebben op de organisatorische inrichting van de school en de onderwijsorganisatie. Met andere instelling wordt niet alleen gedoeld op bijvoorbeeld welzijnsinstellingen en opleidingsinstituten voor onderwijzend personeel, maar ook op bijvoorbeeld een arbodienst, waarmee een contract wordt afgesloten. Het aangaan van een dergelijke contractuele samenwerking is derhalve een adviesplichtige aangelegenheid. |
| Samenwerkingsverband |
Scholen en hun schoolbesturen kunnen deelnemen aan een samenwerkingsverband. Bijvoorbeeld het samenwerkingsverband Weer Samen Naar School (WSNS). En zo’n samenwerkingsverband kan op zijn beurt weer participeren in een regionaal netwerk. Bijvoorbeeld een regionaal netwerk Passend Onderwijs. Dit regionale verband heeft in de regel een bestuur waarin de besturen van de deelnemende samenwerkingsverbanden in vertegenwoordigd zijn. |
|
Sbo (Sbao) |
Speciale school voor basisonderwijs |
| Scholenfusie |
Bij een scholenfusie worden twee of meer scholen samengevoegd tot een nieuwe
school. Een dergelijke fusie is slechts mogelijk indien de scholen onder
hetzelfde bevoegd gezag ressorteren. Er behoeft na de fusie niet perse les
gevolgd te worden in een gebouw of op een locatie. |
| Scholing |
Scholing is het systematisch verwerven van relevante kennis en/of
vaardigheden voor de uitoefening van de taken van een (G)MR-lid. Er is sprake
van een vooraf vastgesteld programma waarin is vastgelegd wat wordt geleerd en
op welke wijze dit wordt getoetst. Een (G)MR heeft recht op scholing (WMS
artikel 28). De (G)MR bepaalt zelf aan welke scholing behoefte bestaat, en bij
welk instituut deze scholing zal worden gevolgd. De kosten van de scholing van
alle (G)MR-leden zijn voor rekening van het bevoegd gezag, of komen ten laste
van het budget dat de (G)MR en het bevoegd gezag hebben afgesproken ten behoeve
van de activiteiten in de (G)MR. |
| School |
De school vormt de verbindingsschakel naar de toekomstige arbeidsparticipatie en maatschappelijke deelname. Het onderwijs bereidt leerlingen voor op hun toekomst: in werk, privéleven en maatschappij. De voorbereiding op arbeid als taak van het onderwijs is zeker wat betreft het overdragen van kennis en vaardigheden (‘kwalificaties’) weinig omstreden. De voorbereiding op het maatschappelijk functioneren is altijd als een taak van het onderwijs opgevat, maar heeft in de loop der jaren wisselende aandacht en een uiteenlopende invulling gekregen. De voorbereiding op werk, privéleven en maatschappij zijn analytisch wel te onderscheiden, maar in de onderwijspraktijk lopen deze domeinen door elkaar. |
| Schoolbestuur |
Het bestuur van een school in het bijzonder onderwijs wordt meestal
‘schoolbestuur’ genoemd. Het kan daarbij gaan om een vereniging of om een
stichting. Het schoolbestuur is het bevoegd gezag van deze school zoals het
gemeentebestuur het bevoegd gezag is bij het openbaar onderwijs. Ouders kunnen
door zitting te nemen in het bestuur van een school directe invloed uitoefenen
op het tot stand komen van het beleid. |
|
Schoolgemeente |
gemeente waar de school is gevestigd |
| Schoolgids |
Scholen in het primair en voortgezet onderwijs moeten over een schoolgids beschikken. In de schoolgids geeft de school aan (potentiële) ouders informatie over haar doelstellingen, werkwijzen en zorg, de wijze waarop de verplichte onderwijstijd wordt benut, de vrijwillige ouderbijdrage en de rechten en plichten van de ouders, verzorgers en leerlingen en de resultaten. Maar ook waaraan de school het geld uitgeeft dat ze van de overheid krijgt. In het PO/WEC/VO heeft de ouders/leerlingendeel van de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad instemming waar het gaat om het vaststellen van de schoolgids. De personeelsgeleding wordt het voorstel ter kennisneming aangeboden. Hierbij verstrekt het bevoegd gezag onder meer de beweegredenen voor het voorstel. De schoolgids kan ouders behulpzaam zijn bij het maken van een beredeneerde schoolkeuze. Ouders moeten er concrete verwachtingen aan kunnen ontlenen ten aanzien van wat de school hun biedt en de school daarop kunnen aanspreken. Een schoolgids is steeds meer het visitekaartje van de school waarmee zij zich profileert. |
| Schooljaar |
Het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaraanvolgend. |
| Schoolkosten |
Schoolkosten kunnen worden onderscheiden in twee soorten kosten: de
noodzakelijke schoolkosten en de vrijwillige ouderbijdrage. De noodzakelijke
schoolkosten zijn kosten voor de aanschaf van zaken en vergoeding voor diensten
die noodzakelijk zijn voor het volgen van onderwijs, maar waarvoor de school
geen bekostiging krijgt. Onder de omschrijving van noodzakelijke schoolkosten
(‘gratis lesmateriaal’ voor ouders) vallen schoolboeken: leerboeken, werkboeken,
project- en tabellenboeken, examentrainingen/bundels, eigen leermateriaal van de
school, bijbehorende cd’s en/of dvd’s die een leerling in dat leerjaar nodig
heeft. Daarnaast valt de ontsluiting van digitaal leermateriaal (de kosten van
licenties) dat een leerling in dat jaar nodig heeft ook onder noodzakelijke
schoolkosten. De vrijwillige ouderbijdrage wordt aan ouders gevraagd voor zaken
en diensten waar de ouders voor kunnen kiezen, die niet essentieel zijn voor het
volgen van onderwijs en waarvoor de school geen bekostiging ontvangt. Bij deze
kosten valt de denken aan een atlas, woordenboek (want die zijn voor meer jaren
nodig en niet specifiek voor een bepaald leerjaar), agenda (want die is niet
gericht op informatieoverdracht in onderwijsleersituaties) en de kosten van
ict-applicaties (zoals bijv. tekstverwerking). Ook laptops, rekenmachines,
sportkleding, gereedschap, schriften/multomap, pennen zijn voor rekening van de
ouders. Op grond van artikel 14 lid 2 onder d heeft de oudergeleding van de
(G)MR instemmingsbevoegdheid waar het gaat om ‘de vaststelling of wijziging van
het beleid met betrekking tot het beheersbaar houden van de middelen die van de
ouders of de leerlingen worden gevraagd, voor schoolkosten, met uitzondering van
lesmateriaal als bedoeld in artikel 6e, tweede lid, van de Wet op het voortgezet
onderwijs, die door het bevoegd gezag noodzakelijk worden bevonden’. |
| Schoolleiding |
Wie de schoolleiding is staat vermeld in artikel 1 van de WMS: de directeur, de rector, of de leden van de centrale directie, alsmede de adjunct-directeuren of de conrectoren. Een van de leden van de schoolleiding is in de regel de overlegpartner van de MR. Deze functionaris maakt als zodanig geen deel uit van de MR. |
| Schoolmanagement |
Het schoolmanagement van de school wordt gevormd door het schoolbestuur en de schoolleiding. |
| Schoolplan |
Het schoolplan bevat een beschrijving van het beleid met betrekking tot de
kwaliteit van het onderwijs dat binnen de school wordt gevoerd en omvat in elk
geval het onderwijskundig beleid, het personeelsbeleid en het beleid met
betrekking tot de bewaking en verbetering van de kwaliteit van het onderwijs.
Het bevoegd gezag moet een keer in de vier jaar de hoofdlijnen van het eigen
beleid beschrijven. Het schoolplan behoort tot de informatie die het bevoegd
gezag aan de MR dient te verstrekken. Met het schoolplan legt de school
verantwoording af aan de inspectie over het gevoerde beleid en wordt inzicht
gegeven in de door de school gemaakte beleidskeuzes. |
| Schoolveiligheidsplan |
In een schoolveiligheidsplan worden veiligheidsdoelen gesteld met betrekking
tot thema’s als agressie en geweld, seksuele intimidatie en discriminatie. In
een schoolveiligheidsplan kunnen afspraken worden opgenomen over: |
| Schriftelijke stemming |
Bij schriftelijk stemmen krijgen alle aanwezigen een stembriefje; dat kan een
blanco briefje zijn waarop iedereen zelf zijn voorkeur moet invullen, of een
voorgedrukt briefje waarop de voorkeur alleen maar hoeft te worden aangekruist.
Bij een geheime stemming moeten de briefjes worden dichtgevouwen en worden
ingeleverd (stemmen met gesloten briefjes). Het stembureau vouwt ze open en telt
de stemmen. De geheime stemming vindt altijd plaats als er gestemd wordt over
personen. Bij een schriftelijke stemming kunnen blanco en ongeldige stemmen
voorkomen. Blanco stemmen zijn briefjes die blanco zijn gebleven, waarop dus
niets is ingevuld. Het is vergelijkbaar met de stemonthouding bij het collectief
stemmen. |
| Seksuele intimidatie |
Seksuele intimidatie (ongewenste intimiteiten) is ongewenste, seksueel getinte aandacht, die tot uiting komt in verbaal gedrag (bijvoorbeeld vieze moppen), non-verbaal gedrag (bijvoorbeeld gluren), of fysiek intimiderend optreden (bijvoorbeeld handtastelijkheden). Het bevoegd gezag als werkgever en de MR moeten tezamen binnen het kader van het arbeidsomstandighedenbeleid afspraken maken over preventief beleid met betrekking tot seksuele intimidatie (Arbeidsomstandighedenwet 1998 artikel 4, lid 2). De vertrouwensinspecteurs zijn aanspreekbaar voor ouders, leerlingen en andere betrokkenen op grond van artikel 6 van de Wet op het onderwijstoezicht (WOT). |
|
Signaal verzuim |
ongeoorloofde afwezigheid zich uitend in spijbelgedrag (zonder dat er sprake is van vakantie), maar met veelal problematische achtergrond |
|
SLO |
Stichting leerplan ontwikkeling |
|
SO |
Speciaal onderwijs |
| Sociaal jaarverslag |
In het jaarlijkse sociaal jaarverslag van het bevoegd gezag komen ten minste de volgende onderwerpen aan bod: preventie ziekteverzuim, taakbelasting, doelgroepenbeleid (met aandacht voor de positie van vrouwen, allochtonen en arbeidsgehandicapten), incidentele beloning en gebruik van uitzendarbeid. |
| Sociaal kapitaal van (G)MR-leden |
Sociaal kapitaal van (G)MR-leden kan algemeen omschreven worden als de
hulpmiddelen die in een schoolgemeenschap aanwezig zijn om de sociale
organisatie vorm te geven. Deze hulpmiddelen vinden hun voedingsbodem in
gemeenschapsactiviteiten, sociale steun en participatie. |
| Sociaal netwerk |
Een sociaal netwerk, dat in het spraakgebruik als ‘netwerk’ wordt aangeduid, is een netwerk van mensen of groepen mensen. Bijvoorbeeld leraren, ouders en leerlingen die elkaar kennen via een school of de (G)MR en die vaak samenwerken. Daarom kan een schoolnetwerk ook gezien worden als een vorm van sociaal netwerk. Het werkwoord ‘netwerken’ (tijdens een gelegenheid relaties onderhouden en nieuwe relaties opdoen) is hier ook van afgeleid. |
| Softclosing |
Een virtuele afsluiting van een voorgaande periode binnen het boekjaar. Bijvoorbeeld een softclosing per maand, per kwartaal of na een half jaar. Na de softclosing is de administratie weer open om door te gaan met de administratie in het boekjaar. |
| Solvabiliteit |
De solvabiliteit geeft de verhouding aan tussen het eigen en het vreemd vermogen en duidt aan in hoeverre de school in staat is op lange termijn aan haar financiële verplichtingen te voldoen. Als minimaal percentage wordt doorgaans 35% aangehouden. |
| Spaarliquiditeit |
Liquide middelen die nodig zijn om investeringen van te betalen. |
|
SPD |
Sociaal pedagogische dienst |
| Sponsorbeleid |
Het sponsorbeleid van de school heeft betrekking op de vaststelling of
wijziging van de bestemming in hoofdlijnen van door het bevoegd gezag ontvangen
middelen van derden, waaronder zowel sponsorgelden als donaties. De
medezeggenschapsraad heeft adviesbevoegdheid met betrekking tot het
sponsorbeleid van het bevoegd gezag (artikel 11 WMS). Het bevoegd gezag is
verplicht in het schoolplan het beleid op te nemen ten aanzien van de
aanvaarding van sponsoring (artikel 12 WPO, artikel 21 WEC, artikel 24 WVO).
Daarnaast dient het bevoegd gezag ouders, verzorgers en leerlingen in de
schoolgids te informeren over de wijze waarop het bevoegd gezag omgaat met
bijdragen die door middel van sponsoring zijn verkregen (artikel 13 WPO, artikel
22 WEC, artikel 24a WVO). Op grond van artikel 10 WMS heeft de
medezeggenschapsraad een instemmingsbevoegdheid met betrekking tot het
vaststellen of wijzigen van het schoolplan. |
| Sponsoring |
Sponsoring is gebaseerd op het principe dat de sponsor (een bedrijf) geld of
diensten/goederen levert waarvoor de ontvangende partij (de school) een
tegenprestatie levert. Beide partijen boeken winst. |
| Sponsorovereenkomst |
Met een sponsorovereenkomst wordt de sponsoring van bijvoorbeeld een evenement op een school door de sponsor schriftelijk vastgelegd. De sponsorovereenkomst met het bevoegd gezag bevat onder andere bepalingen over het doel van de sponsoring, de verplichtingen van de school (tonen van logo’s, afspelen van bepaalde muziek, uitdelen van promotionele goederen) en de vergoedingen die de sponsor voor de geleverde diensten betaalt. De medezeggenschapsraad heeft adviesbevoegdheid over een voorgenomen besluit van het bevoegdheid over het aangaan, verbreken of belangrijk wijzigen van een duurzame samenwerking met een andere instelling zoals bij voorbeeld de samenwerking met een sponsor (artikel 11 WMS). Deze samenwerking wordt beklonken via een (sponsor)overeenkomst. |
| Stakeholder |
Engels woord voor belanghebbende, in ruime zin, bij een onderneming: niet alleen een aandeelhouder maar ook bijvoorbeeld een werknemer, een ouder of een leerling, maar ook een organisatie (bijvoorbeeld GGD, peuterspeelzalen, onderwijsbegeleidingsdienst, bibliotheek, bureau Jeugdzorg, en gemeente) die invloed ondervinden (positief of negatief) of zelf invloed kan uitoefenen op het reilen en zeilen van die organisatie. |
|
Stb. |
Staatsblad |
|
Stcrt. |
Staatscourant |
| Stemmen bij volmacht |
Stemmen betekent dat een kiesgerechtigde zijn/haar stem uitbrengt op verkiezingen ten behoeve van de leden van inspraakorganen. Een kiesgerechtigde kan bij schriftelijke volmacht met overgave van zijn stembiljet een ander, die tot dezelfde geleding behoort, zijn stem laten uitbrengen. Een kiesgerechtigde kan voor ten hoogste een andere kiesgerechtigde bij volmacht een stem uitbrengen. |
| Stichting |
Een stichting is een rechtspersoon, welke geen leden kent en die beoogt met
behulp van een daartoe bestemd vermogen een in de statuten vermeld doel te
verwezenlijken (artikel 285, lid 1, Boek 2 BW). |
| Stichting Onderwijsgeschillen |
Met de oprichting op 1 januari 2009 van de Stichting Onderwijsgeschillen is
er een landelijk onafhankelijk loket voor het hele onderwijsveld voor klachten,
beroepszaken en medezeggenschapsgeschillen. Een eerste stap op weg naar
bundeling van alle geschillencommissies in het onderwijs. Maar zover is het nog
niet. |
| Stichtingsnorm |
Om een school te kunnen stichten, en opgenomen te worden op het Plan van
Scholen, moet een school voldoen aan een aantal voorwaarden. Daarvoor is het
volgende nodig op basis van artikel 75, lid 1 WPO: |
| Subsidie |
Is een door de overheid verstrekte inkomens- of (geld)kapitaaloverdracht aan gezinnen of ondernemingen. |
|
SVO |
Speciaal voortgezet onderwijs |
|
SWV |
Samenwerkingsverband |
| Taak MR |
De taken die de MR moet verrichten staan niet gedetailleerd omschreven in de
WMS. Het gaat daarbij allereerst – gelet op het systeem van de WMS en de
toegekende bevoegdheden – om het leveren van een bijdrage aan het tot stand
komen van het beleid van een onderwijsinstelling. Voorts kan de MR de algemene
gang van zaken binnen de school bespreken en terzake voorstellen doen, dus zelf
beleid initiëren. Ten slotte geeft de wet een aantal deeltaken, zoals: |
| Taak(belastings)beleid |
In taak(belastings)beleid wordt rekening gehouden met de belastbaarheid en
ervaring van beginnende werknemers, senioren en minder arbeidsgeschikten.
Taakbeleid of taakbelastingsbeleid bestaat uit diverse onderdelen. De bepaling
van de omvang van de werkzaamheden op de school – het taakomvangsbeleid – is
daarbij het meest bepalend. De taakverdeling op basis van de formeel beschikbare
formatie en het feitelijk aanwezige personeel is cruciaal. Daarbij gaat het om
een zo evenredig mogelijke spreiding van de werkzaamheden en een zo evenwichtig
mogelijke taakbelasting van de individuele personeelsleden. |
| Taakbelasting |
Taakbelasting wordt meestal opgevat als dat onderdeel van het taakbeleid dat gerelateerd is aan de mogelijkheden en de wensen van het individuele personeelslid. Het gaat om de taakvervulling op individueel niveau welke gepaard gaat aan de ervaren stress, die bepaald en beïnvloed wordt door de taaktoedeling door de organisatie enerzijds en de individuele taakopvatting anderzijds. |
| Taakdifferentiatie |
Taakdifferentiatie houdt in dat personeelsleden van het bevoegd gezag de
mogelijkheid of opdracht krijgen voor een kortere of langere periode andere
taken te verrichten dan in hun functieomschrijving staan vermeld. En dat zonder
dat de functie en het daarbij behorende salaris verandert. Taakdifferentiatie of
taakroulatie heeft als doel meer variatie in het werk van het onderwijspersoneel
aan te brengen. |
| Termijn |
Een termijn is een bepaalde in een wet, reglement of ander officieel document
vastgelegde tijdsduur. Aan een termijn kunnen bepaalde rechtsgevolgen gekoppeld
zijn; bijvoorbeeld de WMS bepaalt dat ten minste eenmaal in de twee jaar een
statuut wordt vastgesteld, in het (G)MR reglement is bijvoorbeeld bepaald dat de
(G)MR vaststelt voor welke datum de verkiezing door de leden van de
desbetreffende afzonderlijke medezeggenschapsraden moet hebben plaatsgevonden.
|
| Termijndeposito |
Spaargeld dat voor enige (meestal korte) tijd is vastgezet. Op deze rekening krijgt men een wat hogere rente, dan op de gewone spaarrekening. De kortlopende termijndeposito’s worden tot de secundaire liquiditeiten gerekend. |
| Themaraad |
De (G)MR kan met instemming van het bevoegd gezag en met instemming van
tweederde van de leden van de (G)MR een themaraad instellen (artikel 20, lid 4,
WMS) voor een of meer van de aangelegenheden, bedoeld in artikel 10 en artikel
11 WMS dan wel artikel 16 WMS die aan de themaraad zijn overgedragen. Themaraden
zijn samengesteld uit leden van personeel, ouders, leerlingen (voortgezet
onderwijs). |
| Thuisonderwijs |
Artikel 5 van de Leerplichtwet 1969 biedt gronden voor vrijstelling van
inschrijving aan een school. Ouders/verzorgers kunnen zich beroepen op
vrijstelling van de plicht tot inschrijving op de volgende gronden: |
|
TL |
Theoretische leerweg |
| Toezichthoudend bestuur |
Een bestuur dat op afstand van de school opereert en zich beperkt tot het bespreken van de algemene beleidslijnen van een onderwijsinstelling wordt wel een Raad van Toezicht genoemd. |
|
TOM |
Team onderwijs op maat |
| Traditionele vernieuwingsscholen |
Traditionele vernieuwingsscholen zijn onder andere Montessorischolen, Daltonscholen, Freinetscholen, Jenaplanscholen en Vrije scholen. |
| Transactieliquiditeit |
Liquide middelen die nodig zijn om de dagelijkse transacties van te betalen. |
|
Trb. |
Tractatenblad |
| Treasury |
Het beheren van het geld van de organisatie. |
| Uitbreidingsinvesteringen |
Aanschaffen van materiële vaste activa die langer dan één jaar meegaan, waardoor deze toenemen. |
| Uitgaven |
In de financiële gang van zaken binnen de school vormen de uitgaven de basis voor de exploitatie. De uitgaven of de kasbasis vormen de kern van de schoolexploitatie. |
|
UWV |
Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen |
| Vacatieregeling |
Een vacatieregeling is een vergoeding toegekend voor geleverde inspanningen. Het bevoegd gezag kan een vacatievergoeding toekennen aan ouders en leerlingen die lid zijn van de (G)MR. Hierbij kan gedacht worden aan de landelijke fiscale vrijwilligersvergoeding. De fiscaal onbelaste vrijwilligersvergoeding bedraagt maximaal € 1.500 per jaar. Per maand mag maximaal € 150 worden vergoed. De maximale uurvergoeding is € 4,50. Voor vrijwilligers jonger dan 23 jaar (leerlingen in het VO) geldt een maximum vergoeding per uur van € 2,50. |
| Vakbond |
Is een organisatie van werknemers van één of meer bedrijfstakken of beroepsgroepen. |
| Vakcentrale |
Is een overkoepelende organisatie van vakbonden |
| Variaties basisstructuur medezeggenschap |
De WMS biedt mogelijkheden voor variaties op de basisstructuur van de medezeggenschap. De basisstructuur is dat er op elke school een medezeggenschapsraad (MR) is (artikel 3, lid 1 WMS). De WMS biedt keuzemogelijkheden om de medezeggenschap vorm te geven op een manier die het beste bij de organisatie past. In de wijze waarop binnen het geheel van de onderwijsorganisatie de medezeggenschapsstructuur wordt ingericht, zijn mogelijkheden voor het instellen van een deelraad, een themaraad, een groepsmedezeggenschapsraad en een bovenbestuurlijke medezeggenschapsraad (artikel 20 WMS). Het initiatief ligt bij de (G)MR maar de ‘afwerking’ bij het bestuur. Dat betekent dat als het bestuur het voorstel niet overneemt, gaat het instellen van een deelraad of themaraad niet door. |
| Vaste activa |
Vaste activa of duurzame bezittingen. Een school heeft de beschikking over bezittingen met een duurzaam karakter. Deze vaste activa verminderen geleidelijk in waarde. Hierdoor moet jaarlijks de waarde op de balans worden aangepast. Het bedrag van de jaarlijkse aanpassing of waardevermindering vormt de afschrijving. |
| Vaste lasten |
Regelmatig terugkerende betalingen die men als verplichting is aangegaan. |
|
Vbo |
Voorbereidend beroepsonderwijs |
| Verantwoording afleggen bestuur |
Onderscheiden kunnen worden verticale en horizontale verantwoording afleggen
van het bestuur: |
| Verbruiksgoederen |
Goederen die korter dan één jaar meegaan. |
| Vereniging |
De vereniging is een rechtspersoon, bestaande uit leden die volgens door henzelf te stellen regels willen samenwerken om een bepaald doel te bereiken, bijvoorbeeld het in stand houden van een of meer scholen, of het bevorderen van een bepaald soort onderwijs. In tegenstelling tot een stichting kent een vereniging leden. De algemene ledenvergadering heeft alle bevoegdheden, die niet door de wet of statuten aan andere organen zijn opgedragen (artikel 40, lid 1 Boek 2 BW). Het bestuur wordt gekozen door de ledenvergadering volgens de regels in de statuten bepaald. |
| Verkiezingen |
De leden van een (G)MR worden gekozen door middel van verkiezingen. Deze verkiezingen moeten geheim zijn en de stemming dient schriftelijk plaats te vinden (artikel 3, lid 3 WMS. De WMS schrijft niet voor hoeveel leden een MR mag hebben. De raad kan dat zelf in zijn reglement vaststellen. De wet schrijft wel een minimum voor: er moeten minimaal vier leden zijn en wanneer er geen ouders en/of leerlingen zijn, bijvoorbeeld bij een centrale dienst, zijn het er minimaal twee. Verder moet de oudergeleding van een medezeggenschapsraad op een school voor voortgezet onderwijs net zo groot zijn als de leerlingengeleding. De wet schrijft dus ook voor welke geledingen er in de MR zitten, wie zich kandidaat mogen stellen en wie een stem uit mogen brengen. Verder geeft de wet aan wie geen lid van de raad kunnen zijn. Tot slot bepaalt de wet dat de verkiezing bij geheime schriftelijke stemming moet geschieden. Overige bepalingen omtrent de verkiezingen staan in het medezeggenschapsreglement. |
| Verkiezingscommissie |
Een door de (G)MR ingestelde commissie die de verkiezingen organiseert. |
| Vermogen |
Is het verschil tussen bezittingen en schulden. |
| Vermogensbeheer |
Instrumenten, zoals kengetallen en begroting, die helpen bij het beheren van het vermogen. Het vermogen staat aan de rechterkant van de balans. Vermogensbeheer heeft te maken met de behoefte aan het financieren van de linkerkant van de balans: hoeveel kapitaal of vermogen heeft de onderwijsinstelling nodig en hoe financiert de onderwijsinstelling dit: met eigen vermogen of ook met vreemd vermogen |
| Vermogenskosten |
Bestaan uit afschrijvingskosten en rente. |
| Verslag |
Een verslag van een MR-vergadering bevat doorgaans de volgende kenmerken:
|
| Verticale verantwoordingsplicht |
Het bevoegd gezag heeft een ‘verticale verantwoordingsplicht’ aan de overheid; over de onderwijskwaliteit verantwoordt men zich aan de Inspectie van het Onderwijs en over de besteding van gelden aan het Cfi en de Auditdienst. |
| Vertrouwensbeginsel |
Een van de algemene beginselen van behoorlijke bestuur is het vertrouwensbeginsel: gewekte verwachtingen moeten zo mogelijk worden gehonoreerd. |
|
Vervangende leerplicht |
in bepaalde gevallen kan de jongere van 14 jaar of ouder onder verantwoordelijkheid van de school een programma volgen waarin arbeid van lichte aard is opgenomen; in het laatste schooljaar van de volledige leerplicht kan een leerling in bepaalde gevallen ingeschreven worden bij een instelling voor deeltijdonderwijs en daarnaast arbeid van lichte aard verrichten. Regulier dagonderwijs wordt gecombineerd met “praktijkleren” (artikel 3a Leerplichtwet 1969) |
| Vervangingsinvesteringen |
Het aanschaffen van materiële vaste activa die langer dan één jaar meegaan, ter vervanging van afgeschreven spullen. De post materiële vaste activa neemt hierdoor niet toe. |
| Vervangingswaarde |
De waarde van materiële vaste activa op basis van de actuele aanschafprijs. |
| Visie |
Een visie is een beeld van de gewenste toekomst. Hoe uitvoeriger en duidelijker dat beeld is, des te dwingender het wordt ervaren. Een visie geeft vorm en richting aan de toekomst van de organisatie en helpt medewerkers en hun vertegenwoordigers deze toekomst waar te maken. Een visie is onontbeerlijk voor het ontwikkelen van een strategie, voor beleidsontwikkeling in de fase van oordeelsvorming bij besluitvormingsprocessen. |
| Vlottende activa |
Buiten de vaste activa heeft de school bezittingen in de vorm van voorraden,
of in de vorm van vorderingen aan derden. Deze beide zaken worden ‘vlottende
activa of ‘vlottende bezittingen’ genoemd. |
|
Vmbo |
Voorbereidend middelbaar onderwijs |
| Vmbo-bbl | Basisberoepsgerichte leerweg binnen het vmbo |
|
Vmbo-gemengd |
Gemengde leerweg binnen het vmbo |
|
Vmbo-kbl |
Kader beroepsgerichte leerweg binnen het vmbo |
|
Vmbo-t |
Theoretische leerweg binnen het vmbo |
| Volatiliteit |
Maatstaf voor de dagelijkse, wekelijkse, maandelijkse of jaarlijkse afwijking naar boven of naar beneden van een berekende prijs- dan wel koersreeks ten opzichte van het gemiddelde. Bij beleggers is volatiliteit een maatstaf voor het risico dat gelopen wordt. |
|
Volledig leerplichtig |
de leerling moet door de ouders zijn ingeschreven bij een school en gedurende 5 dagen per week volledig dagonderwijs volgen (de school geregeld bezoeken) |
|
VOO |
Vereniging voor openbaar onderwijs |
| Voorlopige medezeggenschapsraad (VMR) |
Een voorlopige medezeggenschapsraad (VMR) moet worden ingesteld bij de
oprichting van een (geheel) nieuwe school (artikel 44 WMS). De VMR heeft tot
taak om het door het bevoegd gezag voor te leggen medezeggenschapsreglement te
beoordelen en verkiezingen voor de nieuwe MR voor te bereiden. Omdat het de
bedoeling is zo snel mogelijk een reglementaire MR in het leven te roepen heeft
de VMR in principe geen andere taken en bevoegdheden. |
| Voorwaardenscheppende wet |
De WMS is een voorwaardenscheppende wet. De WMS stelt de condities vast waarbinnen de medezeggenschap kan worden vorm gegeven. |
| Voorzieningen |
Artikel 28 van de WMS brengt tot uitdrukking dat de medezeggenschap binnen de scholen niet goed kan worden gerealiseerd, indien medezeggenschapsorganen niet kunnen beschikken over de nodige middelen en voorzieningen. Het bevoegd gezag is verplicht de MR, de geledingenraden, de deelraden, de gemeenschappelijke medezeggenschapsraden en de gemeenschappelijke geledingenraden voorzieningen ter beschikking te stellen die het redelijkerwijs nodig heeft. Dit moeten voorzieningen zijn waarover het bevoegd gezag zelf kan beschikken, zoals vergaderruimten, kopieerapparatuur, telefoon en computers, maar ook binnen redelijke termen budgetten voor externe advisering en juridische ondersteuning. Hiernaast heeft de MR recht op faciliteiten in de vorm van tijd. |
|
VO-raad |
Brancheorganisatie voor het voortgezet onderwijs |
|
Vrijstelling inschrijving |
ouders kunnen onder bepaalde voorwaarden worden vrijgesteld van de verplichting hun kind in te schrijven bij een school of instelling (artt. 5 t/m 9 en art. 15 Leerplichtwet 1969) |
|
Vrijstelling schoolbezoek |
ouders of jongeren kunnen onder in de Leerplichtwet 1969 genoemde omstandigheden worden vrijgesteld van de plicht de school of instelling te bezoeken |
| Vrijwilligerswerk |
Een vrijwilliger is iemand die regelmatig voor een instelling werkzaam is en niet voorkomt in de loon- en salarisadministratie, hoewel er van een (geringe) onkostenvergoeding sprake kan zijn. Voorwaarden waaraan werkzaamheden moeten voldoen voordat het vrijwilligerswerk mag heten. Vrijwilligerswerk is: werk waarvoor niet betaald wordt; werk dat niet beroepshalve wordt verricht; werk dat geen vaste arbeidsplaats inneemt; werk dat niet concurrerend is met betaald werk; werk dat niet meer dan 20 uur per week inneemt. Vrijwilligerswerk is wel vrijwillig maar niet vrijblijvend (www.vrijwilligerswerk.nl). |
|
VSO |
Voortgezet speciaal onderwijs |
|
VwEU |
Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie |
|
Vwo |
Voorbereidend wetenschappelijk onderwijs |
|
Vz |
Voorzitter |
|
Vzngr. |
Voorzieningenrechter |
|
Wajong |
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten |
|
WAO (nu WIA) |
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (nu WIA) |
|
WAZO |
Wet arbeid en zorg |
|
WBO |
Wet op het Basisonderwijs |
|
Wbp |
Wet bescherming persoonsgegevens |
|
WEB |
Wet educatie en beroepsonderwijs |
|
WEC |
Wet op de expertisecentra |
| Weerstandscapaciteit |
De mogelijkheid van organisaties om financiële tegenvallers op te vangen. De weerstandscapaciteit wordt bepaald door de bufferliquiditeit en de mogelijkheid om de kosten tijdig aan te passen aan de baten. |
| Werkgever |
Is een bedrijf of organisatie die mensen in dienst neemt om tegen betaling
werk te verrichten. Sinds de invoering van de verplichte bestuursaanstelling
gebruikt men steeds meer de term werkgever in plaats van bevoegd gezag of
bestuur van een school. De werkgever is de rechtspersoon waarbij de werknemers
(personeelsleden) in dienst zijn. |
| Werkgeverscentrale |
Is een overkoepelende organisatie van werkgeversverenigingen. |
| Werkgeversorganisatie |
Is een vereniging van werkgevers om de belangen van (meestal) een bedrijfstak te behartigen. |
| Werkgeverspremies |
Is de premies die de werkgever moet betalen voor de sociale verzekeringen van zijn werknemers. Hierdoor zijn de loonkosten hoger dan het brutoloon van de werknemers. |
| Werknemersverzekering |
Sociale verzekering die geldt voor alle werknemers in Nederland. Voorbeelden van werknemersverzekeringen zijn de WAO en de Werkloosheidswet. |
| Werkoverleg |
Werkoverleg is een min of meer geformaliseerd overleg tussen personeelsleden en hun leidinggevende, dat regelmatig en volgens een vast patroon plaatsvindt. Het werkoverleg is een goed moment om de meningen op de werkvloer over een bepaald onderwerp eens te peilen of om van collega’s een standpunt over een bepaalde zaak te vragen. De opzet en de inrichting van het werkoverleg vallen onder het instemmingsrecht van de PMR (artikel 12, lid 1, sub d WMS). |
| Werkplan |
Een werkplan van MR of geledingenraden heeft de volgende functies: het maakt
de doelstellingen van het orgaan duidelijk, het kan een middel zijn om de
achterban bij het werk te betrekken, het structureert het werk en het kan als
houvast dienen bij een evaluatie. |
|
Wet goed onderwijs |
De wet stelt eisen op het terrein van goed bestuur. Met deze nieuwe wet kan de overheid slagvaardiger en doelgerichter optreden als er sprake is van slecht onderwijs of zwak bestuur |
| Wetgever |
Regering en parlement. |
|
Wettelijk verzuim |
het verzuim waarvan het schoolhoofd verplicht is het te melden aan de leerplichtambtenaar, te weten ongeoorloofd verzuim van drie achtereenvolgende schooldagen, dan wel verzuim van meer dan 1/8 deel van het aantal uren gedurende een periode van vier weken |
| WGA | Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten |
|
Wgr |
Wet gemeenschappelijke regelingen |
|
Whw |
Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek |
|
WIA |
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen |
| Winst |
Het is het verschil tussen de opbrengsten en kosten in een bepaalde periode. Het is de beloning voor het ondernemersrisico. |
|
Wmo |
Wet medezeggenschap onderwijs 1992 |
|
Wms |
Wet medezeggenschap op scholen |
|
WO |
Wetenschappelijk onderwijs |
| Wob | Wet openbaarheid van bestuur |
|
Woongemeente |
gemeente waar de leerling woont; normaliter de gemeente waar de leerling
ingeschreven is in de basisadministratie persoonsgegevens |
|
WOR |
Wet op de ondernemingsraden |
|
WOT |
Wet op het onderwijstoezicht |
|
WPO |
Wet op het primair onderwijs |
|
WRR |
Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid |
|
WSNS |
Weer samen naar school |
|
WVO |
Wet op het voortgezet onderwijs |
|
WW |
Werkloosheidswet |
|
ZAVO |
Ziekte- en arbeidsongeschiktheidsregeling voortgezet onderwijs |
| Zelfstandige bevoegdheden geledingen |
Een nieuw element in de WMS is dat de ouders-, leerling- en personeelsgeledingen zelfstandige instemmingsbevoegdheden krijgen. Bij de bepaling van die eigenstandige bevoegdheden zijn die onderwerpen gekozen die de betrokken geleding in het bijzonder raken. Deze mogelijkheid om in de eigen geleding het instemmingsrecht uit te oefenen ten aanzien van onderwerpen die voor betrokkenen direct van belang zijn, kan bijdragen aan meer betrokkenheid en inzet voor de MR en benadrukt het belang dat daaraan wordt gehecht. Met name voor de leerlinggeleding biedt het hebben van eigenstandige bevoegdheden de mogelijkheid om zich zelfstandig, zonder de ouders, te beraden en zich daarmee als een serieuze partij te manifesteren. Bovendien kan dit een uitnodiging zijn om zich actief in te zetten voor medezeggenschap en daarmee verantwoordelijkheid te nemen voor aangelegenheden met betrekking tot het onderwijs. Overigens kan een geleding besluiten af te zien van de eigenstandige bevoegdheid en deze te laten uitoefenen door de gezamenlijke geleding. |
| Zelfstandigheid van de school |
Scholen ontwikkelen een eigen beleid binnen de kaders die de wetgever aangeeft. De WMO biedt de MR de mogelijkheden nauw bij de gang van zaken betrokken te zijn. MR-leden kunnen meebeslissen over ‘ontwikkelingsplannen’, de prioriteiten die men stelt en het gebruik van instrumenten om de problemen op adequate wijze te kunnen oplossen. |
| Ziekteverzuimbeleid |
Vele factoren dragen bij tot stress en een hoog ziekteverzuim in het
onderwijs. Het ziekteverzuim in het onderwijs is hoog. Dit komt onder andere
door de continue eis om de positie ten opzichte van de groep leerlingen, maar
ook collega’s te handhaven, de geringe invloed op de eigen
arbeidsomstandigheden, de starre structuur van de onderwijsorganisatie, het
ontbreken van kennis en bereidheid om stresssignalen op te vangen en er iets mee
te doen en de hoge verzuimdrempel die op termijn verandert in een hoge
terugkeerdrempel. |
|
ZKOO |
Besluit tegemoetkoming ziektekosten en inkomenstoeslag onderwijs- en onderzoekspersoneel |
|
ZMLK |
Zeer moeilijk lerende kinderen |
|
ZMOK |
Zeer moeilijk opvoedbare kinderen |
| Zorgbreedte |
Bij zorgbreedte gaat het er om dat scholen een aanbod weten te creëren waarmee zij maatwerk in de klas kunnen leveren. Dat wil zeggen: instructie, leerstof en opdrachten aanpassen aan de begaafdheden van de individuele leerlingen. |
| Zorgplan |
Een zorgplan bevat de uitwerking van maatregelen die moeten worden getroffen
om leerlingen met onderwijsproblemen zoveel mogelijk binnen de basisschool te
houden. Het opstellen van een zorgplan is wettelijk voorgeschreven voor scholen
die aan een samenwerkingsverband deelnemen en dat in dat kader wel bestuurlijke
sancties mogelijk zijn wanneer scholen niet meewerken aan de totstandkoming
daarvan. |
|
ZZP |
Zelfstandig zonder personeel |